ECLI:NL:RBROT:2026:312

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11923731 HA VERZ 25-85
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet van een griffiemedewerker wegens het verzenden van vertrouwelijke informatie naar privémail

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [persoon A], een griffiemedewerker van de Gemeente Hoeksche Waard, en haar werkgever, de Gemeente. [persoon A] was sinds 2007 in dienst en werd op 9 september 2025 op staande voet ontslagen. Dit ontslag volgde op het verzenden van vertrouwelijke bestanden naar haar privémail na een schorsing op 2 september 2025. [persoon A] verzocht om een verklaring voor recht dat de schorsing onrechtmatig was en dat het ontslag nietig moest worden verklaard. De Gemeente verzocht op zijn beurt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van [persoon A]. Tijdens de zitting op 8 december 2025 werd de zaak besproken.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, omdat er sprake was van een dringende reden. [persoon A] had vertrouwelijke informatie verzonden terwijl zij geschorst was en was gewaarschuwd voor escalerend gedrag. De kantonrechter kende echter de helft van de transitievergoeding toe aan [persoon A], omdat het niet toekennen van deze vergoeding in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter weegt hierbij mee dat [persoon A] 18 jaar in dienst was en dat er geen schade voor de Gemeente was aangetoond door het handelen van [persoon A]. De proceskosten werden toegewezen aan [persoon A] omdat zij grotendeels ongelijk kreeg. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11923731 HA VERZ 25-85
datum uitspraak: 12 januari 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. K.F.A.M. Weijling,
tegen
de gemeente Hoeksche Waard,
zetelplaats: Oud-Beijerland,
verweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
gemachtigde: mr. V. Stavleu.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘de Gemeente’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [persoon A] , met bijlagen;
  • de brief van [persoon A] van 6 november 2025;
  • het verweerschrift van de Gemeente met (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van mr. Weijling.
1.2.
Op 8 december 2025 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[persoon A] werkte sinds 2007 bij de Gemeente. Haar functie was [naam functie] op de griffie. Zij is op 9 september 2025 op staande voet ontslagen, onder andere omdat zij na haar schorsing op 2 september 2025 vertrouwelijke bestanden naar haar privémail heeft gestuurd. [persoon A] verzoekt voor zover nodig een verklaring voor recht dat de schorsing onrechtmatig was. Ook wil zij dat de schorsing en het ontslag nietig worden verklaard, omdat de besluiten volgens haar onbevoegd zijn genomen. Als de kantonrechter daar anders over denkt, wil [persoon A] dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd. [persoon A] wil ook dat de Gemeente het salaris doorbetaalt. De Gemeente vindt dat alle verzoeken van [persoon A] moeten worden afgewezen. Als de opzegging wordt vernietigd, verzoekt de Gemeente de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen. [persoon A] is het daar niet mee eens. Als de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, wil zij een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
De uitkomst
2.2.
[persoon A] krijgt voor het grootste deel ongelijk. Het ontslag op staande voet blijft namelijk in stand, maar de kantonrechter kent de helft van de transitievergoeding toe aan [persoon A] . Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Wat is er gebeurd?
2.3.
Voorafgaand aan het ontslag op staande voet op 9 september 2025 is er veel gebeurd op en rondom de griffie van de gemeenteraad van de Hoeksche Waard, waar [persoon A] als [naam functie] werkte. Niet alles is relevant voor de uitkomst van deze zaak. Alleen de feiten die de kantonrechter wel van belang vindt voor de beslissing, bespreekt zij hierna.
2.4.
Begin 2025 is intern onderzoek gedaan naar het handelen van de griffie. In een e-mail van 13 februari 2025 beschrijft de Programmadirecteur Bedrijfsvoering aan de Werkgeverscommissie [1] de bevindingen als “een onthutsend beeld”. [2] Zo zou er sprake zijn van onregelmatigheden bij declaraties van onder andere reiskosten en overuren, buitensporige promoties en een onwenselijke vorm van bejegening naar en belasting van de ambtelijke organisatie door de griffiemedewerkers, waaronder dus [persoon A] .
2.5.
Enige tijd later, op 17 juli 2025, stuurt [persoon A] samen met drie collega’s twee e-mails aan de waarnemend griffier, het Presidium, de Werkgeverscommissie de ondernemingsraad en de gemeentesecretaris waarin zij melding maakt van een structureel onveilige werkomgeving waarin sprake is van machtsmisbreuk en intimidatie door de waarnemend griffier. [3] In de e-mail aan het Presidium, de ondernemingsraad en de gemeentesecretaris staat dat de griffiemedewerkers dit probleem al meermaals hebben aangekaart bij de Werkgeverscommissie. In de e-mail aan de waarnemend griffier en de Werkgeverscommissie staat dit niet.
