Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3501

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
C/10/665281 / HA ZA 23-796
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:104 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen onderzoeksbureau en toekenning schadevergoeding aan eiseres

Eiseres heeft een klacht ingediend tegen het onderzoeksbureau dat in opdracht van haar werkgever, het ASZ, een onderzoek deed naar haar klachten. De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat het bureau onrechtmatig handelde en het rapport moest intrekken. In dit eindvonnis wijst de rechtbank het verzoek van het bureau om terug te komen van het tussenvonnis af en wijst een beperkte schadevergoeding toe aan eiseres.

De rechtbank stelt vast dat het onderzoeksbureau tekort is geschoten in de zorgvuldigheid van het onderzoek, waardoor eiseres in haar eer en goede naam is aangetast. Hoewel het bureau stelt dat er geen causaal verband is tussen haar handelen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, oordeelt de rechtbank dat het bureau eiseres een kans op herstel van de arbeidsverhoudingen heeft ontnomen.

De schadevergoeding wordt begroot op €29.302,09, bestaande uit vermogensschade en immateriële schade. Daarnaast wordt het bureau veroordeeld tot intrekking van het onderzoeksrapport binnen veertien dagen, met een dwangsom van €10.000 per dag bij niet-nakoming, tot een maximum van €100.000. Het bureau wordt ook veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het onderzoeksbureau is onrechtmatig jegens eiseres en wordt veroordeeld tot schadevergoeding van €29.302,09, intrekking van het onderzoeksrapport en betaling van proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/665281 / HA ZA 23-796
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats kiezend in [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. D.H.P.M. Müskens te Dordrecht,
tegen
[naam bedrijf] B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. L.H. Toonen te Loenen.
Partijen worden hierna [eiseres] en [naam bedrijf] genoemd.

1.Inleiding en samenvatting

1.1.
[naam bedrijf] heeft in opdracht van de Stichting Albert Schweitzer Ziekenhuis in Dordrecht (hierna: ASZ), de toenmalige werkgever van [eiseres] , onderzoek gedaan naar klachten van [eiseres] . Op 4 november 2022 heeft [naam bedrijf] hierover een rapport uitgebracht.
1.2.
In het tussenvonnis van 17 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:4445; hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat [naam bedrijf] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] en dat [naam bedrijf] haar rapport moet intrekken. In dit eindvonnis wijst de rechtbank het verzoek van [naam bedrijf] om gedeeltelijk terug te komen van het tussenvonnis af.
1.3.
Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld om de door haar gestelde schade nader te onderbouwen. Dat heeft [eiseres] gedaan en [naam bedrijf] heeft daarop gereageerd. Daarna heeft een tweede zitting plaatsgevonden. In dit eindvonnis wijst de rechtbank de vordering tot schadevergoeding voor een beperkt deel toe. Daarnaast beslist de rechtbank in dit vonnis op de andere vorderingen en over de proceskosten.
1.4.
Het heeft lang geduurd voordat de rechtbank dit eindvonnis wijst. Dat komt vooral doordat, op verzoek van [eiseres] en in overleg met partijen, de uitkomst van de procedure tussen [eiseres] en het ASZ over de ontbinding van hun arbeidsovereenkomst is afgewacht.
2. Het verloop van de procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis en de daarin vermelde processtukken;
- de akte uitlaten van [eiseres] , met producties 60 tot en met 73;
- de antwoordakte van [naam bedrijf] , met producties 51 tot en met 53;
- de akte houdende wijziging eis tevens houdende overleggen productie van [eiseres] , met
productie 74;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] en de advocaten van partijen voor de mondelinge
behandeling op 6 februari 2026.
2.2.
Na deze mondelinge behandeling heeft de rechtbank vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
In aanvulling op rubriek 2 van het tussenvonnis stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
3.2.
Bij beschikking van 1 oktober 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:1643) heeft het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) de beschikking van 16 december 2022 van de kantonrechter van deze rechtbank (ECLI:NL:RBROT:2022:11027), vermeld in 2.20 van het tussenvonnis (hierna: de kantonrechter), bekrachtigd.
3.3.
Bij beschikking van 10 oktober 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1541) heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiseres] tegen de beschikking van 1 oktober 2024 van het hof verworpen. Daarmee is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [eiseres] met het ASZ definitief geworden.

4.De vorderingen

4.1.
