ECLI:NL:RBROT:2026:356

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
25/1718
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F.P. Heijne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over loongerelateerde WIA-uitkering en motiveringsgebrek in arbeidsdeskundig rapport

Deze tussenuitspraak betreft de toekenning van een loongerelateerde uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser, werkzaam als (senior) functioneel consultant, heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering na zijn ziekmelding op 12 april 2021. Het UWV heeft eiser gedeeltelijk arbeidsgeschikt geacht, maar eiser is van mening dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld en vastgesteld dat het bestreden besluit van het UWV een motiveringsgebrek vertoont. De rechtbank heeft het UWV de gelegenheid gegeven om dit gebrek te herstellen. De rechtbank concludeert dat de rapporten van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid, maar dat de conclusies over beroepsmatig vervoer onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft het UWV opgedragen om binnen twee weken te melden of het gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen, en heeft een termijn van acht weken gesteld voor het herstel.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1718

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Barendrecht, eiser

(gemachtigde: M. Slot),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de toekenning van een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft eiser gedeeltelijk arbeidsgeschikt geacht. Eiser vindt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en heeft beroep ingesteld. Hij voert meerdere beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van het UWV.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot oordeel dat het bestreden besluit een gebrek bevat. Uit oogpunt van finale geschilbeslechting geeft de rechtbank aan het UWV de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 mei 2024 heeft het UWV een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend (WGA).
2.1.
Met het besluit van 9 januari 2025 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser werkt tot zijn ziekmelding op 12 april 2021 als (senior) functioneel consultant bij een ICT-bedrijf voor 32,13 uur per week. Eiser heeft op 19 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.
3.1.
Het UWV heeft de aanvraag beoordeeld met een einde wachttijd beoordeling. Eiser is als onderdeel van de beoordeling van een bekortingsverzoek van een loonsanctie op 14 februari 2024 gezien door een arts onder toezicht van een verzekeringsarts. Aan de hand van het lichamelijk en psychisch onderzoek en de aanwezige medische informatie is op 29 april 2024 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld geldig vanaf 7 april 2024. In de FML zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken sociaal functioneren (beroepsmatig vervoer), fysieke omgevingseisen (dragen van beschermende middelen, trillingsbelasting), dynamische handelingen en statische houdingen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het UWV in het rapport van 2 mei 2024 vastgesteld welk werk eiser kan doen met die beperkingen. Volgens de arbeidsdeskundige is eiser niet geschikt voor zijn eigen werk omdat de belasting in de functie wordt overschreden voor onder andere vervoer in verband met grove schokken, stoten of trillingen op schouder, rug en knieën. In de maatgevende functie is sprake van vervoer bij bezoeken van klanten terwijl eiser volgens de arts hiervoor beperkt belastbaar is. De arbeidsdeskundige heeft wel drie andere functies geselecteerd die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat het loon van de middelste van de eerste drie functies 60,23% lager ligt dan het loon dat eiser verdiende voordat hij zich ziek meldde. Omdat eiser minder dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde, heeft het UWV met het besluit van 15 mei 2024 bepaald dat eiser per 7 april 2024 een loongerelateerde WIA-uitkering (WGA) ontvangt. [1]
3.2.
Eiser maakt bezwaar. In bezwaar doet de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV [2] opnieuw onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht eiser meer beperkt en heeft op 2 januari 2025 een nieuwe FML opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt de eerste arts dat sprake is van benutbare mogelijkheden. [3] Het bezwaar geeft geen aanleiding om een beperking op te nemen in de duurbelastbaarheid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de nieuwe FML tot uitgangspunt genomen in het rapport van 8 januari 2025 . De arbeidskundige gronden leiden niet tot het verwerpen van functies. Ook zijn nog twee functies toegevoegd. Door een aanpassing in de berekening van het maatmaninkomen wordt de mate van arbeidsongeschiktheid bijgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelt vast dat het loon dat eiser nog kan verdienen 62,58% lager ligt dan het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Dat leidt niet tot een andere uitkomst. Daarom heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld.
3.3.
De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiser, ondanks zijn beperkingen, per 7 april 2024 (datum in geding) 37,2% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. De rechtbank toetst aan de hand van de beroepsgronden of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank oordeelt dat het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld. De rechtbank vindt dat het bestreden besluit van het UWV ten aanzien van de geselecteerde functies een gebrek bevat en dat het UWV in de gelegenheid moet worden gesteld dit gebrek te herstellen dan wel tot aanvullende besluitvorming te komen voordat een definitief oordeel kan worden gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Toetsingskader
