ECLI:NL:RBROT:2026:354

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AWB -25 _ 4442
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 16 PwArt. 4.8 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiser, een alleenstaande man die sinds 1996 een bijstandsuitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten van bijna €4.800. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat deze kosten als reguliere, voorzienbare vervangingskosten van huisraad worden gezien, die uit het bijstandsinkomen gespaard hadden moeten worden.

Eiser voerde aan dat zijn psychosociale en medische problematiek onvoldoende was meegewogen, dat hij vanwege een rookverslaving niet kon sparen, en dat de verhuurder had toegezegd bij te springen. De rechtbank oordeelde dat een verslaving geen bijzondere omstandigheid vormt en dat eiser onvoldoende medische onderbouwing leverde. Ook was de toezegging van de verhuurder niet bindend voor het college.

De rechtbank stelde vast dat eiser voldoende inkomen en toeslagen ontvangt om te kunnen reserveren, ondanks de kosten van zijn rookgedrag. Het college had zorgvuldig alle feiten en belangen afgewogen en het besluit voldoende gemotiveerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4442

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: H. Erdogan),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. I. Plaisier).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 25 januari 2025 heeft het college aan de gemachtigde van eiser meegedeeld dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten op grond van de Participatiewet (Pw) is afgewezen.
2.2.
Daartegen heeft de gemachtigde van eiser op 12 februari 2025 bezwaar gemaakt.
2.3.
Het college heeft de aanvraag ten onrechte opgevat als een voor de gemachtigde bedoelde aanvraag. Daarom heeft het college op 26 april 2025 een nieuw besluit (het primaire besluit) genomen, gericht aan eiser. Met dat besluit heeft het college eisers aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen.
2.4.
Met het besluit van 13 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser afgewezen.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is een alleenstaande man. Sinds september 1996 ontvangt eiser een bijstandsuitkering. Op 8 november 2024 heeft eiser een aanvraag om bijzondere bijstand gedaan voor inrichtingskosten, ten belope van € 4.796,98. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag afgewezen.
4. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de gevraagde kosten voor vervanging van huisraad incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Slechts wanneer de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, kan dit een aanleiding zijn om bijzondere bijstand te verlenen. Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Hiervan is volgens het college in het geval van eiser geen sprake, omdat de kosten van vervanging van de duurzame gebruiksgoederen voorzienbaar waren, nu deze gebruiksgoederen een beperkte levensduur hebben. Eiser had moeten reserveren voor de kosten. Men wordt geacht om vanuit een uitkering ter hoogte van de bijstandsnorm te kunnen sparen. Het hebben van schulden is geen bijzondere omstandigheid. Er is geen sprake van zeer dringende redenen om de aanvraag toch toe te wijzen, aldus het college.
Het standpunt van eiser
5. Eiser betoogt dat de bijzondere omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. Zo ontvangt eiser al vanaf 1996 een bijstandsuitkering en biedt zijn financiële situatie nauwelijks ruimte voor reserveringen. Ook is sprake van afbetalingen op schulden bij
Werk & Inkomen, waardoor hij niet heeft kunnen reserveren. Volgens eiser is de psychosociale en medische problematiek onvoldoende in overweging genomen. Eiser stelt aan een rookverslaving en een eetstoornis te lijden. Eiser stelt dat de verhuurder zou hebben toegezegd bij te springen in de kosten. Volgens eiser is er onvoldoende onderzoek gedaan naar betalingsmogelijkheden. Eiser betoogt dat de motivering van de afwijzing onjuist is.
De motivering dat eiser had kunnen sparen of lenen is ondeugdelijk. Tot slot betoogt eiser dat het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden.
De wet- en regelgeving en rechtspraak
6. Artikel 35, eerste lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm
7. Artikel 16, eerste lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, het college, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
8. Artikel 4.8 van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2024 (de Beleidsregels) bepaalt in het eerste lid, dat het college bijzondere bijstand kan verlenen voor de kosten van inrichting of stoffering als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.