[eiseres] vorderde eerst, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1) Voor recht verklaart dat [naam bedrijf] door haar handelwijze, in het bijzonder door het uitvoeren van het klachtonderzoek en het opstellen van het onderzoeksrapport, onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld;
2) [naam bedrijf] veroordeelt tot schadevergoeding, op te maken bij staat;
3) [naam bedrijf] beveelt om haar onderzoeksrapport, althans de hoofdstukken III, V en VI daarvan, althans een door de rechtbank te bepalen deel van het onderzoeksrapport, in te trekken en dat binnen 48 uur na het vonnis schriftelijk aan [eiseres] en het ASZ mee te delen, op straffe van een dwangsom van € 10.000.00 voor iedere dag dat [naam bedrijf] hiermee in gebreke blijft;
4) [naam bedrijf] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van het vonnis als [naam bedrijf] het vonnis niet nakomt en met de nakosten die [eiseres] moet maken als [naam bedrijf] niet vrijwillig uitvoering geeft aan het vonnis.
4.2.
In 3.2 van het tussenvonnis heeft de rechtbank samengevat wat [eiseres] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en in 3.3 van het tussenvonnis heeft de rechtbank het standpunt van [naam bedrijf] over deze vorderingen vermeld.
4.3.
Na het tussenvonnis heeft [eiseres] haar tweede vordering gewijzigd. In plaats van verwijzing naar de schadestaat vordert zij nu dat de rechtbank [naam bedrijf] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot vergoeding van:
a) de door [eiseres] geleden vermogensschade van primair € 174.680,62, subsidiair € 233.029,63, meer subsidiair € 27.300,00, meest subsidiair een door de rechtbank te bepalen bedrag;
b) de door [eiseres] geleden immateriële schade van € 4,000,00, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
c) de wettelijke rente over de toe te kennen bedragen vanaf (primair) 4 november 2022.
4.4.
Aan haar gewijzigde vordering 2 legt [eiseres] , samengevat, het volgende ten grondslag.
Als [naam bedrijf] haar onderzoek rechtmatig en voldoende voortvarend had verricht, waren de verhoudingen tussen [eiseres] en het ASZ hersteld en had het ASZ de kantonrechter niet gevraagd de arbeidsovereenkomst met [eiseres] te ontbinden, althans dan was dat verzoek afgewezen. In ieder geval was er bij een rechtmatig en voldoende voortvarend onderzoek een kans geweest op herstel van verhoudingen, een kans die [eiseres] door het onrechtmatige handelen van [naam bedrijf] is ontnomen. Het primair gevorderde bedrag is het verschil tussen het inkomen dat [eiseres] van 1 februari 2023 (de ontbindingsdatum van haar arbeidsovereenkomst) tot 1 februari 2028 had ontvangen als zij bij het ASZ was blijven werken en het inkomen dat zij in deze periode feitelijk ontvangt. Subsidiair stelt [eiseres] dat, als het ontbindingsverzoek door de kantonrechter was toegewezen, een rechtmatig onderzoeksrapport had geleid tot toekenning van een billijke vergoeding. In dat geval was [eiseres] het subsidiair gevorderde bedrag beter af geweest dan nu. Het meer subsidiair gevorderde bedrag is de geschatte winst die [naam bedrijf] met het onderzoek heeft behaald, waarbij [eiseres] verwijst naar artikel 6:104 BW Pro.
Door het onrechtmatige onderzoek van [naam bedrijf] is [eiseres] aangetast in haar eer en goede naam en daarnaast is zij in haar persoon aangetast. Dit moet leiden tot vergoeding van immateriële schade, waarvan de hoogte naar haar aard lastig is te begroten.
Wat betreft de ingangsdatum van de gevorderde rente zoekt [eiseres] aansluiting bij de datum waarop [naam bedrijf] haar rapport heeft uitgebracht.
4.5.
[naam bedrijf] concludeert tot afwijzing van de gewijzigde vordering 2. Zij blijft erbij dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en benadrukt dat er geen causaal verband is tussen de in het tussenvonnis bedoelde onrechtmatigheden en het ontslag van [eiseres] bij het ASZ. Daarbij is van belang dat de verhoudingen tussen [eiseres] en ASZ al ernstig verstoord waren toen [naam bedrijf] met haar onderzoek begon en dat de door haar onderzochte kwesties niet ten grondslag zijn gelegd aan het ontbindingsverzoek van het ASZ. Het onderzoeksrapport is uitsluitend aan het ASZ verstrekt en [naam bedrijf] ziet geen grond voor het oordeel dat [eiseres] daardoor in haar eer en goede naam is aangetast.

5.De verdere beoordeling

Vordering 1

De rechtbank wijst vordering 1 toe, zij het anders geformuleerd dan in de dagvaarding en zonder deze verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
5.1.
