ECLI:NL:RBROT:2026:35

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
C/10/690250 / FA RK 24-8901
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en zorgregeling met betrekking tot minderjarige kinderen

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in een echtscheidingszaak tussen een vrouw en een man, waarbij de vrouw op een geheim adres verblijft en de man in een andere woonplaats. De vrouw, vertegenwoordigd door advocaat mr. G. Tuenter, heeft op 29 november 2024 een verzoekschrift ingediend voor echtscheiding, waarop de man, vertegenwoordigd door mr. M.P. Kloppenburg, op 11 februari 2025 heeft gereageerd met een verweerschrift. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 december 2025 waren beide partijen aanwezig, evenals de raad voor de kinderbescherming.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en heeft de echtscheiding uitgesproken. De hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind is bij de vrouw vastgesteld, aangezien de man zich niet tegen dit verzoek heeft verzet. De rechtbank heeft ook de verzoeken van de vrouw om het gezag over de minderjarige alleen aan haar toe te kennen en om een zorgregeling vast te stellen, in overweging genomen. Vanwege de vertrouwensbreuk tussen partijen en zorgen over de veiligheid van het kind, is besloten om een hulpverleningstraject omgangsbegeleiding op te starten. De beslissing over het gezag en de zorgregeling is aangehouden tot 1 september 2026, in afwachting van een rapportage van de hulpverlening.

