ECLI:NL:RBROT:2026:391
Rechtbank Rotterdam
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet vastgestelde dwangsom in bestuursrechtelijke procedure
In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan op het verzet van [persoon A] tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2025. Het verzet richtte zich tegen het niet vaststellen van de op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschuldigde dwangsom door de Dienst Toeslagen. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling van [persoon A] niet prematuur was, omdat deze op 16 januari 2024 door de Dienst Toeslagen had moeten worden ontvangen. De rechtbank baseerde haar oordeel op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat een ingebrekestelling die per abuis een dag te vroeg is ingediend, door het bestuursorgaan als geldig kan worden beschouwd. De rechtbank concludeerde dat het beroep wegens niet tijdig beslissen terecht was ingesteld en dat de Dienst Toeslagen een bestuurlijke dwangsom van € 1.442 had verbeurd. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en vernietigde de eerdere uitspraak, waarbij de Dienst Toeslagen werd veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en proceskosten aan [persoon A].