ECLI:NL:RBROT:2026:3735
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende nakoming verplichtingen
Verzoekster heeft op 21 januari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 28 januari 2026 is besproken dat het noodzakelijk is dat verzoekster zich onder beschermingsbewind laat stellen voor een goed verloop van de regeling. De rechtbank heeft de uitspraak aangehouden om verzoekster de gelegenheid te geven beschermingsbewind aan te vragen.
Uit de stukken blijkt dat verzoekster tot eind januari 2026 een WW-uitkering ontving en een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Haar schuldenlast bedraagt ruim €74.000. De financiële situatie is instabiel en het minnelijk traject is mislukt door het ontstaan van nieuwe schulden. Verzoekster heeft geen budgetbeheer opgestart en toont geen inzicht in haar financiën.
Schuldhulpverlening heeft aangegeven dat verzoekster contact heeft gezocht met een beschermingsbewindvoerder, maar daarna niet meer bereikbaar was. De rechtbank heeft geen bewijs ontvangen dat beschermingsbewind is uitgesproken. Gezien de passieve houding van verzoekster en het ontbreken van een saneringsgezinde houding, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. Dit betekent niet dat er geen andere gronden voor afwijzing zijn, maar de belangrijkste reden is het gebrek aan vertrouwen in de nakoming van verplichtingen door verzoekster.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat verzoekster haar verplichtingen zal nakomen.