Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3940

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/10754
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 4.8 Regeling houders van dierenArt. 3 TransportverordeningArt. 6, derde lid TransportverordeningBijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2 Transportverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: boete voor vervoer varkens met ernstige open wond herroepen

De zaak betreft een boete van €10.500,- opgelegd aan eiseres wegens het vervoeren van varkens met ernstige open wonden, in strijd met de Wet dieren en de Transportverordening. De boete werd opgelegd op basis van een rapport van de NVWA waarin vijf varkens werden geclassificeerd als ongeschikt voor vervoer vanwege open wonden met necrose en ontstekingen.

Eiseres betwistte dat de wonden voorafgaand aan het transport ernstig en open waren, stellende dat de wonden mogelijk genezend en gesloten waren en tijdens het transport open zijn gegaan. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft toegelicht waarom de wonden als ernstig moeten worden gekwalificeerd. Hoewel het bestaan van open wonden is vastgesteld, ontbreekt een duidelijke motivering voor de ernst daarvan.

De rechtbank vernietigt het boetebesluit en herroept het primaire besluit, waardoor de boete vervalt. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht, proceskosten van €2.534,- en een schadevergoeding van €500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak kan worden aangevochten bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitkomst: De boete voor het vervoer van varkens met ernstige open wonden wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri),
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 10.500,- die verweerder met het besluit van 22 maart 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam], bedrijfsdierenarts bij eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam] en [naam], beiden toezichthoudend dierenartsen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op
24 november 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA.
De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.

