In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [persoon A], een griffiemedewerker van de Gemeente Hoeksche Waard, en de Gemeente zelf. [persoon A] was sinds 1 juli 2001 in dienst en werd op 9 september 2025 op staande voet ontslagen. De reden voor dit ontslag was dat zij na haar schorsing op 2 september 2025 vertrouwelijke bestanden naar haar privémail had gestuurd. [persoon A] verzocht de kantonrechter om de schorsing en het ontslag nietig te verklaren, en om doorbetaling van haar salaris. De Gemeente verzocht op zijn beurt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van [persoon A].
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, maar kende [persoon A] wel 75% van de transitievergoeding toe. De rechter oordeelde dat er sprake was van een dringende reden voor het ontslag, omdat [persoon A] vertrouwelijke informatie had verzonden, ondanks dat zij geschorst was en gewaarschuwd was voor verder escalerend gedrag. De kantonrechter weegt echter ook de lange diensttijd van [persoon A] en haar ziekte mee in de beslissing om een deel van de transitievergoeding toe te kennen. De proceskosten werden toegewezen aan de Gemeente, omdat [persoon A] grotendeels ongelijk kreeg in haar verzoeken.