9. Inrichtingskosten zijn kosten die, als zij noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodieke dan wel incidentele algemene kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend als de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld. [1]
Het oordeel van de rechtbank
10. Niet in geschil is dat de kosten zich in dit geval voordeden en noodzakelijk waren. In geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden en in verband daarmee of de kosten uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
11. Het betoog van eiser dat sprake is van bijzondere omstandigheden slaagt niet. Het gaat hier om een reguliere vervanging van huisraad, na dertig jaar. De vervanging van de huisraad was daarom alleszins voorzienbaar was en er had dus in beginsel gereserveerd kunnen en moeten worden, ook met een uitkering ter hoogte van het sociaal minimum. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering, zorg- en huurtoeslag, vakantiegeld en inkomenstoeslag. Zijn betoog dat hij niet heeft kunnen reserveren en evenmin achteraf gespreid kan betalen omdat hij dagelijks één tot twee pakjes shag rookt en daarmee niet kan stoppen, slaagt niet, aangezien een verslaving en de daarmee gepaard gaande kosten naar vaste rechtspraak geen bijzondere omstandigheid vormen. [2] Het omgekeerde is ook niet goed denkbaar, aangezien allerhande verslavingen (naast roken valt bijvoorbeeld te denken aan alcohol, drugs en gokken) dan effectief voor rekening van de bijstand zouden komen als er door die verslaving geen geld overblijft voor de incidenteel voorkomende algemene kosten van het bestaan. Dat past niet bij het karakter van de bijstand als vangnetvoorziening. De gemachtigde van eiser heeft verklaard dat eiser ongeveer een tot twee pakjes shag per dag gebruikt en, ter zitting, dat een pakje shag ongeveer € 20,- kost. Hieruit volgt dat het gaat om uitgaven aan shag van rond de € 7.300,- tot € 14.600,- op jaarbasis. Dit betekent dat de bijstand en toeslagen, ook na de aflossing bij Werk en Inkomen, op zichzelf – afgezien van het roken van de shag – in dit geval ruimschoots voldoende ruimte laten om te reserveren voor de inrichtingskosten van € 4.796,98.
12. Eiser betoogt dat zijn medische en psychosociale problematiek onvoldoende in overweging zijn genomen. Eiser heeft de gestelde problematiek echter niet onderbouwd met medische stukken. De beroepsgrond kan daarom, nog afgezien van wat al over de verslaving is geoordeeld, niet slagen.
13. Dat de verhuurder eiser zou hebben toegezegd om bij te springen is iets tussen eiser en de verhuurder. Het college is hierin geen partij en is niet gebonden aan een eventuele toezegging door de verhuurder.
14. Het betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar eisers betalingsmogelijkheden, slaagt niet. Degene die een aanvraag om bijzondere bijstand doet, moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Het college neemt vervolgens de bij hem bekende en de door eiser aangeleverde stukken mee in het onderzoek. Uit deze stukken is, zoals overwogen, niet gebleken dat eiser – afgezien dus van het voor zijn rekening komen van het roken van de shag – niet kan sparen of een regeling kan treffen met achterafbetaling.
15. Eiseres betoogt dat het college het motiverings-, evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan niet gebleken. Zij verwijst daartoe wat het motiveringsbeginsel betreft naar het hiervoor inhoudelijk overwogene, waaruit volgt dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd.
Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. De strekking van het evenredigheidsbeginsel is niet het tegengaan van nadelige gevolgen van een besluit, maar het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen. Daarvan is hier geen sprake, gelet op eisers uitgavenpatroon, dat zoals al overwogen voor zijn rekening moet komen. Er is geen aanleiding om te oordelen dat de nadelige gevolgen van het besluit voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Ook van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake, omdat het college het besluit met de vereiste zorgvuldigheid heeft genomen. Het college heeft de door eiser bij zijn aanvraag en in bezwaar aangedragen feiten en omstandigheden in aanmerking genomen en vervolgens de bij het besluit betrokken belangen afgewogen. Daarbij is rekening gehouden met enerzijds de persoonlijke omstandigheden van eiser en anderzijds het algemeen belang dat is gemoeid met uitgaven vanuit de Pw.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 19 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1152.
2.Uitspraken van de Raad van 8 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5881, en 16 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3269.