In 4.36 van het tussenvonnis heeft de rechtbank geconcludeerd dat vordering 1 bij het eindvonnis zal worden toegewezen. [naam bedrijf] heeft na het tussenvonnis weliswaar duidelijk gemaakt dat zij het daar niet mee eens is, maar zij heeft in dit verband geen nieuwe argumenten aangedragen. In haar stellingen ligt ook niet besloten dat zij de rechtbank vraagt op dit punt terug te komen van het tussenvonnis. De rechtbank wijst vordering 1 dan ook toe, met dien verstande dat het in het tussenvonnis over deze vordering gegeven oordeel als volgt wordt aangevuld.
5.2.
De strekking van de gevorderde verklaring voor recht is dat [naam bedrijf] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door de manier waarop [naam bedrijf] het onderzoek heeft verricht en het rapport heeft opgesteld. Omdat letterlijke lezing van de vordering de indruk kan wekken dat het uitvoeren van dit onderzoek en het opstellen van een rapport op zichzelf al onrechtmatig is, wat niet het geval is, zal de rechtbank de verklaring voor recht zo formuleren dat recht wordt gedaan aan de strekking van vordering 1, zonder dat inhoudelijk bezien iets anders wordt toegewezen dan gevraagd.
5.3.
[eiseres] heeft gevorderd dat de rechtbank haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart, ook de gevorderde verklaring voor recht. Een verklaring voor recht wordt in beginsel echter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat zo’n verklaring meestal niet ten uitvoer kan worden gelegd. Er zijn situaties waarin een verklaring voor recht wel uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, maar gesteld noch gebleken is dat een dergelijke situatie hier aan de orde is.
5.4.
De rechtbank wijst vordering 1 toe zoals geformuleerd in de beslissing en verklaart haar vonnis op dit punt niet uitvoerbaar bij voorraad.
Vordering 3
De rechtbank wijst het verzoek om terug te komen van het tussenvonnis af
5.5.
[naam bedrijf] heeft de rechtbank gevraagd vordering 3 alsnog af te wijzen. Zij heeft haar onderzoeksrapport uitsluitend verstrekt aan het ASZ en [eiseres] heeft volgens [naam bedrijf] geen belang meer bij intrekking van het rapport, omdat de ontslagzaak is afgerond en het rapport geen bredere verspreiding heeft gekregen.
[eiseres] meent dat vordering 3 nog steeds moet worden toegewezen. Het onderzoeksrapport is onrechtmatig en intrekking daarvan maakt dit duidelijk aan (in ieder geval) het ASZ.
5.6.
In 4.37 van het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.
“Het onderzoek en het rapport van [naam bedrijf] vertonen verschillende ernstige gebreken. Desondanks heeft het ASZ dit rapport onverkort overgenomen, daarover gecommuniceerd en dit rapport overgelegd in de ontslagprocedure tegen [eiseres] . [eiseres] heeft er recht op en belang bij dat (in ieder geval) aan het ASZ duidelijk wordt gemaakt dat het onderzoek en het rapport van [naam bedrijf] ernstige gebreken vertonen. Het verstrekken van een verklaring aan het ASZ en aan [eiseres] zelf dat [naam bedrijf] dit rapport intrekt, is daarvoor een passend middel.”
5.7.
Dat de ontslagzaak inmiddels is afgerond, maakt het voorgaande niet wezenlijk anders. Bovendien heeft [naam bedrijf] een brief aan het ASZ gestuurd over het tussenvonnis, waarin zij op basis van in het tussenvonnis al beoordeelde en verworpen argumenten het standpunt inneemt dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en haar onderzoeksrapport daarom niet intrekt. Mede gelet op deze brief heeft [eiseres] er nog steeds belang bij dat aan het ASZ duidelijk wordt gemaakt dat de rechtbank hierover anders heeft geoordeeld en nog steeds oordeelt. De rechtbank wijst het verzoek van [naam bedrijf] om op dit punt terug te komen van het tussenvonnis daarom af.
De rechtbank wijst vordering 3 grotendeels toe en stelt het maximaal te verbeuren bedrag aan dwangsommen vast
5.8.
Uit 4.37 en 4.38 van het tussenvonnis en de afwijzing van het verzoek van [naam bedrijf] om daarvan terug te komen volgt dat vordering 3 wordt toegewezen.
5.9.
In 4.38 van het tussenvonnis is overwogen dat [eiseres] belang heeft bij een prikkel tot nakoming van de veroordeling tot intrekking van het rapport van [naam bedrijf] en dat de rechtbank de dwangsom in het eindvonnis zal vaststellen en maximeren. In aanmerking genomen dat [naam bedrijf] de suggestie in het tussenvonnis om het rapport vrijwillig in te trekken niet heeft overgenomen en na het tussenvonnis aan het ASZ heeft geschreven dat zij rechtmatig heeft gehandeld en haar rapport niet zal intrekken, is een serieuze prikkel tot nakoming noodzakelijk. In dit licht bezien acht de rechtbank de door [eiseres] gevorderde dwangsom van € 10.000,00 per dag passend. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de termijn waarbinnen [naam bedrijf] haar rapport moet intrekken en daarvan mededeling moet doen aan [eiseres] te verlengen ten opzichte van de gevorderde termijn. Omdat dwangsommen pas na betekening van een vonnis verbeurd kunnen worden, zal de rechtbank vordering 3 ook in dat opzicht in enigszins gewijzigde vorm toewijzen. Ten slotte zal de rechtbank het te verbeuren bedrag aan dwangsommen maximeren op € 100.000,00.
5.10.
De rechtbank wijst vordering 3 toe zoals vermeld in de beslissing en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, ook nu daartegen geen specifiek verweer is gevoerd.
Vordering 2
De rechtbank acht de eiswijziging van [eiseres] toelaatbaar en beslist daarom op de gewijzigde vordering
5.11.
Zoals hiervoor in 4.3 is overwogen, heeft [eiseres] vordering 2 na het tussenvonnis gewijzigd. [naam bedrijf] heeft desgevraagd verklaard dat zij geen formele bezwaren heeft tegen deze eiswijziging. De rechtbank acht deze wijziging, die in wezen al ligt besloten in de akte uitlaten van [eiseres] na het tussenvonnis, ook ambtshalve niet in strijd met de goede procesorde en beslist daarom op de gewijzigde vordering.
De handelwijze van [naam bedrijf] is niet de hoofdoorzaak van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [eiseres]
5.12.
Een belangrijk geschilpunt is of er een verband is tussen de in het tussenvonnis onrechtmatig geoordeelde handelwijze van [naam bedrijf] en (de beslissing op) het ontbindingsverzoek van het ASZ. [naam bedrijf] meent dat dit niet het geval is en wijst daartoe in het bijzonder op overweging 35 van het arrest van het hof (dat verschillende overwegingen met dit nummer lijkt te bevatten; mogelijk is hier een vergissing gemaakt), waarin het hof onder meer overweegt:
“Naar het oordeel van het hof kunnen de kwesties van (…), evenals de zorgvuldigheid van de klachtafhandeling, in het midden blijven. Wat daar ook van zij, een causaal verband tussen deze kwesties en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ontbreekt. Deze kwesties zijn niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd. Het hof leest in het betoog van [eiseres] ook niet dat dit causaal verband er volgens haar wel is.”
5.13.
De rechtbank stelt voorop dat de beschikkingen in de ontbindingsprocedure tussen [eiseres] en ASZ in de onderhavige zaak geen gezag van gewijsde hebben, omdat de wederpartij van [eiseres] in de ontbindingsprocedure een andere was en het [eiseres] vrij staat om in deze procedure feiten en omstandigheden naar voren te brengen die zij in de ontbindingsprocedure wellicht niet of op een andere manier naar voren heeft gebracht. Dit neemt niet weg dat de rechtbank geen grond ziet om wat betreft de hierboven geciteerde passage uit het arrest anders te oordelen dan het hof heeft gedaan. Het is feitelijk juist dat het ASZ haar ontbindingsverzoek niet mede heeft gegrond op het (pas na het aanhangig maken van dat verzoek uitgebrachte) rapport van [naam bedrijf] . De kantonrechter en het hof hebben hun beoordeling van dat verzoek ook niet mede gebaseerd op de handelwijze of het onderzoeksrapport van [naam bedrijf] . In zoverre betwist [naam bedrijf] terecht dat haar handelwijze de oorzaak is van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en het ASZ.
De handelwijze van [naam bedrijf] heeft [eiseres] wel een kans ontnomen op herstel van de verhoudingen met het ASZ
5.14.
[eiseres] voert aan dat zij haar klachten heeft ingediend in de hoop dat zij in het kader van de behandeling daarvan in gesprek zou kunnen raken met (haar direct leidinggevende en het bestuur van) het ASZ. Zij wijst erop dat herstel van verhoudingen een expliciet doel is van de klachtenregeling van het ASZ.
In 4.15 van het tussenvonnis heeft de rechtbank het volgende overwogen.
“De conclusie is dat [naam bedrijf] geen steekhoudende argumenten heeft aangedragen voor haar keuze om [eiseres] en de andere betrokkenen, in het bijzonder [betrokkenen 1] en [betrokkenen 2 ] , niet in elkaars aanwezigheid te horen. Hiermee heeft [naam bedrijf] artikel 3.9 lid 4 van de klachtenregeling geschonden. [eiseres] betoogt terecht dat dit jegens haar onzorgvuldig en ook onrechtmatig is. Het doel van de klachtenregeling is een bijdrage te leveren aan goede en rechtvaardige verhoudingen in het ASZ. Een gesprek tussen [eiseres] en haar leidinggevende en/of (een lid van) de RvB, ook al is het dan in het kader van een klachtenprocedure, had een bijdrage kunnen leveren aan herstel van verhoudingen. In dit stadium van de procedure hoeft niet beoordeeld te worden hoe reëel deze mogelijkheid was; voldoende is dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat een gesprek had kunnen bijdragen aan herstel of in ieder geval verbetering van de verhoudingen.”