Datum en tijdstip van de bevinding(en): 13 oktober 2023, omstreeks 12:30 uur.[…]
.
Omstreeks 12:30 uur werden door de chauffeur van [eiseres], varkens gelost van het bedrijf [naam]. Ik las op de aanvoerbon dat er 211 slachtvarkens geladen waren, waarvan 10 met een afwijking (zie afleveringsverklaring). Deze varkens met afwijkingen werden in een apart hok van de stal geplaatst, alwaar ik ze goed kon bekijken.
Ik zag dat er 5 varkens waren met ontstekingen en wonden aan de staart.
Ik beschrijf mijn bevindingen per varken hieronder:
Varken met slachtbliknummer 432355 (foto 1); Een deel van de staart van dit varken was niet meer aanwezig, waaruit mij bleek dat het hier om een ernstige open wonde ging, ik zag een sterk verdikte staartstomp met ontstoken en afstervend weefsel. De staartstomp was niet volledig bedekt met huid; de huid was open en tussen de wondranden was het ontstoken weefsel te zien. De zwarte randen en het zwarte weefsel in deze wond wijzen op necrose (weefselverval). Tevens zag ik ernstige zwelling van de staartstomp. De wondoppervlakte bevatte deels gestold bloed en exsudaatvorming en ook afgestorven, zwart weefsel (necrose). Naast de staartbasis zag ik nog een kleine wond. Uit het ontbreken van een deelvan de staart en de chronische ontsteking en het necrotisch beslag aan de staart concludeerde ik dat de ernstige open wond reeds voor het transport aanwezig moet geweest zijn, omdat een ontsteking met necrotisch beslag minstens 3 tot 5 dagen nodig heeft om te ontstaan.
Op basis van mijn deskundigheid als dierenarts, weet ik dat dergelijke ontstekingen pijnlijk zijn en lijden tot aantasting van de gezondheid en welzijn van het varken. Het ontbreken van een deel van de staart en het weefselverval wijst erop dat dit letsel al minstens 3 tot 5 dagen geleden ontstaan is en zeker voor het transport aanwezig was. Ook naast de staart was er nog een abces zichtbaar (foto 2)
Ik categoriseerde dit varken als een score 4 in de categorie indeling van staartbijten volgens de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van varkens, omdat een gedeelte van de staart niet meer aanwezig was en door de aanwezigheid van necroseweefsel. Varkens met een score 3 tot en met 5 worden in de richtsnoeren beschouwd als ongeschikt voor vervoer.
Varken met slachtbliknummer 432359 (foto 3); ik zag een sterk verdikte staartstomp met ontstoken weefsel. Er was bloed zichtbaar en ik zag dat de huid op staartpunt weg was. De staart was gezwollen en rood, De wondoppervlakte van de staartpunt bevatte deels gestold en deels vers bloed en exsudaat (uitgezweten vocht in een open wonde) Omdat de staartpunt door de wond zeer kwetsbaar is, is de staartstomp tijdens het transport opnieuw beschadigd door aanraking met andere varkens of door de wanden van de vrachtwagen en is daardoor weer gaan bloeden. Ook bij dit varken concludeer ik dat het letsel met roodheid en necrotisch beslag reeds voor het transport aanwezig was vermits een dergelijke wonde pas na 3 tot 5 dagen zichtbaar wordt.
Op basis van de letsels, categoriseerde ik dit varken als een score 4 in de categorie indeling van staartbijten volgens de Europese richtsnoeren voor het bepalen van geschiktheid voor vervoer van varkens, omdat er necroseweefsel aan de staart aanwezig was en de staart gedeeltelijk afwezig was. Varkens met een score 3 tot en met 5 worden beschouwd als ongeschikt voor vervoer.
Varken met slachtbliknummer 432354 (foto 5); ik zag een ernstige ontstoken staartstomp; de staart was volledig weg en er was een open wonde met een laag exsudaat op het uiteinde van de staartstomp met aanwezigheid van granulatieweefsel. Granulatieweefsel is een vorm van wondheling die na ongeveer 3 tot 5 dagen ontstaat. Dit wijst erop dat dit letsel zeker voor transport aanwezig was (foto 6). De huid op de staartpunt was niet gesloten; er was een open wonde ter hoogte van de staart.
Ik categoriseerde dit varken als een score 4 in de categorie indeling van staartbijten volgens de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van varkens, omdat een gedeelte van de staart niet meer aanwezig was en door de aanwezigheid van necroseweefsel. Varkens met een score 3 toten met 5 worden in de Richtsnoeren beschouwd als ongeschikt voor vervoer.
Varken met slachtbliknummer 432358 (foto 7); ik zag een open punt van de staart met zwart gekleurd weefsel. De huid van de staartpunt was bedekt met een necrotisch beslag (afgestorven weefsel) Dit zwarte weefsel wijst op de aanwezigheid van necrose (weefselverval).Ook was er roodheid van de staartpunt te zien, wat erop wijst dat er een ernstige ontsteking was. Ik categoriseerde dit varken als score 4 in de categorie indeling van staartbijten volgens de europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid
voor vervoer van varkens, omdat er een open wonde was met necrosevorming. Varkens met score 3 tot en met 5 wat betreft staartbijten, worden als ongeschikt beschouwd voor vervoer. Uit al deze afwijkingen concludeerde ik dat de ernstig ontstoken, open wonde reeds voor het transport aanwezig moet geweest zijn omdat een ontsteking met necrotisch beslag tenminste 3 tot 5 dagen nodig heeft om zichtbaar te worden. Dit wijst erop dat het letsel zeker voor het transport aanwezig was (foto 8).