Daarnaast heeft de man het verzoek gedaan om het huurrecht van de echtelijke woning, wat door de vrouw niet is betwist. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. De vrouw heeft een verzoek tot vervangende toestemming voor hulpverlening voor de minderjarige ingetrokken, wat door de rechtbank is afgewezen. De proceskosten zijn nog niet vastgesteld, aangezien er geen eindbeslissing is genomen over het gezag en de zorgregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/690250 / FA RK 24-8901
Beschikking van 8 januari 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
verblijvende op een geheim adres,
advocaat mr. G. Tuenter te Apeldoorn,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 november 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken met bijlagen, ingekomen op 11 februari 2025;
  • het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken, ingekomen op 19 februari 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 december 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] , op [datum] .
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
2.3.
De vrouw heeft de Marokkaanse nationaliteit en de man heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding
3.1.1.
Partijen verzoeken ieder afzonderlijk de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.1.3.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen.
Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).
3.1.5.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen voldoende gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door hen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
3.1.6.
Het afzonderlijk door partijen gedane verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.
3.2.2.
De man verweert zich niet tegen dit verzoek.
3.2.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
3.2.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
3.3.
Gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna de zorgregeling)
3.3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige na de echtscheiding alleen aan haar toekomt. De man verzoekt bij zelfstandig verzoek een zorgregeling vast te stellen.
3.3.2.
Partijen voeren over en weer gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op de verzoeken tot voorziening in het gezag en tot vaststelling van een zorgregeling
.
3.3.4.
Uit de stukken en uit dat wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat onbelaste omgang tussen de man en de minderjarige op dit moment door een vertrouwensbreuk tussen partijen en het verblijf van de vrouw met de minderjarige in een vrouwenopvang niet mogelijk is. De onderlinge verhouding tussen partijen is slecht en (ging en) gaat gepaard met conflicten. Duidelijk is geworden dat de slechte verhouding tussen partijen verband houdt met de zorgen van de vrouw over de veiligheid van de minderjarige bij de man. Volgens de vrouw gebruikt de man drugs en is er sprake geweest van huiselijk geweld, hetgeen de man weerspreekt.
3.3.5.
Omdat onbegeleide omgang op dit moment nog niet mogelijk is en er wel moet worden gewerkt aan contactherstel tussen de man en de minderjarige is met partijen besproken dat zij kunnen deelnemen aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding. Partijen hebben hun bereidheid uitgesproken om hieraan deel te nemen. De rechtbank zal hen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het hulpverleningstraject, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar de jeugdhulpregio van de gemeente waar de vrouw met de minderjarige verblijft (hierna: de jeugdhulpregio) voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie.
3.3.6.
Op de zitting is met partijen besproken dat de hulpverlenende instantie na de intake eerst zelf zal beoordelen welk hulpverleningstraject het meest passend is. Dit kan een ander traject zijn dan hierboven is genoemd. De ouders zullen dan het advies van de hulpverlenende instantie opvolgen.
3.3.7.
De hulpverlening zal een rapportage aan de rechtbank sturen over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening. De ouders stemmen daarmee in.
3.3.8.
Zoals ook ter zitting is besproken zal de rechtbank de beslissing over het gezag en de zorgregeling aanhouden tot 1 september 2026 in afwachting van een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening.
3.3.9.
De rechtbank heeft een scan van het proces-verbaal met gegevens van de ouders gestuurd naar de jeugdhulpregio die het gaat doorsturen naar de organisatie die hulp gaat verlenen. De jeugdhulpregio zal de rechtbank berichten welke organisatie is ingeschakeld. De rechtbank zal vervolgens een kopie van deze beschikking sturen aan de raad. Op dit moment is nog niet bij de rechtbank bekend welke instantie de hulp gaat verlenen.
De rechtbank stuurt daarom de kennisgeving met daarin de informatie die nodig is voor het hulpverleningstraject naar de jeugdhulpregio met het verzoek deze door te sturen naar de in te schakelen hulpverlenende instantie.
3.3.10.
De rechtbank verzoekt deze instantie om uiterlijk op de datum zoals vermeld onder de beslissing, of zoveel eerder als mogelijk is, aan de rechtbank en aan de raad te sturen de rapportage over het verloop en de uitkomst van de omgangsbegeleiding.
De uitkomst van de hulpverlening kan zijn: positief resultaat, niet geheel positief resultaat of negatief resultaat.
3.3.11.
Als de hulpverlening heeft geleid tot een positief resultaat, hebben de advocaten twee weken de tijd om te laten weten of behandeling ter zitting nog nodig is of dat de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.
3.3.12.
Als de hulpverlening niet heeft geleid tot een (geheel) positief resultaat, zal de raad beoordelen of een schriftelijk advies nodig is of dat een mondeling advies op zitting voldoende is. Als de raad een schriftelijk advies nodig vindt, verzoekt de rechtbank de raad om schriftelijk te adviseren en te doen wat daarvoor nodig is.
3.3.13.
Omdat partijen zijn overeengekomen om het eerder afgesproken beeldbelcontact tussen de man en de minderjarige van eenmaal per week, in afwachting van de aanvang van het hulpverleningstraject, te hervatten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
3.4.
Huurrecht woning
3.4.1.
De man verzoekt het huurrecht van de woning.
3.4.2.
De vrouw verzet zich niet tegen dit verzoek.
3.4.3.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
3.4.4.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
3.4.5.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.
3.5.
Ingetrokken verzoek
3.5.1.
De vrouw heeft het verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming voor het verkrijgen van hulpverlening voor de minderjarige ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Omdat ten aanzien van het gezag en de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
4.3.
bepaalt dat de man met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurder zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] ;
4.4.
stelt vast dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om eenmaal per week op een door partijen in onderling overleg te bepalen dag van 16.30 uur tot 16.45 uur een beeldbelcontact met de minderjarige te hebben;
4.5.
houdt iedere beslissing ten aanzien van het gezag en de zorgregeling aan;
4.6.
verzoekt de hulpverlener
uiterlijk op 1 september 2026of zoveel eerder als mogelijk, de rapportage over het verloop en de uitkomst van het traject omgangsbemiddeling aan de rechtbank te sturen;
4.7.
verzoekt de raad bij een niet helemaal positief resultaat te beoordelen of een schriftelijk advies noodzakelijk is en de rechtbank daarover
uiterlijk binnen twee wekente informeren, als de raad een schriftelijk advies nodig vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad een schriftelijk advies bij de rechtbank in te dienen
uiterlijk binnen negen maanden;
stelt partijen bij een positief resultaat in de gelegenheid om
uiterlijk binnen twee wekente reageren op de rapportage van de hulpverlener(s) en daarbij aan te geven of zij een nadere zitting nodig vinden.
4.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte, behalve ten aanzien van het gezag en de zorgregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van C. Naujoks, griffier, op 8 januari 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.