Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:3957

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/10/715700 / JE RK 26-407
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen wegens ernstige zorgen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en een machtiging tot uithuisplaatsing van één van hen. De kinderrechter nam het verzoek in behandeling na een zitting met gesloten deuren waarbij ook de (pleeg)ouders en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren.

Er bestaan ernstige zorgen over de veiligheid van de kinderen in het pleeggezin, mede door uitspraken van een oud-pleegdochter over mogelijk seksueel misbruik door de (pleeg)vader en diens eigen zorgwekkende verklaringen. Er loopt een strafrechtelijk onderzoek en de (pleeg)vader is geschorst uit voorlopige hechtenis. De kinderrechter constateert dat de (pleeg)ouders meewerken met hulpverlening en veiligheidsafspraken naleven, maar acht het noodzakelijk de situatie nauwgezet te blijven volgen.

De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling deels toe tot 8 juli 2026 en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste minderjarige voor dezelfde periode. De zaak wordt voor het overige aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Er wordt benadrukt dat terugplaatsing naar huis het uitgangspunt blijft en dat de belangen van het kind bij eventuele overplaatsing zorgvuldig moeten worden afgewogen.

Uitkomst: Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden deels toegewezen tot 8 juli 2026, met verwijzing van het resterende deel naar de meervoudige kamer.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/715700 / JE RK 26-407
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader],
hierna te noemen de (pleeg)moeder en de (pleeg)vader, hierna tezamen te noemen: de (pleeg)ouders, wonende in [woonplaats],
advocaat mr. D.M.N. Metry uit Barneveld,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 2 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de (pleeg)ouders met hun advocaat
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter en een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld en geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] is niet voor het kindgesprek verschenen.

2.De feiten

2.1.
De (pleeg)ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].
2.2.
Op de geboortedatum van [minderjarige 2], 30 september 2016, is de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige 2] belast. Bij beschikking van 22 mei 2017 is het ouderlijk gezag van de (biologische) moeder van [minderjarige 2] beëindigd en is de GI met de voogdij over [minderjarige 2] belast. Bij beschikking van 2 maart 2021 zijn de (pleeg)ouders met de voogdij over [minderjarige 2] belast.
2.3.
[minderjarige 1] woont bij de (pleeg)ouders. [minderjarige 2] verblijft in een (netwerk)pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij spoedbeschikking van 24 december 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 maart 2026 en een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 januari 2026 de machtiging verlengd om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg tot 24 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad was niet op de hoogte van de schorsing van de (pleeg)vader uit voorlopige hechtenis en is ook niet bekend met de voorwaarden waaronder hij is geschorst. Er zijn grote zorgen over allebei de kinderen. Het is onduidelijk wat er zich de afgelopen tijd in het (pleeg)gezin heeft afgespeeld en daarom is de ondersteuning van de GI als neutrale partij noodzakelijk om de ontwikkelingen van de kinderen en de veiligheidsafspraken te monitoren. Ondertussen zoeken de Raad en de GI naar een nieuw pleeggezin voor [minderjarige 2], bij het pleeggezin waar hij de afgelopen maanden heeft verbleven kan hij helaas niet langer blijven. Een thuisplaatsing voor [minderjarige 2] is niet aan de orde gelet op de zorgen. Daarbij komt dat er op dit moment geen pleegzorgaanbieder is die het gezin wil of kan begeleiden, hetgeen wel nodig is in het geval van [minderjarige 2].