4. Een verzekerde heeft recht op een WIA-uitkering als hij de wachttijd heeft doorlopen, hij volledig en duurzaam of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. [4] Een verzekerde is volledig en duurzaam ongeschikt als hij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd. [5] Een verzekerde is gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voor hij ziek werd. [6] Indien een verzekerde meer kan verdienen dan 65% van het laatst verdiende loon heeft de verzekerde geen recht op een WIA-uitkering. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. [7]
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft het UWV de beperkingen van eiser correct vastgesteld?
5. Eiser vindt dat zijn medische situatie is onderschat en dat hij lichamelijk meer beperkt is dan het UWV heeft vastgesteld in de FML. Eiser kampt met zware klachten aan het bewegingsapparaat (rugklachten, knieklachten, artrose, diverse hernia’s) en lijdt aan concentratieverlies als gevolg van zijn medicijngebruik. Eiser stelt verder dat de pijn leidt tot energieverlies. Omdat eiser slecht slaapt (vier uur per nacht), is een urenbeperking tot maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week gerechtvaardigd. Eiser stelt dat het UWV ten onrechte vasthoudt aan het uitgangspunt dat de klachten altijd objectief medisch vastgesteld moeten zijn en dat uit rechtspraak juist volgt dat ook het klachtverhaal en andere factoren moeten meespelen.
5.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep houdt in het rapport van 6 maart 2025 als reactie op de beroepsgronden vast aan het bestreden besluit en het gebrek aan objectief medisch bewijs voor zwaardere beperkingen. Het concentratieverlies heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet vastgesteld tijdens zijn onderzoek op 11 december 2024 en dit blijkt ook nergens anders uit. Tot slot komt eiser voor een urenbeperking niet in aanmerking omdat hij niet voldoet aan de criteria zoals opgenomen in de “Standaard Duurbelastbaarheid Arbeid”. Bovendien volgt de duur en frequentie van de recuperatiemomenten niet uit het dagverhaal op datum in geding, waarbij voor de belastbaarheid de beperkingen ten aanzien van energetische belastingmomenten prevaleren boven een urenbeperking.
5.2.
De rechtbank overweegt dat het UWV de besluitvorming heeft gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op die rapporten als die rapporten:
  • op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
  • geen tegenstrijdigheden bevatten; en
  • voldoende begrijpelijk zijn.
Als iemand vindt dat de besluiten van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid niet juist zijn, moet hij aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiser serieuze lichamelijke beperkingen heeft. Die beperkingen zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgenomen in de FML van 2 januari 2025. De rechtbank vindt dat de rapporten van de eerste arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoen aan de onder overweging 5.2 genoemde voorwaarden. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, psychische en lichamelijk onderzoek door de arts, aanvullend medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, de bezwaargronden, de hoorzitting en de medische informatie afkomstig van de behandelend sector. De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Door eiser is ook niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de medische rapporten tegenstrijdigheden bevatten of onbegrijpelijk zijn.
5.4.
De rechtbank begrijpt dat eiser meer beperkingen ervaart, maar uit vaste rechtspraak volgt dat het bij de beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. [8] De stelling van eiser dat uit rechtspraak [9] volgt dat de klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose wel meewegen in de beoordeling van de beperkingen, wordt niet gevolgd. De rechtspraak die eiser aanhaalt, ziet inderdaad op de klachtbeleving van de rechtszoekenden die ernstiger is dan de verzekeringsarts heeft vermeld. Anders dan in het geval van eiser, wordt dat standpunt steeds onderbouwd met onderzoeken van andere verzekeringsartsen of andere deskundigenrapporten. In die rapporten wordt op objectieve wijze (medisch) bewijs aangedragen op grond waarvan twijfel ontstaat over de bevindingen van de verzekeringsgeneeskundige rapporten opgesteld in opdracht van het UWV. Ondanks het uitgebreide medische dossier van eiser, heeft eiser geen vergelijkbaar objectief medisch bewijs van zijn (verdergaande) medische beperkingen ingebracht. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het volledige medisch dossier en de eigen verklaringen van eiser heeft betrokken in zijn rapport van 2 januari 2025 en de beroepsgronden van eiser in zijn rapport van 6 maart 2025 gemotiveerd heeft weerlegd, heeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beoordeling van de bedrijfsarts wordt daarbij niet betrokken omdat de bedrijfsarts zich richt op de re-integratiemogelijkheden in de eigen arbeid en dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. [10] Dat eiser last heeft van energieverlies en slaaptekort, leidt niet zonder meer tot een urenbeperking in het kader van de duurbelastbaarheid. Het dagverhaal van eiser op datum in geding zoals opgenomen in het verzekeringsgeneeskundig rapport van 26 april 2024, vormt geen aanleiding een urenbeperking aan te nemen. Het dagverhaal is objectief gezien behoorlijk gevuld en bevat – zoals het UWV ook aangeeft – beperkt recuperatiemomenten (1 keer per dag minimaal 15 minuten). Ter zitting is weliswaar aangegeven dat de recuperatiemomenten frequenter voorkomen, ook op datum in geding, maar dat is verder niet met stukken onderbouwd. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de het UWV de beperkingen van eiser correct heeft vastgesteld en dat de beperkingen in de FML juist zijn.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiser de geselecteerde functies verrichten?