Varken met slachtbliknummer 432357 (foto 9); ik zag een verdikte staartstomp met de aanwezigheid van bloedresten (foto 10). De huid is open en de wond ziet er rood en gezwollen uit, dit is een teken van ontsteking. Er zit en krater op de top van de staart, wat erop wijst dat de ontsteking ook binnen in de staart woekert. Uit mijn ervaring als dierenarts weet ik dat degelijke ontsteking meestal doorloopt tot in het ruggemerg. Een ontsteking in het ruggemerg is naar mijn deskundigheid als dierenarts, een zeerpijnlijke ervaring voor het varken. Wegens de ernstige ontsteking met necrotisch beslag weet ik dat deze wonde reeds 3 tot 5 dagen oud was. Dit varken heb ik eveneens als categorie 4 ingedeeld omdat een gedeelte van de staart ontbrak. Varkens met een score 3 tot en met 5 worden volgens de europese richtsnoeren beschouwd als ongeschikt voor transport.
Deze 5 varkens werden samen met andere varkens vervoerd. Tijdens het transport is de kans aanwezig dat er contact met de andere dieren en/of de inrichting van de vrachtwagen ontstaat, wat kan resulteren in extra pijn aan de ernstige open wonden en het ontstoken gebied. Daarnaast is er een kans dat dit contact tijdens het transport kan lijden tot ernstige bloedingen, omdat de korstvorming op de wond kan worden aangetast, waardoor bij het loslaten van de korsten een ernstige bloeding kan ontstaan. De andere varkens van het compartiment op de vrachtwagen gaan dan aan de open wonde bijten, wat weer extralijden toebrengt aan het varken.
Vanuit mijn kennis en ervaring als dierenarts weet ik dat staartbijten een vorm van agressie is tussen de varkens op het veehouderijbedrijf. Meestal wijst dit op een probleem met het dierenwelzijn als gevolg van de mentale of lichamelijke stress. Deze vorm van agressie wordt verergerd als de dieren zich in een nauwe afgesloten ruimte bevinden en het conflict niet kunnen vermijden. Staartbijten kan bloedingen veroorzaken en zelfs abcessen op de punt van de staart. Als het staartbijten niet voorkomen wordt, kan dit leiden tot een gedeeltelijk of geheel verlies van de staart. Tijdens het transport is het varken niet in staatom het staartbijten van hokgenoten te vermijden, hetgeen de ernst van de aandoening en de pijnsensatie mogelijk kan verergeren. Gezien mijn bovenbeschreven bevindingen heeft het transport bij deze varkens extra lijden veroorzaakt.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De vervoerder vervoerde een dier dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het dier een ernstige open wond vertoonde.”
Volgens verweerder heeft eiseres een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, artikel 6, derde lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder b, van de Transportverordening [1] .
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 10.500,-. Dit betreft een verdubbeling van het standaardboetebedrag vanwege het aantal dieren en een verhoging vanwege recidive.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de overtreding heeft vastgesteld. Niet is aangetoond dat de varkens al voorafgaande aan het transport een ernstige open wond hadden. Eiseres verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank [2] waarin de rechtbank overweegt dat staartbijten bij varkens niet altijd leidt tot een ernstige open wond, dat de aangevreten staart ook een korst kan hebben gekregen en dus niet meer open hoeft te zijn en dat de geconstateerde bloedrode wond ook tijdens het transport kan zijn ontstaan. Net als in die uitspraak kan ook bij de onderhavige vijf varkens niet worden vastgesteld dat ze al voorafgaande aan het transport een ernstige en open wond hadden. Er kan sprake zijn geweest van een dichte, genezende wond die tijdens het transport open is gegaan, aldus eiseres.
4.1.
In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [3] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het rapport van bevindingen voldoende duidelijk en concreet beschreven wat de toezichthoudend dierenarts bij de vijf varkens heeft waargenomen. De toezichthouder zag – kort gezegd – bij de varkens op de staartstomp een wond met een ontsteking en de oppervlakte van de wonden bevatten exsudaat (wondvocht) en/of necrose (afstervend weefsel) en/of granulatieweefsel en/of bloed(resten). De rechtbank ziet op zichzelf geen aanleiding om aan de juistheid van die waarnemingen te twijfelen.
4.3.
Voor het kunnen vaststellen van de overtreding moet voldoende vaststaan dat de vijf varkens een ernstige open wond hadden en dat dit al voorafgaand aan het transport het geval was. In de Transportverordening is niet nader geduid wanneer een wond als ernstig en open is aan te merken. Dit dient dan ook nader door de toezichthoudend dierenarts en verweerder te worden toegelicht.
4.3.1.
De rechtbank kan verweerder volgen dat bij de vijf varkens sprake was van een open wond. In het rapport is door de toezichthoudend dierenarts namelijk beschreven dat de wonden niet bedekt waren met huid en necrotisch weefsel dan wel granulatieweefsel bevatten. In het rapport, het bestreden besluit en door de toezichthoudend dierenartsen ter zitting is toegelicht dat de vorming van granulatieweefsel een onderdeel is van het genezingsproces, dat necrose zorgt voor belemmering van de genezing en dat in alle gevallen sprake is van een kwetsbaar weefsel bij de wond die bij aanraking weer kan gaan bloeden, wat bij een aantal varkens ook is gebeurd. Van een genezen en/of dichte wond is dan geen sprake.
4.3.2.
De rechtbank vindt evenwel onvoldoende toegelicht en gemotiveerd dat bij de vijf varkens ook sprake was van een
