ECLI:NL:RBROT:2026:365

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
10-047150-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling voor mishandeling met gevangenisstraf

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling en mishandeling van de aangeefster, [slachtoffer]. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de poging zware mishandeling, omdat niet bewezen kon worden dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de intentie van de verdachte om zwaar letsel toe te brengen, ondanks de verwondingen die de aangeefster had opgelopen. De rechtbank heeft echter wel geoordeeld dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld, wat bewezen is verklaard. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 106 dagen, met aftrek van voorarrest, en heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van € 1.000,- aan de benadeelde partij, [slachtoffer], als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-047150-22
Datum uitspraak: 12 januari 2026
Datum zitting: 22 december 2025 en 12 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok
Officier van justitie: mr. B.M.M. Zonneveld
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. S. Kara
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken voor een poging zware mishandeling en veroordeeld voor mishandeling. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van vier maanden met aftrek van voorarrest.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – primair geprobeerd heeft om aangeefster [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en subsidiair aangeefster [slachtoffer] heeft mishandeld.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1 primair

hij op of omstreeks 23 februari 2022 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn/haar/hen (onder)rug/lende en/of in de knie(holte), althans het (onder)lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of gekrast en/of die [slachtoffer] achterna is gerend om een tafel en/of (toen daar) een mes in zijn (uitgestrekte) handen heeft gehouden en/of (toen daar) een mes heeft gehouden in de richting van die [slachtoffer] heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1 subsidiair

