Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wmo 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft echter een ondersteuningsarrangement in de vorm van zorg in natura toegekend, omdat eiseres en haar pgb-vertegenwoordiger niet beschikken over voldoende administratieve vaardigheden om een pgb te beheren.
De rechtbank oordeelt dat eiseres voldoende procesbelang heeft bij haar beroep, omdat zij met het beroep wil bereiken dat alsnog een pgb wordt toegekend. De rechtbank stelt vast dat het college het besluit met ingang van 26 augustus 2024 heeft genomen, conform de beleidsregels, en dat er geen aanleiding is voor een terugwerkende kracht.
Verder is vastgesteld dat van de twee volwassen, inwonende zoons van eiseres verwacht mag worden dat zij gebruikelijke hulp verlenen bij huishoudelijke taken. De door eiseres aangevoerde allergische klachten van haar zoons zijn onvoldoende onderbouwd om dit te weerleggen.
De rechtbank benadrukt dat een cliënt de keuzevrijheid heeft tussen zorg in natura en een pgb, maar dat het college moet toetsen of de aanvrager in staat is de pgb-taken verantwoord uit te voeren. Eiseres heeft de benodigde pgb-formulieren niet correct en volledig ingevuld, ondanks herhaalde verzoeken, en het college mocht daarom concluderen dat niet aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M. Zoethout op 11 maart 2026.