ernstigeopen wond. In het rapport wordt het uiterlijk van de wonden beschreven en door de toezichthouder geconcludeerd dat sprake was van ernstige open wonden, maar waarom de toezichthouder de wonden als ernstig kwalificeert wordt uit het rapport niet duidelijk. De toezichthoudend dierenarts heeft beschreven dat de wonden necrotische weefsel en/of granulatieweefsel bevatten, zoals ook ter zitting door de toezichthouder dierenartsen is benadrukt. Ter zitting is evenwel met de aanwezige dierenartsen vastgesteld dat zowel necrotisch weefsel als granulatieweefsel (vanwege de afwezigheid van zenuwweefsel) ongevoelig is. Dit maakt dat uit de aanwezigheid van deze weefsels bij een wond de rechtbank niet zonder meer kan concluderen dat het gaat om een
ernstigewond. Verder is in het rapport beschreven dat sprake was van ontstekingen bij de staartstompen, maar daaruit kan de rechtbank (zonder nadere toelichting) evenmin concluderen dat de wonden als ernstig waren te beschouwen. Ter zitting is door een van de toezichthoudend dierenartsen toegelicht dat ontstekingen op de staartstomp ook het ruggenmerg kunnen bereiken, wat een zeer ernstige situatie is aangezien dit in de buurt van het centrale zenuwstelsel is. De rechtbank acht het voorstelbaar dat zo’n ernstige situatie zich bij een ontstoken staartstomp kan gaan voordoen, maar dit gaat voorbij aan de beoordeling die in dit geval moet worden gemaakt, namelijk of ten tijde van het laden van de varkens (zichtbaar) sprake was van een ernstige open wond. Ten slotte is in het rapport nog verwezen naar onderdeel 3 van de Praktische richtsnoeren voor het bepalen van geschiktheid voor het vervoer van varkens, waaruit volgens de toezichthoudend dierenarts ook volgt dat de varkens niet mochten worden vervoerd. Dit onderdeel ziet op een categorie indeling in tekenen van staartbijten in relatie tot geschiktheid voor vervoer. Ter zitting is door de bedrijfsdierenarts van eiseres de indeling die de toezichthouder voor de vijf varkens in het rapport heeft gemaakt betwist, maar wat daar ook van zij, naar het oordeel van de rechtbank biedt een verwijzing naar dit onderdeel van de richtsnoeren in dit geval onvoldoende grond om vast te kunnen vaststellen dat bij deze varkens sprake was van een ernstige open wond.
4.4.
Nu door verweerder onvoldoende is toegelicht en gemotiveerd dat bij de varkens voorafgaand aan het transport sprake was van ernstige open wonden, kan de rechtbank niet vaststellen dat eiseres het beboetbare feit, namelijk dat zij dieren vervoerde die niet geschikt waren voor het transport omdat ze een ernstige open wond vertoonden, heeft gepleegd. Verweerder heeft dus ten onrechte de boete opgelegd. Gelet op deze conclusie behoeven de gronden van eiseres over de hoogte van de boete geen bespreking meer.
Redelijke termijn
5. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM [4] is overschreden.
5.1.
Volgens vaste jurisprudentie [5] geldt bij punitieve sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Voorts geldt dat de boete wordt verminderd met 5 % per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Voor zover een boete reeds is vervallen geschiedt compensatie in de vorm van een schadevergoeding zoals in niet punitieve zaken gebruikelijk is, namelijk € 500,- per half jaar overschrijding [6] .
5.2.
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van het voornemen op 1 maart 2024. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met ruim een maand overschreden. Nu de boete is vervallen, ziet de rechtbank in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding eiseres een schadevergoeding toe te kennen van € 500,-. In dit geval is de overschrijding volledig aan de rechtbank is toe te rekenen. De rechtbank zal dan ook de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen dit bedrag te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte de boete heeft opgelegd. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept het primaire besluit. Dit betekent dat de boete vervalt.
7. Omdat het beroep gegrond is vanwege het vervallen van de boete moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 17 oktober 2024;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten van eiseres;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
de rechter is verhinderd
deze uitspraak te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Transportverordening

Artikel 3, aanhef en onder b
Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent.
Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport;
Artikel 6, derde lid
De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I.
Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1, 2 en 3
Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.
Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:
wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen;
[…]
3. Zieke of gewonde dieren kunnen echter in staat worden geacht te worden vervoerd in de volgende gevallen:
a. wanneer het licht gewonde of zieke dieren betreft waarvoor het vervoer geen extra lijden veroorzaakt; bij twijfel wordt het advies van de dierenarts ingewonnen;
[…]

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling houders van dieren

Artikel 4.8
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…).

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.3, aanhef en onder b
Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.
Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG
2.Uitspraak van 14 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:149.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden