In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 8 januari 2026, wordt een uitspraak gedaan over het ouderlijk gezag en de omgangsregeling van twee minderjarigen, geboren in 2016 en 2017. De vrouw, die het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft, verzoekt om gezamenlijk gezag met de man, die in Suriname woont. De rechtbank oordeelt dat het niet in het belang van de minderjarigen is om gezamenlijk gezag te hebben, gezien de gebrekkige communicatie tussen de ouders en de afstand die de man heeft genomen. De rechtbank wijst het verzoek van de man om gezamenlijk gezag af, omdat er geen basis is voor een goede samenwerking tussen de ouders.
Daarnaast wordt er een omgangsregeling vastgesteld. De man verzoekt om fysieke omgang met de kinderen in Suriname, maar de rechtbank wijst dit verzoek af vanwege de hoge kosten van vliegtickets en de huidige situatie waarin de man de kinderen al vier jaar niet heeft gezien. In plaats daarvan wordt een omgangsregeling via videobellen vastgesteld, waarbij de man dagelijks contact heeft met de kinderen, met de beperking dat hij niet na 19:30 uur (Nederlandse tijd) mag bellen. De rechtbank benadrukt het belang van deze regeling voor de minderjarigen en stelt ook een informatieregeling vast, waarbij de vrouw de man op de hoogte houdt van belangrijke zaken omtrent de kinderen.
De rechtbank concludeert dat de huidige omstandigheden geen fysieke omgang mogelijk maken en dat het in het belang van de minderjarigen is om de videobelmomenten voort te zetten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt.