In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over de ingangsdatum van een Wajong-uitkering voor eiseres, geboren op 27 april 2001. Eiseres diende op 19 september 2023 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, maar het UWV heeft deze aanvraag afgewezen met het argument dat eiseres op dat moment geen arbeidsvermogen had. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat haar uitkering niet per aanvraagdatum, maar per 27 april 2019, de datum waarop zij 18 jaar werd, had moeten ingaan. Eiseres verwees naar een psychiatrisch rapport dat haar situatie beschrijft en stelde dat zij niet in staat was om tijdig een aanvraag in te dienen. De rechtbank oordeelde dat voor de toepassing van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong, twee cumulatieve voorwaarden moeten worden vervuld: het UWV moet kennis hebben kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk recht op een Wajong-uitkering bestaat, en de voorwaarde van het doen van een aanvraag moet tot kennelijke hardheid leiden. De rechtbank concludeerde dat aan de eerste voorwaarde niet was voldaan, omdat er vóór de aanvraagdatum geen medische beoordeling had plaatsgevonden. Daarom kon de ingangsdatum van de Wajong-uitkering niet eerder worden vastgesteld dan de aanvraagdatum van 19 september 2023. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, en zij kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.