ECLI:NL:RBROT:2026:366

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
10-199811-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetaanranding met gevangenisstraf en schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van opzetaanranding. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, omdat de verklaring van de aangeefster als betrouwbaar werd beschouwd en voldoende werd ondersteund door andere bewijsmiddelen. De feiten vonden plaats op 6 april 2025, toen de verdachte de aangeefster in Rotterdam aanrandde door haar borsten aan te raken en haar te zoenen, terwijl hij wist dat zij daar niet mee instemde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de aangeefster heeft vastgepakt en op haar is gaan liggen, wat leidde tot een schending van haar lichamelijke en psychische integriteit. De rechtbank heeft ook de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.159,50, waarbij de vordering voor toekomstige kosten werd afgewezen. De rechtbank heeft de verdachte ook veroordeeld tot het betalen van proceskosten en heeft een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarbij de verdachte in tegenwoordigheid van zijn advocaat en de officier van justitie werd gehoord.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-199811-25
Datum uitspraak: 12 januari 2026
Datum zitting: 22 december 2025 en 12 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. S. Pershad
Officier van justitie: mr. N.A. van Manen
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A]
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor opzetaanranding. De verklaring van de aangeefster is betrouwbaar en wordt voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van vier maanden. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.159,50. Voor het overige deel, waaronder toekomstige kosten, wordt de vordering afgewezen.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij aangeefster [slachtoffer] heeft aangerand.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 6 april 2025 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het aanraken van de billen en/of borsten van die [slachtoffer] en/of
- het zoenen op de lippen en/of wangen, althans het gezicht, van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden, dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of te duwen en/of
- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) op die [slachtoffer] te (gaan) liggen.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte aangeefster [slachtoffer] heeft aangerand. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer] [2]
In de nacht van zaterdag 5 april 2025 op zondag 6 april 2025 was ik stappen met een vriendin en toen ik richting huis ging kwam er een man. De man vertelde dat hij uit Somalië kwam. Hij had een donkere huid, was niet veel langer dan 1,65m, had geen baard, was ongeveer eind twintig tot eind dertig jaar oud en had kort donker haar. Hij had denk ik een groen bomber jack en een grijs/zwart/bruine spijkerbroek. Toen zag ik hem niet. Ineens zag ik de man weer aan komen lopen. Hij kwam naar mij toe en pakte mijn telefoon af. Hij liep weg met alleen mijn telefoon. Ik riep dat hij hem terug moest geven. Ik weet nog dat ik daarna op de grond lag en hij bovenop mij lag. Hij zoende mijn gezicht en ik bewoog mijn hoofd heen en weer. Ik riep heel hard of iemand mij kon helpen. Hij raakte mijn borsten, via bovenaf. Ik droeg een korsettopje dit zorgde ervoor dat hij van boven mijn borsten kon aanraken. Ik zei dat hij moest stoppen.
Hij zoende mij op mijn gezicht, overal. De aanraking van mijn borsten was boven en onder mijn topje. Hij kneep en masseerde mijn borsten. Ik droeg een witte bh.
Ergens aan het einde van de Westersingel waren de eerste aanrakingen. Hierna lig ik op de grond op de Gedempte Zalmhaven of Zalmhaven.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Beslagene: [slachtoffer]
Goednummer: [beslagnummer]
Object: kleding (ondergoed), bh wit.
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
Er werd forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan een witte BH (goednummer [beslagnummer] ). Het betreft een bustier korset met jarretels, kleur: wit. Ik heb de sporen veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN [SIN-nummer 1] (voorzijde/buitenzijde ter hoogte van de borsten) en [SIN-nummer 2] (voorzijde/buitenzijde ter hoogte van de buik), verpakt en verzegeld.
4.
Deskundigenverslag [5]
Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek.
SIN-nummer
DNA kan afkomstig zijn van
Bewijskracht
[SIN-nummer 1] voorzijde / buitenzijde ter hoogte van de borsten
Minimaal drie personen:
- [verdachte]
- minimaal twee onbekende personen waarvan minimaal een man
- meer dan 1 miljard
- niet van toepassing
[SIN-nummer 2] voorzijde/buitenzijde van de body
Minimaal vijf personen:
- [verdachte]
- minimaal vier onbekende personen waarvan minimaal een man
- meer dan 1 miljard
- niet van toepassing
5.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [6]
Getuige [naam getuige 1] werd telefonisch gehoord. [naam getuige 1] bleek één van de personen die op 6 april 2025 112 had gebeld naar aanleiding van de poging verkrachting, die had plaatsgevonden op de Gedempte Zalmhaven te Rotterdam. Hij vertelde:
“Ik hoorde geschreeuw van buiten komen. Ik dacht dat het een stel was wat ruzie had. Ik hoorde namelijk een man en een vrouw. Ik hoorde een vrouw roepen "Blijf van mij af, hou op!". Ik hoorde toen weer die vrouw roepen. Ik hoorde haar om hulp roepen en ik hoorde haar "Stop" roepen. Ik kreeg echt het gevoel dat haar wat werd aangedaan, dat zij verkracht werd ofzo. Ze riep namelijk "help, niet doen".”.
6.
Proces-verbaal van de politie, verklaring getuige [naam getuige 2] [7]
[naam getuige 2] is als getuige gehoord in verband met een melding die hij had gemaakt op zondag 6 april 2025. Hij vertelde: “Ik woonde destijds nog bij de Zalmhaven in Rotterdam. Ik werd die nacht wakker van geschreeuw. Ik ben op het balkon gaan kijken. Ik hoorde een vrouw in het Engels luid en duidelijk dingen zeggen als: "Laat me met rust, laat me gaan, ik wil weg". De vrouw kreeg niet echt letterlijk klappen, maar er stond een man over haar heen die haar vast hield of aan het duwen was.”.