Beroepsmatig vervoer
6. Eiser vindt dat hij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet kan verrichten. Hij stelt dat zijn belastbaarheid in deze functies wordt overschreden met name voor beroepsmatig vervoer. Eiser stelt dat het UWV ten onrechte aangeeft dat hij in plaats van met de auto ook per fiets en/of openbaar vervoer naar zijn werk kan komen en werkbezoeken kan afleggen. Eiser geeft aan dat hij met de aangenomen beperkingen op beroepsmatig vervoer en de trillingsbelasting ook niet kan reizen per fiets en/of openbaar vervoer. De overschrijding geldt voor drie van de vijf geselecteerde functies.
6.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vindt dat de functies van organisatiedeskundige (SBC-code 713010), arbeidsdeskundige (SBC‑code 721011), Beleidsambtenaar juridische zaken, sociale zaken (SBC‑code 732010) en systeembeheerder, netwerkbeheerder (SBC-code 714040) geschikt zijn voor eiser. Een vijfde functie is in beroep afgevallen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overschrijden de werkzaamheden die horen bij deze functies, de belastbaarheid van eiser in de FML ten aanzien van vervoer niet. In reactie op het beroep geeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 20 oktober 2025 aan dat een rijbewijs geen vereiste is voor de geselecteerde functies. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 16 oktober 2025 desgevraagd heeft verklaard dat eiser niet beperkt is voor reizen per fiets en/of openbaar vervoer, vindt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies geschikt.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de rapporten van de eerste arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten aanzien van de beperking voor beroepsmatig vervoer en de gevolgen daarvan niet voldoen aan de onder overweging 5.2 genoemde voorwaarden. In de FML van 2 januari 2025 is de beperking voor beroepsmatig vervoer overgenomen uit de FML van 29 april 2024. Daarin staat dat eiser beperkt is voor beroepsmatig vervoer met als toelichting: “het besturen van (gemotoriseerde) voertuigen is niet mogelijk”. Verder volgt uit de FML dat eiser beperkt is voor trillingsbelasting met de toelichting: “geen grove schokken, stoten of trillingen op schouders, rug en knieën”. Aan de hand van deze FML vindt de eerste arbeidsdeskundige eiser ongeschikt voor zijn eigen werk in verband met de klantbezoeken. De arbeidsdeskundige wijst in het rapport van 2 mei 2024 op de beperking voor beroepsmatig vervoer in verband met grove schokken, stoten of trillingen op schouders, rug en knieën. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep handhaaft dit standpunt in het rapport van 8 januari 2025. In dat licht kan de rechtbank eiser volgen dat moeilijk valt in te zien waarom eiser dan wel in staat zou zijn de geselecteerde functies met klantbezoeken of ander beroepsmatig vervoer te vervullen. Ter zitting heeft het UWV aangegeven dat woon-werkverkeer ook valt onder beroepsmatig vervoer, zodat voorgaande conclusie ook geldt voor (geselecteerde) functies zonder klantbezoeken maar met werkzaamheden op kantoor. De rechtbank stelt daarbij vast dat bij de beoordeling of eiser geschikt is voor zijn eigen arbeid, de mogelijkheid van alternatieve vervoermiddelen geen rol heeft gespeeld. Dat is ook niet in de toelichting op de beperking opgenomen. Het is ook niet duidelijk gemaakt waarom de trillingsbelasting in het openbaar vervoer of op een fiets wezenlijk anders is dan de trillingsbelasting in een auto. De conclusies die de betrokken arbeidsdeskundigen hebben verbonden aan de beperkingen voor beroepsmatig vervoer en trillingsbelasting in de FML zijn bovendien niet weersproken door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarom kan van die conclusies ook worden uitgegaan bij de beoordeling van de geschiktheid van de geselecteerde functies. De rechtbank oordeelt op basis van voorgaande overwegingen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser ondanks zijn beperkingen op beroepsmatig vervoer en trillingsbelasting, die hem ongeschiktheid maken voor zijn eigen arbeid, wel geschikt is voor de geselecteerde functies. De rechtbank stelt in het verlengde vast dat de arbeidsdeskundige ook niet is ingegaan op de stelling van eiser dat niet alle klanten of locaties bereikbaar zullen zijn met de fiets of het openbaar vervoer. Op deze onderdelen is sprake van een motiveringsgebrek.
Opleidingvereisten geselecteerde functies
6.3.
Voor zover nog relevant overweegt de rechtbank dat de stelling van eiser dat de geduide functies niet geschikt zijn, omdat hij niet voldoet aan de bekwaamheden die nodig zijn voor de geselecteerde functies, niet opgaat. Zoals het UWV terecht heeft opgemerkt, voldoet eiser aan de aanvangsvereisten voor de geselecteerde functie, omdat hij beschikt over een afgeronde hbo-opleiding. Andere bekwaamheden zijn bij de aanvang van de functie niet vereist. Dat voor een geselecteerde functie (bijvoorbeeld voor arbeidsdeskundige) uiteindelijk ook een opleiding gevolgd moet worden, die mogelijk langer duurt dan de voorgeschreven zes maanden, maakt niet dat eiser niet voldoet aan de aanvangsvereisten. Die opleiding wordt – zo heeft het UWV ter zitting bevestigd – tijdens het werk gevolgd en is geen bekwaamheid waarover eiser al moet beschikken.

Conclusie en gevolgen

7. Zoals hiervoor is overwogen onder 6.2 bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank onder 6.2 heeft overwogen. Dat herstellen kan of met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank merkt hierbij op dat het motiveringsgebrek gelet op de gronden primair ziet op de arbeidskundige beoordeling, maar dat mogelijk nader overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aangewezen is. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen, op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
7.1.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7.2.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
7.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet WIA
Artikel 4 Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Artikel 5 Definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 6 Nadere bepalingen definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt
1. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
(…)
3. Onder arbeid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en 5 wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
(…)
Artikel 47 Ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
(…)
Artikel 54 Ontstaan van het recht op een WGA-uitkering
1. Recht op een WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:
a. hij de wachttijd heeft doorlopen;
b. hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; en
c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
(…)
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 9 Vaststelling in aanmerking te nemen arbeid
Bij bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen worden de volgende regels in acht genomen:
a. in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden worden ten minste verstaan mondelinge beheersing van de Nederlandse taal en eenvoudig computergebruik. Deze arbeid wordt nader omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies. Deze functies vertegenwoordigen ieder ten minste drie arbeidsplaatsen. De gegevens met betrekking tot de in aanmerking genomen functies, met alle daaraan verbonden specifieke aspecten inzake belasting, beloning en opleidingseisen mogen op het moment van de datum waarop de ter gelegenheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gegeven beschikking betrekking heeft, niet ouder zijn dan 24 maanden;

Voetnoten

1.Het UWV heeft dit gebaseerd op artikel 5 van de Wet WIA.
2.De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoekt in bezwaar of de eerste verzekeringsarts de beperkingen van iemand juist heeft vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoekt vervolgens of de eerste arbeidsdeskundige juist heeft vastgesteld welk werk iemand kan doen met die beperkingen.
3.De voorwaarden waarop kan worden aangenomen dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden staan in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
4.Dit volgt uit artikel 47 (volledig en duurzaam arbeidsongeschikt) en artikel 54 (gedeeltelijk arbeidsongeschikt) van de Wet WIA.
5.Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA.
6.Dit volgt uit artikel 5 van de Wet WIA.
7.Dit volgt uit artikel 6 van de Wet WIA.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1654), onder 4.4.
9.De uitspraak van de Raad van 28 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2459) en de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (ECLI:RBAMS:2025:3977).
10.Zie ook de uitspraak van de Raad van 27 september 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2949).