Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3693

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11439627 CV EXPL 24-31187
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 6:96 BWArtikel 6:119 BWArtikel 237 RvArtikel 233 RvRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens ontbreken hoofdverblijf en ontruiming woning

De huurder (gedaagde 1) huurt sinds 2003 een woning van eiseres. Eiseres vordert ontbinding van de huurovereenkomst, betaling van huurachterstand en ontruiming van de woning door beide gedaagden. De rechtbank stelt vast dat de huurachterstand €1.691,26 bedraagt en veroordeelt gedaagde 1 tot betaling hiervan.

De kern van het geschil is dat gedaagde 1 sinds 1 januari 2023 niet meer staat ingeschreven op het adres van de woning en zijn hoofdverblijf deelt met een koopwoning elders. Dit leidt tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens schending van de hoofdverblijfverplichting. Gedaagde 2 woont weliswaar in de woning en betaalt mee, maar is geen contractuele huurder en moet daarom ook vertrekken.

De gevorderde boetes, incassokosten en rente worden afgewezen omdat de algemene voorwaarden van eiseres onredelijke bepalingen bevatten die afwijken van de wettelijke regels. De proceskosten worden toegewezen aan eiseres en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De ontruimingstermijn is veertien dagen na het vonnis.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens ontbreken hoofdverblijf, huurachterstand wordt toegewezen en ontruiming van de woning binnen veertien dagen bevolen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11439627 CV EXPL 24-31187
datum uitspraak: 3 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: Nieuwerkerk aan den IJssel,
eiseres,
gemachtigde: mr. M. Kool,
tegen

