Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3732

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/5999
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen toepassing kostendelersnorm bij AIO-aanvulling en terugvordering

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om vanaf 1 december 2024 de kostendelersnorm toe te passen bij haar AIO-aanvulling en een bedrag van € 385,49 terug te vorderen wegens te veel ontvangen uitkering over december 2024 tot en met februari 2025.

De rechtbank oordeelt dat de SVB terecht de kostendelersnorm hanteert, omdat eiseres sinds 30 juni 2021 haar kleindochter en vanaf 4 november 2024 ook diens partner als medebewoners heeft, die als kostendelers moeten worden aangemerkt. Dit leidt tot een lagere AIO-aanvulling omdat de kosten geacht worden gedeeld te worden, ongeacht feitelijke kostenbijdrage.

Eiseres stelde dat zij al in november 2024 een wijziging had doorgegeven en dat zij te weinig AIO ontving, maar de rechtbank volgt dit niet omdat zij destijds geen bezwaar maakte tegen de toekenning voor een alleenstaande en geen reden gaf voor terugwerkende herberekening.

Het verzoek om een dwangsom wordt in deze procedure niet behandeld, omdat dat onderwerp in een aparte procedure aan de orde is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het griffierecht en proceskostenvergoedingen af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de toepassing van de kostendelersnorm en de terugvordering van te veel betaalde AIO-aanvulling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5999

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. P. Stahl- De Bruin).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de herziening van het recht op een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO- aanvulling) per 1 december 2024 en een terugvordering van € 385,49 vanwege te veel aan eiseres betaalde AIO-aanvulling over de periode december 2024 tot en met februari 2025. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de SVB terecht met ingang van 1 december 2024 de kostendelersnorm hanteert bij het vaststellen van de hoogte van de AIO-aanvulling van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 24 februari 2025 (primair besluit 1) heeft de SVB de aanvraag AIO-aanvulling van eiseres niet in behandeling genomen.
2.1.
Met een besluit van eveneens 24 februari 2025 (primair besluit 2) heeft de SVB met ingang van 1 december 2024 de kostendelersnorm toegepast op de AIO-aanvulling van eiseres en een bedrag van € 385,49 aan te veel betaalde AIO-aanvulling van eiseres teruggevorderd.
2.2.
Met een besluit van 30 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de SVB, onder wijziging van de motivering, het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de SVB deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of de SVB terecht met ingang van
1 december 2024 de kostendelersnorm hanteert bij het vaststellen van de hoogte van de AIO-aanvulling van eiseres.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarnaast ontvangt zij een AIO-aanvulling naar de norm van een alleenstaande. [naam] , kleindochter van eiseres, staat sinds 30 juni 2021 ingeschreven op het woonadres van eiseres. Vanaf 4 november 2024 heeft ook de partner van [naam] , [naam 2] , zijn hoofdverblijf op het adres van eiseres. Omdat eiseres gerekend vanaf 1 december 2024
2 kostendelers heeft in plaats van 1, is de op eiseres van toepassing zijnde kostendelersnorm vanaf 1 december 2024 aangepast en heeft zij te veel AIO-aanvulling ontvangen over de periode december 2024 tot en met februari 2025.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres betoogt tijdens het huisbezoek in november 2024 al te hebben doorgegeven dat haar situatie is veranderd en dat zij vanaf januari 2024 te weinig AIO ontvangt. Eiseres heeft om een herberekening gevraagd. Eiseres stelt daarop geen antwoord te hebben gekregen, maar krijgt wel na 3 maanden bericht dat zij een bedrag moet terugbetalen. Eiseres betoogt geen draagkracht te hebben om terug te betalen. De 2 kostendelers hebben geen inkomen. Bij brief van 2 maart 2025 heeft eiseres de SVB in gebreke gesteld. Eiseres heeft ook nog verzocht om toewijzing van de dwangsom.
Het oordeel van de rechtbank
6. Wat betreft het verzoek van eiseres om een herberekening over 2024 te maken omdat haar woonsituatie als gezamenlijke huishouding had moeten worden aangemerkt in plaats van als alleenstaande, heeft de SVB terecht overwogen dat de AIO-aanvulling destijds voor een alleenstaande is toegekend omdat eiseres haar aanvraag voor een alleenstaande heeft gedaan. Zij heeft tegen die toekenning destijds ook geen bezwaar gemaakt. Als hoofdregel geldt dat er in beginsel geen recht bestaat op toekenning van een hogere uitkering met terugwerkende kracht. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom zij niet eerder heeft gemeld dat van een gezamenlijke huishouding sprake zou zijn, zodat de SVB daar onderzoek naar had kunnen instellen. Daarom bestaat er geen reden om af te wijken van de hoofdregel.
7. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over het feit dat de kleindochter van eiseres, vanaf 20 juni 2021, en later, vanaf 4 november 2024, ook haar partner hun hoofdverblijf hadden op Grotemarkt 10 te Rotterdam en dat eiseres daar ook woonde.
De SVB stelt zich terecht op het standpunt dat daarmee voldaan is aan de criteria uit artikel 19a, eerste lid, van de Participatiewet en dat de twee medebewoners van eiseres als kostendelers moeten worden aangemerkt. Dat betekent dat zij een lagere AIO-aanvulling krijgt, omdat zij geacht wordt haar kosten met haar medebewoners te kunnen delen.
Daarbij is niet van belang of zij de kosten feitelijk delen of daaraan bijdragen. [1] Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16) volgt dat de redenen waarom men de woning deelt niet van belang zijn. Als gevolg van de aanpassing van de AIO heeft eiseres over de periode van december 2024 tot en met februari 2025 te veel AIO ontvangen tot een bedrag van € 385,49. Dit bedrag moet eiseres terugbetalen.
Met haar draagkracht kan op haar verzoek door de SVB rekening worden gehouden bij de invordering. Zij zal dan wel inzicht aan de SVB moeten geven over haar draagkracht.
8. Wat betreft het verzoek om toekenning van een dwangsom geldt het volgende.
De beslissing tot afwijzing van het verzoek tot betaling van een dwangsom van
30 juni 2025 is een primaire beslissing waartegen eiseres bij de SVB bezwaar heeft ingediend. Met een besluit van 5 november 2025 heeft de SVB dat bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Het beroep is bekend onder zaaknummer ROT 25/9694. In die zaak zal dus worden beslist over de vraag of de SVB aan eiseres een dwangsom moet betalen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2512.