hij op of omstreeks 23 februari 2022 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in/op/tegen zijn/haar/hun (onder)rug/lende/zij en/of in de knie(holte), althans het (onder)lichaam te steken en/of snijden en/of te krassen en/of te houden.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor een poging zware mishandeling. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor beide feiten, vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Subsidiair heeft de verdediging alleen vrijspraak bepleit voor feit 1 primair. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewijsmotivering
Uit het dossier blijkt dat de verdachte en aangeefster [slachtoffer] op 23 februari 2022 in de woning van de verdachte in Rotterdam op enig moment ruzie hebben gekregen waarna de aangeefster verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank stelt op basis van de aangifte, het aangetroffen mes en de geconstateerde verwondingen vast dat de aangeefster door toedoen van de verdachte verwondingen heeft opgelopen. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar. Zij heeft op 23 februari 2022 direct na aankomst van de politie en ook in haar aangifte verklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn gedetailleerd en komen in grote lijnen overeen met elkaar en met wat de politie in de woning van verdachte heeft aangetroffen, namelijk voor zover het de verdenking betreft een mes op de tafel. Maar ook andere feitelijkheden uit de verklaringen komen overeen, zoals de foto van de strijkplank op het bed waar aangeefster over heeft verklaard en de foto’s van de overhoop gehaalde woning ondersteunen de ruzie in de woning waarbij een gevecht is ontstaan Voor de door de verdediging geschetste alternatieve scenario’s dat de aangeefster zichzelf heeft verwond of zich heeft verwond aan spullen (zoals glasscherven) in de woning, is op basis van het dossier geen begin van aannemelijkheid te vinden. De alternatieve scenario’s worden daarom gepasseerd.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte door zo te handelen opzettelijk heeft geprobeerd de aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Op basis van het dossier kan echter niet worden bewezen dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het dossier bevat onvoldoende informatie over de exacte handelingen van de verdachte met het mes, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De primaire beschuldiging is daarom niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wel bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft mishandeld. De subsidiaire beschuldiging is bewezen.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte aangeefster [slachtoffer] heeft mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring feit 1 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de bovenstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte [2]
V = vraag van de verbalisant
A = antwoord van de verdachte
A: [voornaam slachtoffer] wilde ergens gaan praten. Dus we gingen naar mijn huis toe. Dit was tussen 18:00 uur en 17:00 uur op 22 februari 2022.
V: U bent om 05:15 uur aangehouden. Heeft u al die tijd [voornaam slachtoffer] in huis gehad?
A: We zaten te praten en de tijd ging voorbij.
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer] [3]
Op 23 februari 2022 heeft iemand mij mishandeld en bedreigd met een mes. Hierdoor heb ik meerdere open wonden, waar bloed uit komt, aan mijn lichaam. De persoon die dit heeft gedaan heet [verdachte] en hij woont aan de [adres] te [woonplaats] .
Wij kwamen tussen 17:00 uur en 18:00 uur bij zijn woning aan. We hebben gegeten en gepraat. Vervolgens besprong [verdachte] mij ineens vanuit het niets. Ineens had [verdachte] een mes en knoflook uit de keuken gehaald. In de worsteling die ontstond kwam [verdachte] bovenop mij zitten, ik zag dat het met het mes rare bewegingen maakte. Wij zijn meerdere keren om de salontafel gerend, waarbij [verdachte] nog steeds dat mes en een knoflook in zijn hand vasthad. Door toedoen van [verdachte] heb ik nu diverse verwondingen. Het lukte mij om op te staan en heb geprobeerd te vluchten, maar [verdachte] bleef achter mij aanzitten in de woning. Het lukte mij om naar de voordeur te rennen en naar buiten te gaan. Buiten de woning bleef [verdachte] achter mij aanrennen en hij duwde mij hard omver. Het lukte mij om weer op te staan en weg te vluchten de woning van [verdachte] in.
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer] [4]
Vraag verbalisant: een politiemedewerker die ter plaatse kwam heeft foto’s gemaakt van uw letsel. Op een van de foto’s zag ik een snee waar bloed uit kwam. Hoe was dat veroorzaakt?
Antwoord: deze is veroorzaakt door het mes waarmee [verdachte] mij bedreigde en stekende bewegingen mee maakte. Toen we om de tafel aan het rennen waren maakte [verdachte] diverse stekende bewegingen in mijn richting. Later zag ik dit mes op een tafel liggen in de huiskamer. Ik zag dat het ijzeren gedeelte krom was.
Vraag verbalisant: ik zag ook een verwonding in uw knieholte. Hoe was dat ontstaan?
Antwoord: ik heb met heel mijn lichaam gevochten tegen [verdachte] .
4.
Proces-verbaal van de politie [5]
Op 23 februari 2022 kwam ik ter plaatse op de [adres] te Rotterdam. Toen wij de lift uitstapten zagen wij [verdachte] liggen in de deuropening van pand [huisnummer X] . Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij op huisnummer [huisnummer Y] woonde, waarna ik naar de voordeur van huisnummer [huisnummer Y] liep. Na aanbellen werd de deur geopend door [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] zichtbaar letsel had. Ik zag dat zij bloed aan de onderzijde van haar rug/lende had. Tevens zag ik dat zij ook een verwonding had in haar linker knieholte. [slachtoffer] vertelde dat [verdachte] haar had mishandeld en dat hij met een mes in zijn hand bovenop haar had gezeten.
Terwijl ik met [slachtoffer] in gesprek was, zag ik dat er op de eettafel een steakmes lag, waarvan het lemmet verbogen was.
5.
Deskundigenverslag [6]
Medische informatie betreffende [slachtoffer] .
Informatie ontvangen van huisarts over bezoek aldaar op 26-2-2022.
Objectieve gegevens: in de linker knieholte werd een oppervlakkige wond gezien met roodheid eromheen.
Geschatte genezingsduur: bij ongecompliceerd beloop +/- 2 weken.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1 subsidiair
hij op 23 februari 2022 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een mes op/tegen haar onderrug/lende en in de knieholte te snijden en/of te krassen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
1 subsidiair
mishandeling.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor feit 1 primair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om geen straf op te leggen langer dan de duur van het voorarrest.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft de aangeefster die bij hem op bezoek was mishandeld door meermalen met een mes op en tegen haar onderrug, lende en knieholte te snijden en te krassen. Uit haar slachtofferverklaring blijkt dat dit voor de aangeefster zeer beangstigend is geweest. Daarmee heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Het letsel dat de verdachte heeft veroorzaakt bij de aangeefster is beperkt gebleven, maar dat is niet te danken aan het handelen van de verdachte.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 november 2025 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
Over verdachte is gerapporteerd door de reclassering Nederland op 25 februari 2022 en er heeft een trajectconsult plaats gevonden, door psychiater [naam psychiater 1] op 8 maart 2022. Daarnaast bevindt zich informatie in het dossier dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan psychiatrisch onderzoek door psychiater [naam psychiater 2] van 10 mei 2022. Nu deze informatie inmiddels bijna vier jaar oud is, laat de rechtbank het bij het benoemen van deze informatie, maar heeft zij er bij de motivering van de straf geen acht op geslagen.
4.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 23 februari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna vier jaar verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden en dit heeft gevolgen in strafverminderende zin voor de hoogte van de op te leggen straf.
4.3.4.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin wordt rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn met bijna twee jaar is overschreden, de verdachte sinds juni 2022 in een schorsing loopt en sinds 2022 niet onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 106 dagen opgelegd met aftrek van voorarrest. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

5.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 8 juni 2022 geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg.
De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen indien de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt die langer is dan het voorarrest. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis voort te laten duren, nu zij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt die gelijk is aan het voorarrest. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
Primair is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat de vordering moet worden gematigd tot € 1.000,- indien het primaire feit bewezen wordt verklaard. Indien het subsidiaire feit bewezen wordt verklaard moet de vordering worden gematigd tot € 400,-.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
6.4.2.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 23 februari 2022.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het feit 1 subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 106 (honderdzes) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 subsidiair), te betalen een bedrag van € 1.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 februari 2022 tot de dag van volledige betaling.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 subsidiair
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat
€ 1.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 februari 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
10 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M. Derijks, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.
Mr. R.E. Kroon is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2]
3.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] .
4.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 4] .
5.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 5] .
6.FARR rapport van 21 maart 2022, bijlage bij het zaaksdossier.