2.3.2.
Bewijsmotivering
Door de verdediging is aangevoerd dat het enkele feit dat er DNA is aangetroffen van de verdachte op het kledingstuk van de aangeefster onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, nu ander bewijs ontbreekt. Het signalement van de aangeefster komt niet overeen met dat van de verdachte.
Anders dan door de verdediging is bepleit, bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijsmiddelen. De aangeefster heeft concreet en consistent verklaard en haar verklaring wordt ondersteund door twee getuigenverklaringen. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat aangeefster op het moment van de aanranding meerdere malen heeft geroepen om hulp en heeft aangegeven dat zij niet wilde dat de man haar aanraakte. Dat de verdachte de man is geweest uit de verklaring van de aangeefster die die handelingen heeft verricht, blijkt uit de resultaten van het DNA-onderzoek. Uit het DNA-onderzoek blijkt namelijk dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op twee plekken van de bh/korsettop van de aangeefster, die zij die nacht aan had. Daarnaast geeft de aangeefster in haar verklaring een duidelijk signalement van de verdachte. De rechtbank ziet geen reden om aan dit signalement te twijfelen. Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die de aangeefster heeft aangerand.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 6 april 2025 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het aanraken van de borsten van die [slachtoffer] en
- het zoenen op het gezicht, van die [slachtoffer] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetaanranding werd vergezeld van dwang
engeweld, door
- die [slachtoffer] vast te pakken en vast te houden en te duwen en
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag op die [slachtoffer] te liggen.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzetaanranding vergezeld van dwang en geweld.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet er een contactverbod worden opgelegd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr. Deze maatregel moet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
4.2.
Oordeel van de rechtbank
4.2.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding op de openbare weg in de nacht van 5 op 6 april 2025. Toen de aangeefster naar huis liep na een avond stappen in Rotterdam heeft de verdachte haar aangerand door haar te betasten bij haar borsten en gezoend op haar gezicht. De verdachte pakte het slachtoffer hierbij vast en ging op haar liggen. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer geschonden. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de impact van zijn handelen op het slachtoffer en heeft zijn eigen behoeftes vooropgesteld. De nadelige gevolgen en de impact van wat er is gebeurd voor het slachtoffer zijn gebleken uit de aangifte en de toelichting op de vordering benadeelde partij. Bovendien draagt een dergelijk zedenmisdrijf bij aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
4.2.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 november 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De verdachte is in 2023, 2024 en 2025 wel veroordeeld voor vermogensdelicten.
Rapport van de reclassering
In het dossier bevindt zich een rapport van Fivoor van 28 maart 2025. Dit rapport is opgesteld ten behoeve van een andere zaak, waarvoor de verdachte op 9 april 2025 onherroepelijk veroordeeld is. Dit rapport houdt het volgende in. De reclassering ziet een patroon op het gebied van het plegen van (vermogens)delicten, al dan niet onder invloed van alcohol. De direct delictgerelateerde factoren zijn middelengebruik en het psychosociaal functioneren. Er is sprake van een licht verstandelijke beperking en er lijkt sprake te zijn van een gebrekkige impulsregulatie. De verdachte werkt wisselend mee aan dagbesteding. De verdachte woont middels een WLZ-indicatie in een beschermde woonvorm van ICZ Cura. Het wonen bij ICZ Cura wordt gezien als een beschermende factor. De reclassering adviseert bij een veroordeling de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, locatieverbod, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole. Uit het strafblad blijkt dat deze bijzondere voorwaarden reeds zijn opgelegd bij vonnis van 9 april 2025 van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.
Overige persoonlijke omstandigheden
Door de verdediging is toegelicht dat de verdachte nog steeds terug kan naar zijn woning bij IZC Cura en dat de situatie sinds het rapport van Fivoor van 28 maart 2025 ongewijzigd is.
4.2.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel of bijzondere voorwaarden omdat de verdachte al in een proeftijd loopt met bijzondere voorwaarden.
Het daarnaast nog opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Sr, acht de rechtbank niet zinvol, omdat de verdachte en het slachtoffer elkaar niet kennen.

5.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 5 januari 2026 opgeheven. Dit bevel is in een afzonderlijk document vastgelegd.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor het feit in totaal € 10.559,50 als vergoeding voor materiële schade (€ 159,50 beschadiging bril en € 10.400,00 toekomstige behandelingen psycholoog) en € 1.200,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering vanwege de bepleitte vrijspraak dan wel vanwege onvoldoende onderbouwing van de zorgkosten in Finland.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor haar bril rechtstreekse materiële schade is als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft dit gedeelte van de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding voor de kosten van de bril komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit gedeelte van de vordering wordt daarom toegewezen.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de toekomstige zorgkosten in Finland, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt naar het oordeel van de rechtbank om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert dan ook een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit betekent dat de verdachte € 159,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
6.4.2.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft voldoende met stukken onderbouwd dat zij psychische schade heeft geleden. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
6.4.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 6 april 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 63 en 241 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.159,50, bestaande uit € 159,50 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 6 april 2025 tot de dag van volledige betaling.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat
€ 1.159,50te betalen, en de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.M. Derijks, voorzitter,
en mrs. B. Vaz en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.
Mr. R.E. Kroon is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer proces-verbaal 1] .
2.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] .
3.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] van het aanvullend dossier ‘Stukken DNA-onderzoek’.
4.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 4] van het aanvullend dossier ‘Stukken DNA-onderzoek’.
5.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut.
6.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 5] van het aanvullend procesdossier.
7.Proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 6] van het aanvullend procesdossier.