2.6.
Een dag later, op 18 juli 2025 stuurt de Werkgeverscommissie een vertrouwelijke Raadsinformatiebrief (RIB) aan de gemeenteraad met daarin de bevindingen van het onderzoek naar de griffie. [4] Daarna vinden er gesprekken plaats met de griffiemedewerkers en de Werkgeverscommissie, in groepsverband en individueel, om over de gestelde onveilige werkomgeving te praten.
2.7.
Op 6 augustus 2025 stuurt de Werkgeverscommissie een brief aan [persoon A] waarin staat dat de Werkgeverscommissie verder onderzoek gaat doen en [persoon A] wordt met klem verzocht discreet om te gaan met deze kwestie en er niet met anderen over te spreken om het onderzoek zo zorgvuldig mogelijk aan te pakken. [5]
2.8.
De RIB is vervolgens in de pers terechtgekomen. Onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor het lekken van de RIB aan de pers. Op 29 augustus 2025 stuurt [persoon A] samen met twee collega’s een e-mail aan de gemeenteraad waarin wordt gesuggereerd dat de Werkgeverscommissie de RIB heeft gelekt aan de pers en dat de griffiemedewerkers tot dan toe geen gelegenheid tot wederhoor hebben gekregen, terwijl zij hun visie op de RIB graag met de gemeenteraad willen delen. [6]
2.9.
[persoon A] is naar aanleiding van deze gebeurtenissen geschorst op 2 september 2025. [7] In de schorsingsbrief staat dat aan [persoon A] voor de duur van de schorsing de toegang tot de gemeentelijke kantoren en andere locaties en de gemeentelijke systemen en het digitale netwerk wordt ontzegd. In de brief staat ook dat als [persoon A] (opnieuw) escalerend handelt, een ontslag op staande voet niet wordt uitgesloten.
2.10.
Na onderzoek van de ICT-afdeling heeft de Gemeente achterhaald dat [persoon A] na haar schorsing vele handelingen in de digitale werkomgeving van de Gemeente heeft verricht en onder meer vertrouwelijke informatie naar haar privémail en die van een collega heeft gestuurd. De Gemeente heeft [persoon A] in een gesprek op 9 september 2025 geconfronteerd met de bevindingen en haar vervolgens op staande voet ontslagen. Als dringende redenen, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, noemt de Werkgeverscommissie in de brief:
- het verzenden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waarover [persoon A] al dan niet
reeds onrechtmatig beschikte, naar haar privé-emailadres;
- het verzenden van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waarover [persoon A] al dan niet
reeds onrechtmatig beschikte, naar het privé-emailadres van een collega;
  • het verzenden van personeelsvertrouwelijke informatie, waarover [persoon A] al dan niet reeds onrechtmatig beschikte, naar haar privé-emailadres;
  • het verzenden van personeelsvertrouwelijke informatie, waarover [persoon A] al dan niet reeds onrechtmatig beschikte, naar het privé-emailadres van een collega;
  • het verwijderen van informatie in de digitale werkomgeving;
  • het maken van een ernstige inbreuk op de informatieveiligheid van de
Gemeente;
  • het schenden van de ambtelijke geheimhoudingsplicht;
  • een en ander in de context waarin [persoon A] reeds geschorst én gewaarschuwd was zich te onthouden van nader escalerend gedrag.
[persoon A] heeft geen belang bij een verklaring voor recht over de schorsing
2.11.
[persoon A] verzoekt (voor zover nodig) een verklaring voor recht dat de schorsing van 2 september 2025 onrechtmatig was. Op de vraag van de kantonrechter welk belang zij daarbij heeft, kon haar gemachtigde geen concreet antwoord geven. Daarom wordt dit verzoek alleen al door een gebrek aan belang afgewezen.
De besluiten om [persoon A] te schorsen en te ontslaan zijn niet nietig of vernietigbaar
2.12.