5.15.
In dit eindvonnis zal ter begroting van de schade wel moeten worden beoordeeld hoe groot de kans is dat een zorgvuldig en voldoende voortvarend onderzoek van [naam bedrijf] (in plaats van een onrechtmatig onderzoek) had geleid tot herstel van verhoudingen en het achterwege blijven of afwijzen van het ontbindingsverzoek van het ASZ.
[eiseres] stelt dat deze kans 100% is. Toen zij nog bij het ASZ werkte, heeft zij verschillende keren meegemaakt dat arbeidsverhoudingen ernstig verstoord waren geraakt, maar na het volgen van de klachtenprocedure voldoende waren hersteld om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te voorkomen. Dat is ook het doel van de klachtenregeling, zo benadrukt [eiseres] .
[naam bedrijf] meent dat het niet realistisch is om te veronderstellen dat haar onderzoek had kunnen leiden tot herstel van verhoudingen. De verhoudingen waren al ernstig verstoord voordat zij met haar onderzoek begon. Bij gebrek aan informatie over de feiten in de door [eiseres] bedoelde andere gevallen waarin de klachtenprocedure is doorlopen, betekent het gegeven dat die procedure in andere situaties mogelijk tot herstel van verhoudingen heeft geleid niet dat dit ook in de situatie van [eiseres] een realistisch scenario is.
5.16.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt [naam bedrijf] zich terecht op het standpunt dat de verwijzing naar het positieve resultaat van andere klachtenprocedures geen doel treft. Zonder concrete informatie over de feitelijke situatie in die andere gevallen kan niet worden gezegd dat die situaties voldoende vergelijkbaar zijn om voorspellende waarde toe te kennen aan het verloop van de door [eiseres] bedoelde klachtenprocedures, laat staan dat op grond van de uitkomst van die procedures als zeker moet worden beschouwd dat een rechtmatig onderzoek ook in haar geval tot herstel van verhoudingen had geleid.
5.17.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt [naam bedrijf] zich verder terecht op het standpunt dat de verhoudingen tussen [eiseres] en in ieder geval haar direct leidinggevende binnen het ASZ al ernstig verstoord waren voordat [naam bedrijf] met haar onderzoek begon. Daarbij is onder meer het volgende van belang.
5.17.1.
Op 30 november 2020 heeft [eiseres] tijdens de behandeling van de zaak van haar partner bij de klachtencommissie een verklaring afgelegd waarin zij kritiek heeft geuit op zijn en ook haar eigen leidinggevende (overweging 4.8 van het arrest van het hof). De kantonrechter en het hof hebben geoordeeld dat [eiseres] hiermee haar rollen als personeelsadviseur en partner op een onwenselijke manier met elkaar heeft vermengd.
5.17.2.
In januari 2021 heeft [eiseres] een gesprek gevoerd met haar leidinggevende, dat tot een mailwisseling heeft geleid (overweging 4.10 tot en met 4.12 van het arrest van het hof). Daarin schrijft [eiseres] onder meer dat haar leidinggevende haar een onveilig gevoel geeft en beweringen doet die niet waar zijn.
5.17.3.
In verschillende rapportages uit 2021 spreekt de bedrijfsarts over verstoorde arbeidsverhoudingen of over fors verstoorde arbeidsverhoudingen (overweging 4.13 tot en met 4.15 van het arrest).
5.17.4.
In een brief van 16 november 2021 schrijft de advocaat van [eiseres] dat [eiseres] zich niet veilig voelt bij haar leidinggevende, dat de leidinggevende onnodig melding maakt van de rol van [eiseres] in het conflict van het ASZ met haar partner en dat de leidinggevende persoonlijke frustraties uit die een professionele werkgever niet passen.
5.17.5.
Eind december 2021, begin januari 2022 vindt opnieuw een mailwisseling plaats tussen [eiseres] en haar leidinggevende (overweging 4.18.1 tot en met 4.18.3 van het arrest). [eiseres] schrijft onder meer dat haar leidinggevende haar zwart maakt, de werkelijkheid verdraait, onveiligheid creëert, [eiseres] het zwijgen op wil leggen en zich intimiderend uitlaat. Ook merkt [eiseres] op dat zij regelmatig contact heeft met collega’s, dat het daarbij vaak gaat over veiligheid en integriteit en dat de naam van de leidinggevende daarbij bijna altijd valt.
