ECLI:NL:RBROT:2026:370

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/10/706495 / JE RK 25-1870
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van jeugdbescherming

Op 14 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010. De zaak betreft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, die verzoekt om een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige. De moeder van de minderjarige, die belast is met het ouderlijk gezag, heeft ingestemd met het verzoek, maar maakt zich zorgen over de hulpverlening die haar dochter ontvangt. De kinderrechter heeft de zitting met gesloten deuren voortgezet, waarbij de moeder en haar advocaat, mr. J. Smits, aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van de GI. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige zich niet aan afspraken houdt en dat eerdere pogingen om haar thuis te laten verblijven zijn mislukt. De kinderrechter heeft besloten de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van drie maanden, tot 15 april 2026, en heeft de GI verzocht om voor de volgende zitting een rapportage te doen over de stand van zaken. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft ook een zitting gepland voor 10 april 2026 om verder op het verzoek te worden gehoord.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team jeugd
Zaaknummer: C/10/706495 / JE RK 25-1870
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Smits, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 15 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 2 december 2025;
  • het proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2026.
1.2.
Op 14 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij een crisisgroep.
2.3.
Bij beschikking van 15 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 november 2026. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 15 januari 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI verzoekt een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Hierop is al beslist. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van een jaar. Over de periode tot 15 januari 2026 is al beslist. Er resteert nog een beslissing over de periode tot 6 november 2026.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Het gaat de laatste tijd weer niet goed met [minderjarige] . Zo hield ze zich niet aan de afspraken in het gezin waar zij verbleef, is ze niet gestart bij het educatief centrum, heeft ze het aanbod van een jongerencoach afgeslagen en was ze afgelopen vrijdag vermist; zij bleek bij een jongen van achttien jaar in Alkmaar te verblijven. Na haar terugkeer naar Rotterdam is [minderjarige] geplaatst op een crisisgroep, waar zij tot nu toe drie van de vier nachten heeft verbleven. De groep hanteert strikte regels. Als [minderjarige] deze blijft overtreden, kan zij daar worden weggestuurd. Maar ook als dit niet gebeurt, kan zij hier maar maximaal vier weken blijven omdat het immers om een crisisplek gaat. Er moet dus snel een vervolgplek worden gevonden en die is er nog niet. Vandaag heeft [minderjarige] samen met de jeugdbeschermer een intake gehad bij een Kamertrainingscentrum (hierna: KTC) van Diversitas, waar zij kan worden aangemeld als de intake positief is verlopen. De GI heeft hiervan nog geen terugkoppeling ontvangen. Voor deze plaatsing geldt echter een wachtlijst.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder stemt in met het verzoek. [minderjarige] is een meisje dat doet wat zij zelf wil en zich niet aan afspraken houdt. De moeder maakt zich grote zorgen, omdat [minderjarige] niet de benodigde hulpverlening krijgt. [minderjarige] heeft in een gesloten setting verbleven, maar zelfs daar kon zij makkelijk weglopen. De moeder heeft [minderjarige] meerdere keren thuis opgevangen, maar dit liep telkens mis. [minderjarige] reist voortdurend zwart met het openbaar vervoer, met als gevolg torenhoge boetes, die gelet op de leeftijd van [minderjarige] allemaal bij de moeder op de deurmat vallen. [minderjarige] zegt wel dat ze naar een KTC wil, maar ook daar gelden duidelijke regels en afspraken. Als [minderjarige] deze nu al niet kan nakomen, is het aannemelijk dat zij zich ook bij een plaatsing daar niet aan de afspraken zal houden. Voorkomen moet worden dat een plaatsing weer misgaat. Als [minderjarige] op deze manier blijft doorgaan, zal misschien toch weer moeten worden gekeken naar een gesloten machtiging. In deze zaak moet een vinger aan de pols gehouden worden. Om die reden wordt verzocht om een kortere verlenging van de machtiging, waarbij het overige verzochte wordt aangehouden.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[minderjarige] heeft in de afgelopen periode op meerdere plekken verbleven, zowel op open als gesloten, groepen, bij de ouders van een vriendin en terug bij haar moeder. Op al deze plekken vertoont [minderjarige] zelfbepalend gedrag en houdt zij zich niet aan de gemaakte afspraken, waardoor de situatie keer op keer onhoudbaar is en [minderjarige] stil blijft staan in haar ontwikkeling. Sinds een paar dagen verblijft [minderjarige] op een crisisgroep, waar zij drie van de vier nachten heeft verbleven. [minderjarige] wordt bijna zestien jaar dus het is van groot belang om vast te stellen waar haar gedrag vandaan komt en welke ondersteuning en behandeling zij nodig heeft om dit gedrag te verbeteren. De moeder is machteloos en wil dat [minderjarige] de juiste hulp krijgt. De komende tijd kan [minderjarige] niet terugkeren naar huis, mede omdat eerdere pogingen telkens misliepen en de moeder nog andere kinderen in huis heeft. Tevens zal worden onderzocht of een plaatsing op een KTC een optie is. De kinderrechter wijst erop dat een KTC alleen een optie is als [minderjarige] zich aan de regels houdt en het gezag van anderen accepteert.
5.3.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van drie maanden en het resterende deel van het verzoek aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum. Deze datum is ter zitting in overleg met partijen bepaald. Er moet worden gemonitord of een passende vervolgplek voor [minderjarige] kan worden gevonden, waar zij hulp en ondersteuning krijgt die ze nodig heeft. De kinderrechter verzoekt de GI om
uiterlijk twee wekenvoor de hierna te noemen zittingsdatum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder en mr. J. Smits) over de dan huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 15 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder en mr. J. Smits op te verschijnen tijdens de zitting van
mr. S. Riege van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 10 april 2026 te 11:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
6.5.
vraagt de griffie [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door
mr. M.C. Woudstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 19 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.