Het primaire standpunt van [persoon A] is dat de besluiten om haar te schorsen en op staande voet te ontslaan nietig zijn, omdat die besluiten genomen zijn door de waarnemend griffier en hij daartoe niet bevoegd was. De besluiten zijn volgens [persoon A] daarom in strijd met de wet genomen. De kantonrechter volgt [persoon A] hierin niet, want de besluiten zijn genomen door de Werkgeverscommissie en partijen zijn het erover eens dat die commissie in ieder geval bevoegd was om zulke besluiten te nemen. De Gemeente heeft namelijk aangevoerd dat de Werkgeverscommissie heeft besloten om [persoon A] te schorsen en dat diezelfde commissie aan de waarnemend griffier de opdracht heeft gegeven om de schorsing aan haar mede te delen. [8] [persoon A] heeft dit niet weersproken en daarom staat deze gang van zaken vast. Bovendien is de schorsingsbrief van 2 september 2025 mede namens de Werkgeverscommissie ondertekend. [9] Over het besluit om [persoon A] te ontslaan heeft de Gemeente onweersproken aangevoerd dat de Werkgeverscommissie in de ochtend van 9 september 2025 unaniem heeft besloten om haar op staande voet te ontslaan, tenzij uit het gesprek dat in de middag met [persoon A] zou volgen nieuwe feiten of omstandigheden zouden blijken. [10] Bovendien is de bevestiging van het ontslag op staande voet in de brief van 10 september 2025 ondertekend door de voorzitter van de Werkgeverscommissie. [11]
2.13.
Subsidiair stelt [persoon A] zich op het standpunt dat de Gemeente de normen van goed werkgeverschap en behoorlijke besluitvorming heeft geschonden door onduidelijkheid over en onzorgvuldig gebruik van een onbehoorlijk mandateringsproces. Deze schendingen rechtvaardigen volgens [persoon A] op zichzelf een vernietiging van het ontslag op staande voet. Ook hierin volgt de kantonrechter [persoon A] niet. Het moet door de ondertekening van de brieven voor haar duidelijk zijn geweest dat de besluiten zijn genomen door, dan wel in overleg met, de Werkgeverscommissie. Van onduidelijk of onzorgvuldig gebruik van een onbehoorlijk mandateringsproces is dus niet gebleken.
Het ontslag is geldig
2.14.
De opzegging wordt niet vernietigd. Dat kan namelijk alleen als het ontslag niet geldig is (artikel 7:681 lid 1 onder a BW). Daar is in dit geval geen sprake van, want er is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Dat zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld mededelen van de reden (artikel 7:671 lid 1 onder c BW en artikel 7:677 BW).
Er is een dringende reden
2.15.
Er is een dringende reden voor ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW). Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier sprake is van een dringende reden.
2.16.
[persoon A] betwist de feiten die de Gemeente aan de dringende redenen van het ontslag op staande voet ten grondslag legt niet, met uitzondering van het bewust verwijderen van informatie in de digitale werkomgeving en het schenden van haar ambtelijke geheimhoudingsplicht. Wat daarvan ook zij, in ieder geval staat vast dat [persoon A] een veelvoud aan vertrouwelijke e-mails naar zichzelf en een collega heeft gestuurd terwijl zij geschorst was, haar nadrukkelijk de toegang tot de gemeentelijke digitale omgeving was ontzegd en zij bovendien uitdrukkelijk gewaarschuwd was niet verder escalerend te handelen. Dit levert naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden op die het ontslag op staande voet rechtvaardigt, waarbij nadrukkelijk ook de achtergrond waartegen dit heeft plaatsgevonden meeweegt.
2.17.
[persoon A] had er namelijk al meerdere keren voor gekozen om de ingewikkelde situatie die op de griffie was ontstaan verder te laten escaleren. Voorbeelden daarvan zijn dat in de e-mail van 17 juli 2025 aan het Presidium, de ondernemingsraad en de gemeentesecretaris staat dat de griffiemedewerkers meermaals tevergeefs signalen hebben afgegeven bij de Werkgeverscommissie over een onveilige werkomgeving veroorzaakt door de waarnemend griffier, maar [persoon A] erkent dat dit niet waar is. Het gaat volgens [persoon A] om een onhandige woordkeuze, maar door met die onhandige woordkeuze een breed podium op te zoeken, heeft zij escalerend gehandeld. Bovendien heeft [persoon A] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende concrete invulling gegeven aan de door haar gestelde onveilige werkomgeving. Zij wijst in dat verband op kritiek die de waarnemend griffier op haar functioneren heeft geuit en een drietal volgens haar grensoverschrijdende en intimiderende opmerkingen, maar daarmee is nog geen sprake van een onveilige werkomgeving waarin machtsmisbruik en intimidatie aan de orde van de dag zijn zoals wordt gesuggereerd in de e-mail van 17 juli 2025.
2.18.
Een ander voorbeeld van het escalerend handelen door [persoon A] is de e-mail van 29 augustus 2025 aan de gemeenteraad, nadat zij op 6 augustus 2025 nog met klem was verzocht niet verder escalerend te handelen. In de e-mail van 29 augustus 2025 staat onder andere dat de griffiemedewerkers tot dan toe geen gelegenheid tot wederhoor hebben gekregen, terwijl er op 23 en 30 juli 2025 juist gesprekken zijn gevoerd met [persoon A] waarin actief is gevraagd naar de visie van [persoon A] en de Werkgeverscommissie bovendien op 6 augustus 2025 nog aan [persoon A] had laten weten dat zij verder onderzoek zou doen en wederhoor zou toepassen waar nodig. Ook wordt in de e-mail van 29 augustus 2025 de suggestie gewekt dat de Werkgeverscommissie de RIB aan de pers heeft gelekt, terwijl daarvoor geen aanwijzingen zijn.