5.17.6.
In de eerste helft van 2022 is geprobeerd mediation te starten. Dat traject is niet goed van de grond gekomen, naar het oordeel van de kantonrechter en het hof vooral omdat [eiseres] de eis stelde dat haar partner bij die gesprekken aanwezig mocht zijn en het ASZ daar niet mee heeft ingestemd. De kantonrechter en het hof vonden deze weigering van het ASZ begrijpelijk.
5.17.7.
Verderop in het arrest (overweging 26.1 en verder) citeert het hof verschillende verklaringen van voormalige collega’s van [eiseres] , die kort gezegd uitleggen waarom zij er moeite mee zouden hebben als [eiseres] zou terugkeren in het team.
5.18.
Bezien in het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de arbeidsverhoudingen al ernstig verstoord waren toen [naam bedrijf] aan het werk ging. Daar komt nog bij dat in diezelfde periode pogingen werden gedaan om een mediationtraject van de grond te krijgen en dat gedurende het onderzoek van [naam bedrijf] duidelijk werd dat dit niet goed lukte. Ook dat valt [naam bedrijf] niet te verwijten. De kans dat het niet tot een ontbindingsverzoek was gekomen als [naam bedrijf] niet onrechtmatig had gehandeld, moet daarom als klein worden geschat. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank echter te ver om deze kans op nihil te schatten. Daarbij is van belang dat het ASZ haar ontbindingsverzoek pas geruime tijd na het inschakelen van [naam bedrijf] heeft ingediend en ook enige tijd na het mislukken van het mediationtraject. Dit betekent dat een zorgvuldig en met voldoende voortvarendheid uitgevoerd klachtenonderzoek, waarbij partijen in elkaars aanwezigheid waren gehoord door een zorgvuldig handelend onderzoeker, had kunnen plaatsvinden voordat het ontbindingsverzoek werd ingediend. Het is niet onaannemelijk dat het ASZ mede vanwege het onderzoek van [naam bedrijf] nog enige tijd heeft gewacht met het trekken van de conclusie dat een ontbindingsverzoek aangewezen was.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de kans dat een rechtmatig onderzoek van [naam bedrijf] zodanig had bijgedragen aan herstel van verhoudingen dat het niet tot een ontbindingsverzoek was gekomen moet worden geschat op 15%.
De rechtbank begroot de vermogensschade van [eiseres] op € 26.802,09
5.19.
In haar antwoordakte na het tussenvonnis heeft [naam bedrijf] niet specifiek gereageerd op de schadeberekeningen van [eiseres] . Tijdens de mondelinge behandeling op 6 februari 2026 heeft [naam bedrijf] desgevraagd verklaard dat zij geen opmerkingen heeft over deze berekeningen, met dien verstande dat zij betwist schadeplichtig te zijn.
Gelet hierop en gezien de geschatte kans van 15% dat rechtmatig handelen van [naam bedrijf] een ontbindingsverzoek had voorkomen, is de conclusie dat [naam bedrijf] aan [eiseres] een schadevergoeding van (15% gedeeld door 100% maal € 174.680,62 is) € 26.802,09 moet betalen.
In aanmerking genomen dat herstel van verhoudingen binnen het ASZ een hoofddoelstelling is van de klachtenregeling, [naam bedrijf] zich ertoe heeft verbonden de klachten van [eiseres] zoveel mogelijk volgens de klachtenregeling van het ASZ te behandelen, maar dat niet heeft gedaan en [eiseres] daardoor de bedoelde kans van 15% heeft ontnomen, dient het schadebedrag van € 26.802,09 naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid als gevolg van het onrechtmatige handelen van [naam bedrijf] aan haar te worden toegerekend.
5.20.
De rechtbank ziet in wat partijen verder hebben aangevoerd geen grond om [naam bedrijf] te veroordelen tot betaling van een ander bedrag aan vermogensschade. Daarbij is het volgende van belang.
5.20.1.
[naam bedrijf] heeft tijdens de mondelinge behandeling op 6 februari 2026 naar voren gebracht dat, als een ontbindingsverzoek in 2022 achterwege was gebleven, de kans groot was geweest dat dit verzoek niet veel later alsnog was ingediend. Dit argument volgt de rechtbank niet omdat het onvoldoende concreet is onderbouwd. Als het klachtenonderzoek had geleid tot een zodanig herstel van verhoudingen dat een ontbindingsverzoek achterwege was gebleven, is er geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat vrij kort daarna alsnog een ontbindingsverzoek was ingediend.
5.20.2.