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft zich ter zitting bij het standpunt van de Raad aangesloten. Er zijn veel zorgen over het (pleeg)gezin en die moeten onderzocht worden. De (pleeg)ouders werken goed mee met de hulpverlening en houden zich aan de veiligheidsafspraken. De GI is bezig met de screening voor een vervolgplek voor [minderjarige 2]. Momenteel zijn er twee gezinnen beschikbaar maar de GI is nog in overleg over welke van de twee opties het meest bij [minderjarige 2] past en in zijn belang is. Voornamelijk het verschil in locatie speelt hierbij een rol: het ene gezin is in [plaatsnaam 1] (waar de (pleeg)ouders wonen) terwijl het andere in [plaatsnaam 2] is (het dorp waar [minderjarige 2] de afgelopen maanden verbleven heeft). Het gaat goed met [minderjarige 2] op zijn nieuwe school en hij staat open voor een overplaatsing. [minderjarige 2] mist de (pleeg)ouders, [minderjarige 1] en zijn vrienden, maar heeft ook aangegeven dat hij niets anders kent. Op dit moment is er wekelijks een uur begeleide omgang tussen [minderjarige 2] en de (pleeg)moeder en krijgt hij emotie-regulatie therapie. Ten aanzien van [minderjarige 1] stelt de GI dat het belangrijk is dat hij wordt opgevangen en dat hij de hulp krijgt die hij nodig heeft. Op dit moment wordt er veel door het netwerk opgepakt, maar de GI denkt, net als de Raad, dat het belangrijk is dat zij als neutrale partij hier ook een rol in krijgt om zo beter zicht te krijgen op het gezin. Indien blijkt dat de ondertoezichtstelling niet meer nodig is, dan kan deze altijd eerder worden afgesloten.
4.2.
Door en namens de (pleeg)ouders is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De (pleeg)vader is recent geschorst uit de voorlopige hechtenis. Er is meer duidelijkheid gekomen over wat hij heeft gezegd over zijn gedachtes en in welke context dat begrepen moet worden. Dit was ook een reden voor het hof om de voorlopige hechtenis te schorsen. De (pleeg)vader staat op de wachtlijst voor een onderzoek bij de Waag en de (pleeg)moeder heeft aangegeven dat zij zich hier, indien nodig, ook voor zal inzetten. Het NIFP onderzoek dat in verband met de strafzaak van de (pleeg)vader is aangevraagd zal naar verwachting binnen 5 weken afgerond zijn. De (pleeg)ouders volgen de veiligheidsafspraken goed op en hebben toegezegd dit te blijven doen voor zolang als nodig. Desgevraagd geven de (pleeg)ouders aan dat zij niet eerder hebben overwogen de gedachtes van de (pleeg)vader bespreekbaar te maken, omdat zij deze, in de context en in het licht van de jeugd en het verleden van de (pleeg)vader, niet als een gevaar of zorg hebben beschouwd. De (pleeg)ouders willen benadrukken dat zij inmiddels zien dat er zorgen zijn, maar dat er ten aanzien van die zorgen nog niets vaststaat. Er staat een brede hulpvraag uit en het is nu aan deskundigen om hier duiding aan te geven.
Ten aanzien van [minderjarige 1] willen de (pleeg)ouders benadrukken dat hij momenteel goed in het eigen netwerk wordt ondersteund, bijvoorbeeld door de ouders zelf, zijn oudere broer, opa en oma moederszijde (mz) en mensen in de kerk. [minderjarige 1] weet wat er speelt en kan met hen goed in gesprek. Hij verblijft op dit moment een paar dagen bij opa en oma mz, omdat de (pleeg)vader sinds een paar dagen geschorst is en er veel dingen thuis geregeld moesten worden. Het plan is dat de (pleeg)vader binnenkort weer bij de opa en oma mz gaat verblijven en dat [minderjarige 1] dan weer thuis komt wonen bij de (pleeg)moeder. Dit is afgestemd met de GI. Bovendien is er binnen de voorlopige ondertoezichtstelling voor hem ook geen concrete hulpverlening ingezet, los van de ambulante spoedhulp (ASH) in januari 2026. Mochten er wel zorgsignalen ontstaan dan kan hij ook terecht bij de schoolmaatschappelijk werker. Dat de Raad en de GI de betrouwbaarheid en neutraliteit van de school en het netwerk in twijfel trekken is op niets gebaseerd. De (pleeg)ouders denken daarom dat een ondertoezichtstelling voor hem geen meerwaarde zal hebben en alleen voor extra belasting zal zorgen en voeren verweer tegen dat verzoek. Voor de (pleeg)ouders is het verder van groot belang dat [minderjarige 2] op een goede plek terecht komt. Dat zien zij het liefst bij hen thuis. De afgelopen tijd is ook voor [minderjarige 2] zeer ingrijpend geweest en de (pleeg)moeder merkt dit in het contact dat zij met hem heeft. De (pleeg)ouders willen benadrukken dat de zorgen die er zijn over de (pleeg)vader, zich nooit richting [minderjarige 2] hebben geuit. De (pleeg)ouders betreuren dat [minderjarige 2], als vandaag besloten wordt dat hij niet terug naar huis kan, moet worden overgeplaatst naar een nieuw pleeggezin. Deze wisselingen zijn onomkeerbaar schadelijk voor hem. Mocht het toch tot een overplaatsing komen, dan hopen de (pleeg)ouders dat het gezin uit [plaatsnaam 1] de voorkeur krijgt. Op die manier kan [minderjarige 2] weer naar zijn oude school, is hij weer in zijn oude netwerk en kan er ook gemakkelijker naar een thuisplaatsing gewerkt worden. De (pleeg)moeder geeft aan dat zij bezig is met pleegzorgaanbieder Timon voor mogelijke pleegzorgbegeleiding.