2.19.
Toen [persoon A] direct na haar schorsing opnieuw escalerend handelde door niet naar een redelijke instructie van haar werkgever te luisteren, kon van de Gemeente in redelijkheid niet langer gevergd worden het dienstverband van [persoon A] voort te laten duren. Dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [persoon A] heel groot zijn, maakt de uitkomst ook niet anders. Van de ervaren griffiemedewerkster die zij was, had juist anders verwacht mogen worden. Door haar handelen is het goed voorstelbaar dat de Gemeente ieder vertrouwen dat zij nog in haar had, heeft verloren.
Er is onverwijld opgezegd en de reden is onverwijld medegedeeld
2.20.
Tussen de Gemeente en [persoon A] is er geen discussie over dat de Gemeente heeft voldaan aan de vereisten om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en de reden voor het ontslag onverwijld aan [persoon A] te laten weten. De kantonrechter heeft geen reden om daar anders over te oordelen.
2.21.
Aangezien het ontslag in stand blijft en de arbeidsovereenkomst van [persoon A] is geëindigd, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het ontbindingsverzoek van de Gemeente.
De Gemeente moet de helft van de transitievergoeding betalen
2.22.
De kantonrechter kent de helft van de transitievergoeding toe aan [persoon A] . Er is weliswaar een dringende reden voor het ontslag op staande voet en het handelen van [persoon A] kwalificeert ook als ernstig verwijtbaar handelen, maar in dit geval is het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 7:673 lid 8 BW). Bij dit oordeel wegen de volgende omstandigheden mee, die los staan van het ernstig verwijtbaar handelen van [persoon A] . [12]
2.23.
[persoon A] is 18 jaar in dienst geweest van de Gemeente en zij heeft niet betwist dat [persoon A] voor 2024 altijd goed heeft gefunctioneerd. Weliswaar had [persoon A] echt beter moeten weten, maar niet gebleken is dat zij kwade bedoelingen had toen zij de bestanden doorstuurde naar haar privémail. Ook is niet gebleken dat de Gemeente (tot nu toe) schade heeft ondervonden van het handelen van [persoon A] , bijvoorbeeld doordat de bestanden in handen van derden zijn gekomen, ook al kan dat grotendeels worden toegerekend aan het ingrijpen van de Gemeente waardoor de doorgestuurde bestanden vrij snel na het doorsturen zijn verwijderd. Tot slot weegt mee dat het voor [persoon A] na alles wat er is gebeurd niet makkelijk zal zijn een nieuwe baan te vinden, zeker niet in de sector waar zij bijna 20 jaar in heeft gewerkt.
2.24.
De transitievergoeding bedraagt per 9 mei 2025 € 38.239,05 bruto. [13] De helft daarvan is € 19.119,53 bruto. De Gemeente wordt veroordeeld om dit bedrag aan [persoon A] te betalen.
[persoon A] moet de proceskosten betalen
2.25.
De proceskosten komen voor rekening van [persoon A] , omdat het ontslag op staande voet in stand blijft en zij dus voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] aan de Gemeente moet betalen op € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is totaal € 949,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.26.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de Gemeente om aan [persoon A] te betalen € 19.119,53 bruto te betalen;
3.2.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van de Gemeente tot vandaag worden vastgesteld op € 949,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
49039

Voetnoten

1.De Werkgeverscommissie bestaat uit leden van de gemeenteraad en oefent namens haar het werkgeverschap uit over de griffiemedewerkers.
2.Bijlage 7 van het verweerschrift.
3.Bijlagen 11 en 12 van het verweerschrift.
4.Bijlage 13 van het verweerschrift.
5.Bijlage 16 van het verweerschrift.
6.Bijlage 20 van het verweerschrift.
7.Bijlage 15 van het verzoekschrift.
8.Punt 31 van het verweerschrift.
9.Bijlage 15 van het verzoekschrift.
10.Punt 43 van het verweerschrift.
11.Bijlage 16 van het verzoekschrift.
12.Hoge Raad 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203.
13.Op basis van het maandsalaris ten tijde van het ontslag van € 6.277,39 bruto inclusief 17,05% IKB en een dienstverband van 18 jaar, 3 maanden en 9 dagen.