De geschatte kans van 15% op het achterwege blijven van een ontbindingsverzoek bij rechtmatig handelen van [naam bedrijf] impliceert een kans van 85% dat dit verzoek bij rechtmatig handelen van [naam bedrijf] wel was gevolgd. In dat (waarschijnlijke) scenario was er naar het oordeel van de rechtbank geen reële kans op afwijzing van het ontbindingsverzoek. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat zij hiervoor in 5.12 heeft overwogen.
5.21.
Het voorgaande impliceert dat er bij rechtmatig handelen van [naam bedrijf] een kans van 85% was dat het ontbindingsverzoek alsnog was ingediend en ook was toegewezen. In dat (waarschijnlijke) scenario was er naar het oordeel van de rechtbank geen reële kans dat aan [eiseres] een billijke vergoeding was toegekend. [naam bedrijf] betogen terecht dat een dergelijke vergoeding niet snel wordt toegekend. [eiseres] heeft hiertegen ingebracht dat het voorstel van het ASZ om de arbeidsovereenkomst van [eiseres] en haar partner met één gezamenlijke regeling te ontbinden (en meer in het algemeen het doen van een ontbindingsvoorstel aan [eiseres] ) een duidelijk voorbeeld is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Als [naam bedrijf] dit onderdeel van de klacht gegrond had verklaard, zoals zij had moeten doen, was [eiseres] mogelijk wel een billijke vergoeding toegekend. Dit betoog volgt de rechtbank niet. Het doen van het betreffende voorstel door het ASZ is in de ontbindingsprocedure door de kantonrechter verwijtbaar maar niet ernstig verwijtbaar geacht en dit oordeel heeft het hof in hoger beroep juist geacht (zie een van de overwegingen 35 uit het arrest). In aanmerking genomen dat hier in essentie sprake is van een juridische beoordeling in de ontbindingsprocedure, ziet de rechtbank geen reden om te veronderstellen dat in die procedure anders was geoordeeld als [naam bedrijf] het betreffende klachtonderdeel gegrond had geacht.
5.22.
Daargelaten dat het meer subsidiair gevorderde bedrag aan vermogensschade niet veel hoger is dan het toe te wijzen bedrag, betwist [naam bedrijf] met recht dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6:104 BW Pro is voldaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat [naam bedrijf] financieel voordeel heeft behaald met de uitvoering van het klachtenonderzoek, maar dat dit voordeel is behaald vanwege de onrechtmatigheid van haar handelen, ziet de rechtbank niet.
De rechtbank begroot de immateriële schade van [eiseres] op € 2.500,00
5.23.
[eiseres] stelt dat zij door het onrechtmatig handelen van [naam bedrijf] in haar eer en goede naam is geschaad en dat zij daardoor ook in haar persoon is aangetast.
[naam bedrijf] benadrukt dat het onderzoeksrapport alleen aan het ASZ is verstrekt en dat niet is vol te houden dat [eiseres] daardoor in haar eer en goede naam is geschaad. [naam bedrijf] vindt dat het ook te ver voert om aan te nemen dat [eiseres] in haar persoon is aangetast.
5.24.
Op grond van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW, voor zover hier van belang, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
5.25.
Tijdens de beide mondelinge behandelingen heeft [eiseres] duidelijk toegelicht wat het onrechtmatige handelen van [naam bedrijf] met haar heeft gedaan. Zij heeft ook stukken overgelegd die betrekking hebben op haar mentale problemen.
De rechtbank acht het aannemelijk dat [eiseres] door de onzorgvuldige handelwijze van [naam bedrijf] is aangetast in haar persoon, met name omdat in het onderzoeksrapport zonder deugdelijke grondslag conclusies zijn getrokken die mede zijn gebaseerd op het beeld dat de onderzoekers van [eiseres] en andere personen hebben gekregen. Zo overwoog de rechtbank in het tussenvonnis:
“4.34. De door [naam bedrijf] gevolgde redeneringen zijn ook op sommige andere punten niet begrijpelijk, zoals [eiseres] terecht aanvoert. Dat verschillende gehoorde personen [betrokkenen 1] een prettig persoon en een goede leidinggevende vinden en dat [eiseres] door sommige oud-collega’s wordt gezien als - vereenvoudigd gezegd - een openhartig iemand die veel heeft meegemaakt en geen doorsnee collega, zegt in wezen niets over de geloofwaardigheid van de elkaar tegensprekende verklaringen van [betrokkenen 1] en [eiseres] . Toch betrekt [naam bedrijf] dergelijke observaties over personen zonder duidelijke onderbouwing bij de beoordeling van (de aannemelijkheid van) de klachten van [eiseres] .
4.35.