5.De beoordeling

Ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Er bestaan ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezin van (pleeg)ouders. De zorgen zijn gelegen in de recente uitspraken van een oud-pleegdochter over mogelijk seksueel misbruik door de (pleeg)vader en de hierop volgende uitspraken van de (pleeg)vader waarin hij heeft aangegeven dat hij gevoelens heeft voor jonge kinderen. Inmiddels is er een strafrechtelijk onderzoek gestart, heeft de (pleeg)vader een aantal weken in voorlopige hechtenis verbleven en zijn er veiligheidsmaatregelen getroffen.
5.3.
De kinderrechter stelt vast dat de afgelopen periode binnen de voorlopige ondertoezichtstelling is gebleken dat de (pleeg)ouders openstaan voor hulp, goed meewerken met de hulpverlening en de veiligheidsafspraken nakomen. Dit is positief. Tegelijkertijd blijven de verklaringen van de oud-pleegdochter en de uitspraken van de pleegvader erg zorgwekkend. Deze zorgen, in combinatie met andere signalen ten aanzien van de opvoedvaardigheden van de (pleeg)ouders, moeten uiterst serieus genomen worden en hierbij dient de veiligheid van de kinderen ten alle tijde voorop te staan.
5.4.
Tijdens de zitting is gebleken dat er de komende tijd veel staat te gebeuren. De (pleeg)vader zal starten bij de Waag, het NIFP rapport wordt opgesteld en het politieonderzoek zal worden afgerond. Hoewel nog niet kan worden vastgesteld hoe de uitspraken van de oud-pleegdochter en de (pleeg)vader geduid moeten worden, zijn deze op zichzelf al reden genoeg om goed onderzoek te doen en hulpverlening in te zetten. De kinderrechter acht het daarom ook in de komende periode nog van belang dat de gehele gezinsdynamiek zorgvuldig wordt gevolgd en de veiligheidsafspraken worden gemonitord. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de (pleeg)ouders zich hiervoor maximaal blijven inzetten en zich ook de komende tijd aan de afspraken houden zodat de noodzakelijke rust voor [minderjarige 1] (en [minderjarige 2]) blijft behouden.
5.5.
Gelet op het verloop van de afgelopen periode en de onduidelijkheid waar op dit moment nog sprake van is, acht de kinderrechter het van belang om de komende tijd vinger aan de pols te houden. Daarom zal zij het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] deels toewijzen tot 8 juli 2026 en voor het overige aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
Machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2]
5.6.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] onverminderd noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] verblijft sinds eind december 2025 in een (netwerk)pleeggezin in [plaatsnaam 2]. Het is fijn dat het daar, naar omstandigheden, goed met hem lijkt te gaan. Omdat er op dit moment nog altijd geen duidelijkheid is over hetgeen zich heeft afgespeeld in de thuissituatie van [minderjarige 2] bij de (pleeg)ouders, de onderzoeken hiervoor nog moeten worden afgerond, de behandeling van de (pleeg)vader bij de Waag nog moet starten en het openbaar ministerie (nog) geen vervolgingsbeslissing heeft genomen, acht de kinderrechter een thuisplaatsing van [minderjarige 2], mede gelet op zijn jongere leeftijd ten opzichte van [minderjarige 1], op dit moment (nog) niet verantwoord. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verlenen, maar ziet daarbij eveneens aanleiding om deze voor een kortere duur te verlenen dan is verzocht, te weten tot 8 juli 2026 waarbij het overige verzochte zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.7.
De kinderrechter wil hierbij benadrukken dat het uitgangspunt van een machtiging tot uithuisplaatsing terugwerken naar huis is. Daarom dient er de komende periode aandacht te zijn voor de frequentie van het contact tussen [minderjarige 2] en de (pleeg)ouders en moet dit, waar mogelijk, worden uitgebreid. [minderjarige 2] verblijft immers al vanaf zijn geboorte in het gezin van de (pleeg)ouders en is gehecht aan het gezin. Het tempo en belang van [minderjarige 2] is hierin uiteraard leidend. Tevens wil de kinderrechter de Raad en de GI meegeven dat er ten aanzien van de voorgenomen overplaatsing van [minderjarige 2] naar een ander pleeggezin, gelet op de impact die een volgende overplaatsing voor hem zal hebben, er een zeer zorgvuldige belangenafweging moet worden gemaakt. Hierbij dient mede in ogenschouw te worden genomen dat er thans nog geen duidelijkheid bestaat over de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek. Juist in dat licht acht de kinderrechter het van belang dat, wanneer tot plaatsing in een ander pleeggezin wordt overgegaan, mede wordt bezien in hoeverre die plaatsing aansluit bij en de weg openlaat naar een eventuele terugkeer naar zijn oude omgeving, zodat onnodige verdere ontwrichting voor [minderjarige 2] zoveel mogelijk wordt voorkomen.
5.8.
De kinderrechter merkt nog op dat de omstandigheid dat er geen pleegzorgaanbieder zou zijn die nog langer de verantwoordelijkheid voor een plaatsing van [minderjarige 2] wil dragen, niet zonder meer meebrengt dat hij niet thuisgeplaatst zou kunnen worden. [3]
Verwijzing naar de meervoudige kamer
5.9.
Gelet op de aard en complexiteit van de zaak ziet de kinderrechter aanleiding om het resterende deel van het verzoek voor verdere behandeling en beslissing te verwijzen naar de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op de hierna vermelde zittingsdatum.
5.10.
De Raad en de GI wordt verzocht uiterlijk een week voor de hierna vermelde zittingsdatum aan de rechtbank een briefrapportage te overleggen, met afschrift aan de (pleeg)ouders (en hun advocaat), met daarin de actuele stand van zaken in het kader van de maatregelen, waarbij ook inzichtelijk wordt gemaakt wat er de afgelopen periode daadwerkelijk aan hulpverlening is ingezet (in het bijzonder ten aanzien van [minderjarige 1]) en aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 18 maart 2026 tot 8 juli 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 18 maart 2026 tot 8 juli 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek van de Raad voor het overige verzochte aan en verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing naar de meervoudige kamer;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
bepaalt dat het verhoor van de Raad, GI, de (pleeg)ouders en mr. D.M.N. Metry in deze zaak door de meervoudige kamer van de rechtbank zal plaatsvinden
op 24 juni 2026 te 13:30 uur, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam;
6.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. R. van den Wildenberg, mr. G.M. Paling en mr. L.L.H. Roebroek;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de (pleeg)ouders en mr. D.M.N. Metry;
6.7.
gelast de oproeping van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor het kindgesprek;
6.8.
verzoekt
de Raad en de GIuiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum de rechtbank de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift aan de (pleeg)ouders en mr. D.M.N. Metry;
6.9.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
3.Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1948, r.o. 3.10.