ECLI:NL:CRVB:2024:1060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van terugwerkende kracht Wajong-uitkering vóór aanvraagdatum bevestigd
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan met ingang van 16 september 2019. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af wegens arbeidsvermogen, maar kende later alsnog de uitkering toe met ingang van de aanvraagdatum. Appellant vorderde een verdere terugwerkende kracht, onder verwijzing naar eerdere ziekte- en arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het eerdere besluit van het UWV en verklaarde het beroep gegrond, maar oordeelde dat de uitkering niet eerder dan de datum van aanvraag kan ingaan. Artikel 1a:11 van de Wajong bepaalt dat het recht op uitkering ontstaat op de dag van aanvraag, tenzij sprake is van kennelijke hardheid die ambtshalve toekenning rechtvaardigt.
De Raad concludeerde dat de omstandigheden van appellant niet voldeden aan de criteria voor ambtshalve toekenning met terugwerkende kracht. De medische rapporten toonden aan dat er voorheen functionele mogelijkheden waren en dat appellant in staat was zelf een aanvraag te doen. Het beroep tegen het latere besluit van het UWV werd ongegrond verklaard.
Daarnaast werd appellant een vergoeding toegekend voor proceskosten en griffierecht, maar geen bijzondere vergoeding voor het deskundigenrapport, omdat de kosten niet uitzonderlijk hoog waren. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en bepaalde de proceskostenverdeling.
Uitkomst: De Wajong-uitkering wordt toegekend met ingang van de datum van aanvraag en niet met terugwerkende kracht.