In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [persoon A], een griffiemedewerker van de Gemeente Hoeksche Waard, en haar werkgever, de Gemeente. [persoon A] was sinds 2007 in dienst en werd op 9 september 2025 op staande voet ontslagen. Dit ontslag volgde op het verzenden van vertrouwelijke bestanden naar haar privémail na een schorsing op 2 september 2025. [persoon A] verzocht om een verklaring voor recht dat de schorsing onrechtmatig was en dat het ontslag nietig moest worden verklaard. De Gemeente verzocht op zijn beurt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van [persoon A]. Tijdens de zitting op 8 december 2025 werd de zaak besproken.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, omdat er sprake was van een dringende reden. [persoon A] had vertrouwelijke informatie verzonden terwijl zij geschorst was en was gewaarschuwd voor escalerend gedrag. De kantonrechter kende echter de helft van de transitievergoeding toe aan [persoon A], omdat het niet toekennen van deze vergoeding in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter weegt hierbij mee dat [persoon A] 18 jaar in dienst was en dat er geen schade voor de Gemeente was aangetoond door het handelen van [persoon A]. De proceskosten werden toegewezen aan [persoon A] omdat zij grotendeels ongelijk kreeg. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.