1.[gedaagde 1],

woonplaats: Rockanje,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagden,
die zelf procederen.
Partijen worden hierna ‘[eiseres]’, ‘[gedaagde 1]’ en ‘[gedaagde 2]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 2 december 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 5 maart 2025, met bijlagen;
  • het proces-verbaal van de zitting op 6 maart 2025;
  • de akte van [eiseres] van 25 maart 2025, met bijlagen;
  • de akte van [eiseres] van 23 februari 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 5 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [naam] namens [eiseres] met de gemachtigde en [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] huurt sinds 16 november 2003 van [eiseres] de woning aan [adres] (hierna: de woning). [eiseres] stelt dat er sprake is van een huurachterstand, dat [gedaagde 1] zijn hoofdverblijf niet langer in de woning heeft en dat hij de woning zonder haar toestemming aan [gedaagde 2] in gebruik heeft gegeven. Zij vordert daarom onder meer dat de huurovereenkomst wordt beëindigd en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning verlaten en dat [gedaagde 1] de huurachterstand tot en met februari 2026 van € 1.691,26 betaalt, met rente en kosten. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het hier niet mee eens. De vordering wordt voor een deel toegewezen, namelijk in zoverre dat de huurachterstand moet worden betaald en dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Huurachterstand
2.2.
[eiseres] heeft, mede naar aanleiding van uitspraken van de Huurcommissie, een nieuwe specificatie van de huurachterstand tot en met februari 2026 overgelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hierover op de zitting verteld dat zij het voorschot voor de stookkosten niet meer betalen omdat zij het termijnbedrag onredelijk vinden. Het kan zijn dat dat hoog is, maar omdat het hier een voorschot betreft, wordt alles dat teveel is betaald bij de eindafrekening verrekend. Hierbij komt dat voorschotten een integraal onderdeel vormen van de betalingsverplichting van de huurder. Dus als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun verplichting tot betaling van het voorschot hebben willen opschorten, bestond daarvoor geen redelijke grond. Dit betekent dat wordt uitgegaan van de juistheid van de huurachterstand tot en met februari 2026 van € 1.691,26, zoals gespecificeerd. [gedaagde 1] wordt veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] betalen.
Geen hoofdverblijf
2.3.
Hoewel de huurachterstand een tekortkoming oplevert, is deze op zichzelf onvoldoende om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Dit ligt anders bij de kern van het geschil, namelijk de verplichting van de huurder tot het hebben van hoofdverblijf in de woning. Vaststaat dat [gedaagde 1] sinds 1 januari 2023 niet meer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres van de woning. Op de zitting heeft [gedaagde 1] uitgelegd dat hij om en om de ene week in de woning verblijft en de andere week in zijn koopwoning in Rockanje met zijn kinderen, op welk adres hij ook staat ingeschreven. Zonder afbreuk te willen doen aan het belang van zijn kinderen bij deze keuze, moet wel worden vastgesteld dat gelet op die verdeling niet kan worden gezegd dat hij in de woning zijn hoofdverblijf heeft, waarbij de uitschrijving uit de BRP is meegenomen.
Ontbinding en ontruiming
2.4.
[gedaagde 1] is op grond van de huurovereenkomst verplicht de woning te gebruiken als zijn hoofdverblijf. Omdat is geoordeeld dat hij dat niet doet, is hij tekortgeschoten in de nakoming van een van zijn kernverplichtingen. Die tekortkoming is ernstig genoeg om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Dit betekent dat [gedaagde 1] de woning met al zijn spullen moet verlaten. Hetzelfde geldt voor [gedaagde 2]. Dat [gedaagde 2] in de woning woont, op het adres van de woning staat ingeschreven en mede de huur betaalt, maakt hem namelijk nog geen contractuele medehuurder. [gedaagde 2] stelt dat [eiseres] op de hoogte was van zijn verblijf, maar dit wordt door [eiseres] betwist. Het is dan aan [gedaagde 2] om te onderbouwen dat zij hiervan op de hoogte was maar dat is niet gebleken. Omdat er geen rechtsverhouding tussen [eiseres] en [gedaagde 2] bestaat, geldt dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft en deze dus ook moet verlaten. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na de datum van dit vonnis.
Geen verklaring voor recht en schadevergoeding
2.5.
[gedaagde 1] heeft de woning in gebruik gegeven aan [gedaagde 2] maar niet is gebleken dat sprake is van een onderverhuursituatie. Ook is niet gebleken dat [eiseres] naast de huurachterstand nog verdere schade heeft geleden. De verklaring voor recht die [eiseres] op deze punten vordert, wordt dan ook afgewezen.
Ambtshalve toetsing: geen boetes, incassokosten en rente
2.6.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden van [eiseres] oneerlijke bepalingen staan, zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG. Als dat het geval is, mag [eiseres] die bepalingen niet gebruiken en ook geen meer beroep doen op aanvullend recht.
2.7.
De gevorderde boetes, incassokosten en rente worden afgewezen omdat hierover oneerlijke bepalingen staan in de algemene voorwaarden.
2.8.
In de eerste plaats is artikel 20.6 van de algemene voorwaarden van [eiseres] een oneerlijke bepaling. Omdat alleen deze bepaling al oneerlijk is, kan [eiseres] geen aanspraak maken op de boetes en de incassokosten en rente uit de wet. Deze bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat de huurder een boete moet betalen als hij niet voldoet aan de verplichtingen uit de overeenkomst met de bijbehorende algemene voorwaarden. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou de huurder als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [eiseres] wijkt met de boete dus in het nadeel van de huurder af van de wet door daarnaast een boete op te leggen.
2.9.
De artikelen 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten zijn eveneens oneerlijk omdat die in het nadeel van de huurder afwijken van de wettelijke regeling (artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)) of die indruk wekken. Een bepaling die de verhuurder recht geeft op buitengerechtelijke incassokosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de verhuurder geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de verhuurder eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Als er iets staat over het moment waarop de kosten verschuldigd worden, dan moet uit de bepaling dus blijken dat de huurder die vergoeding pas verschuldigd wordt nadat hij nog een kans heeft gekregen om binnen veertien dagen alsnog te betalen. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. De bepaling is daarom oneerlijk zodat [eiseres] ook daardoor geen aanspraak had kunnen maken op incassokosten.
2.10.
Ook artikel 20.2 is oneerlijk omdat [eiseres] op grond van dat artikel recht heeft op rente die hoger is dan de wettelijke handelsrente op het moment van het aangaan van de overeenkomst. De huurovereenkomst wijkt daarmee ten nadele van de huurder af van de wet. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom deze afwijking in dit geval gerechtvaardigd is. Deze bepaling is daarom oneerlijk zodat [eiseres] ook daardoor geen aanspraak had kunnen maken op rente.
2.11.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
Proceskosten
2.12.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [eiseres] moeten betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 542,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.035,72. Hier kan nog
een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] te betalen € 1.691,26;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] en veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.035,72 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
53954