ECLI:NL:CRVB:2018:2949
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bij darmklachten
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek wegens buikklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij met haar beperkingen de geselecteerde functies kon uitvoeren en wees de uitkering af wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het frequente toiletbezoek redelijkerwijs van een werkgever kan worden verlangd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar beperkingen, waaronder chronische diarree en trombose, en dat de nabijheid van een toilet niet gegarandeerd kon worden.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de FML van 10 september 2015 voldoende rekening hield met de beperkingen, dat aanvullend medisch bewijs geen andere conclusie rechtvaardigde, en dat de geselecteerde functies passend zijn. Ook het beroep op het Schattingsbesluit werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.