In 2015 heeft [eiseres] , kort na een ontmoeting in de lift van het ASZ, volgens enkele oud-collega’s grappend verklaard dat zij bij de betreffende persoon waarschijnlijk wel het een en ander gedaan zou kunnen krijgen, omdat hij op blond valt. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom een dergelijke verklaring de mogelijkheid uitsluit (of minder aannemelijk maakt) dat er in de lift - wel degelijk - iets ernstigs is gebeurd, waar [eiseres] zich op dat moment misschien geen raad mee wist en waarover zij (daarom maar) een grap probeerde te maken. De rechtbank kan en zal niet beoordelen wat er in de lift is gebeurd en misschien zal dat nooit meer worden vastgesteld, maar dat neemt niet weg dat [eiseres] terecht klaagt over de betreffende redenering van [naam bedrijf] in haar rapport.”
5.26.
Onder deze omstandigheden acht de rechtbank toekenning van immateriële schadevergoeding passend. Zoals [eiseres] ook zelf naar voren heeft gebracht, is de hoogte van dergelijke schade lastig te objectiveren. De rechtbank ziet om twee redenen aanleiding om een lager bedrag toe te kennen dan de door [eiseres] gevorderde € 4.000,00.
De eerste reden is dat er veel is gebeurd in de arbeidsrelatie tussen [eiseres] en het ASZ dat impact op [eiseres] zal hebben gehad. De handelwijze van [naam bedrijf] heeft daarbij een rol gespeeld, maar er zijn ook verschillende andere belangrijke factoren in het spel geweest, zoals de manier waarop [eiseres] haar toenmalige leidinggevende heeft ervaren. Het gaat daarom te ver om de door [eiseres] toegelichte immateriële schade alleen of hoofdzakelijk aan het onrechtmatige handelen van [naam bedrijf] toe te rekenen.
De tweede reden is dat [eiseres] aan haar vordering mede ten grondslag heeft gelegd dat [naam bedrijf] het oogmerk had om haar schade toe te brengen (punt 44 van de akte uitlaten na tussenvonnis), waarmee zij verwijst naar de a-grond van artikel 6:106 BW Pro. Hoewel aan [naam bedrijf] gelet op het tussenvonnis ernstige verwijten gemaakt kunnen worden, gaat het te ver om aan te nemen dat zij het oogmerk had om [eiseres] schade te berokkenen. Deze vergaande beschuldiging mist een concrete onderbouwing, zodat de juistheid daarvan niet aannemelijk is gemaakt.
5.27.
Alles afwegend ziet de rechtbank reden om het bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade vast te stellen op € 2.500,00.
[naam bedrijf] moet een schadevergoeding van € 29.302,09 betalen, met rente
5.28.
De rechtbank veroordeelt [naam bedrijf] tot betaling van een schadevergoeding van (€ 26.802.09 plus € 2.500,00 is) € 29.302.09 aan [eiseres] . De rechtbank wijst vordering 2 af voor zover [eiseres] een hoger bedrag heeft gevorderd.
5.29.
[naam bedrijf] heeft geen verweer gevoerd tegen (de ingangsdatum van) de gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding of tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad van deze veroordeling. Deze onderdelen van vordering 2 zijn toewijsbaar.
Vordering 4
[naam bedrijf] wordt veroordeeld in de proceskosten
5.30.
[naam bedrijf] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten. Het bedrag van deze kosten wordt aan de kant van [eiseres] als volgt vastgesteld;
- dagvaarding € 132,42
- griffierecht € 314,00
- salaris advocaat € 2.926,00 (3,5* punten x tarief € 836,00)
- nakosten
€ 189,00(exclusief eventuele verhoging, zie onder 6.4)
TOTAAL € 3.561,42
5.31.
De wettelijke rente kosten wordt toegewezen zoals gevorderd.
* 1 punt voor de dagvaarding, 1 punt voor de mondelinge behandeling op 19 maart 2024, 0,5 punt voor de akte uitlaten na tussenvonnis en 1 punt voor de mondelinge behandeling op 6 februari 2026)
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat [naam bedrijf] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door de manier waarop [naam bedrijf] de klachten van [eiseres] heeft onderzocht en het onderzoeksrapport heeft opgesteld;
6.2.
veroordeelt [naam bedrijf] tot betaling van € 29.302,09 aan schadevergoeding aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2022 tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [naam bedrijf] om haar onderzoeksrapport binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis in te trekken, op straffe van het verbeuren van een aan [eiseres] te betalen dwangsom van € 10.000,00 per dag dat [naam bedrijf] na betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00;
6.4.
veroordeelt [naam bedrijf] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden vastgesteld op € 3.561,42. Als [naam bedrijf] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan de veroordelingen voldoet en dit vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra aan [eiseres] betalen, plus de kosten van betekening van dit vonnis;
6.5.
verklaart 6.2 tot en met 6.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
3914/1918