Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4035

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/712368 / JE RK 25-2681
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van jonge minderjarige in pleegzorg

De gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een jonge minderjarige die sinds kort in een pleeggezin verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is momenteel niet in staat de dagelijkse verzorging en opvoeding op zich te nemen vanwege haar problematiek en instabiele situatie.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige zich in een essentiële hechtingsfase bevindt en dat het van groot belang is dat hij opgroeit in een stabiele en voorspelbare omgeving. De pleegouders bieden deze stabiliteit en continuïteit, terwijl het contact met de moeder moeizaam verloopt en haar aanwezigheid bij omgangsmomenten afneemt.

Hoewel de moeder veel van haar kind houdt en het beste voor hem wil, is het perspectief op terugplaatsing naar haar niet langer in het belang van de minderjarige. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het contact tussen moeder en kind blijft, voor zover uitvoerbaar en niet strijdig met het belang van het kind, van belang voor zijn identiteitsontwikkeling.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 15 oktober 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712368 / JE RK 25-2681
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. Ch. J. Nicolaï, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam pleegmoeder]en
[naam pleegvader],
hierna te noemen: de pleegmoeder en de pleegvader,
tezamen: de pleegouders, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 23 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
  • de pleegouders;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 15 oktober 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 15 februari 2026.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het gaat erg goed met [minderjarige] bij de pleegouders. Op dit moment zijn bij [minderjarige] nog geen gevolgen zichtbaar van de verslavingsproblematiek van de moeder tijdens de zwangerschap. Het is echter ook mogelijk dat deze gevolgen pas later in zijn ontwikkeling zichtbaar worden. De GI ziet helaas wel dat de moeder steeds minder aanwezig is bij de omgangsmomenten. [minderjarige] bevindt zich momenteel in een essentiële hechtingsfase. De GI zet daarom verschillende middelen in om het contact tussen de moeder en [minderjarige] alsnog te laten plaatsvinden. Binnenkort zal de begeleiding vanuit CoachPoint starten. De moeder zal dan naar de omgangsmomenten kunnen worden gebracht, zodat de reis geen obstakel voor haar vormt en ook [minderjarige] en pleegouders dit goed geregeld is. Het contact tussen de GI en de moeder verloopt moeizaam. Doordat zij verschillende telefoonnummers en verblijfsplekken heeft, is zij lastig bereikbaar. Wanneer de GI haar echter weet te bereiken, verloopt het contact positief. De GI geeft met betrekking tot het perspectief aan dat, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , de aanvaardbare termijn is verstreken. Hoewel natuurlijk contact met de moeder belangrijk blijft, is het niet meer in het belang dat wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. De moeder staat achter dit besluit.

4.De standpunten

4.1.
Door de advocaat van de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het is de advocaat van de moeder al enkele maanden niet gelukt om echt met haar cliënte in contact te komen. Volgens de veldwerkster gaat het momenteel erg slecht met de moeder. Zij zou op dit moment bij een vriendin verblijven maar is zeer slecht bereikbaar. De moeder heeft steeds meer moeite om naar de omgang te komen. Het lijkt erop dat zij erin berust dat [minderjarige] bij de pleegouders zal opgroeien, omdat zij hem kunnen bieden wat hij nodig heeft. Zij gunt [minderjarige] een goed leven en de verzorging die hij verdient maar zij hem helaas niet kan bieden. Het is bijzonder dat de pleegouders [minderjarige] vanaf het eerste moment hebben opgevangen en dat hij ook bij hen kan blijven. Hoewel de moeder zichtbaar heel erg veel van [minderjarige] houdt en de zorg voor hem met alle liefde zelf zou willen dragen, lukt dat haar niet. Het leven is erg zwaar voor haar en de zorg voor [minderjarige] is hiermee erg lastig te combineren. In dit kader is het goed dat er aandacht is voor het perspectief van [minderjarige] .
4.2.
Door de pleegouders is ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] doet het erg goed in het pleeggezin. Ook de andere kinderen in het pleeggezin zijn dol op [minderjarige] . Hij kan zolang bij de pleegouders blijven als nodig is. Hoewel de omgang met de moeder lastig van de grond komt, heeft [minderjarige] hier vanwege zijn jonge leeftijd nu nog weinig last van. Het is wel in zijn belang om als het maar even kan het contact met de moeder te realiseren. De pleegouders hopen dat dat zal lukken. Het belang van [minderjarige] verdient dat.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
Gelet op [minderjarige] ’s zeer jonge leeftijd en de levensfase waarin hij zich bevindt, is het van groot belang dat hij opgroeit in een stabiele en voorspelbare omgeving en dat langdurige onzekerheid over zijn verblijfplaats wordt voorkomen. [minderjarige] bevindt zich immers in een belangrijke hechtingsfase, waarin continuïteit van verzorging en opvoeding essentieel is. Hij is als jonge baby nog volledig afhankelijk van de zorg door volwassenen om hem heen.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat [minderjarige] het goed doet in het pleeggezin. De pleegouders bieden hem stabiliteit, continuïteit en een veilige opvoedomgeving. De moeder is op dit moment helaas niet in staat de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Om [minderjarige] ’s verblijf bij de pleegouders voort te zetten, is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter hecht eraan uitdrukkelijk te vermelden dat het feit dat de moeder [minderjarige] het beste gunt en zij hem vol vertrouwen bij pleegouders laat opgroeien, duidelijk maakt -hoe moeilijk dit ongetwijfeld ook voor moeder zal zijn- dat zij veel van [minderjarige] houdt.
5.3.
Ten aanzien van het perspectief overweegt de kinderrechter als volgt. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder verloopt erg wisselend. Het lukt de moeder vanwege haar problematiek niet om altijd aanwezig te zijn bij de omgangsmomenten en zij is voor de GI en haar advocaat moeilijk bereikbaar. Vanwege [minderjarige] ’s zeer jonge leeftijd heeft hij hier op dit moment gelukkig nog weinig merkbaar last van. De kinderrechter ziet dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en graag zelf voor hem zou willen zorgen. Tegelijkertijd is haar persoonlijke situatie instabiel en is het leven voor haar zwaar. Zij kampt met meerdere problemen en heeft daardoor moeite om structureel invulling te geven aan haar rol als opvoeder. Hoewel de moeder het heel graag anders zou zien, wil zij ook het beste voor [minderjarige] en dat betekent dat hij op dit moment niet bij haar zal opgroeien. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de duur van zijn verblijf in het pleeggezin, de aanvaardbare termijn is verstreken. Dit betekent dat niet langer hoeft te worden toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt bij het pleeggezin, waar hij duidelijkheid, stabiliteit en continuïteit ervaart. Het is in zijn belang dat hier duidelijkheid over bestaat en dat hij daar ongestoord kan opgroeien. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder zich hierin heeft berust.
5.4.
Tot slot overweegt de kinderrechter dat, hoewel het opvoedperspectief niet langer bij de moeder ligt, het voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] natuurlijk van belang blijft dat het contact met de moeder, voor zover uitvoerbaar en niet strijdig met zijn belang, wordt behouden. De kinderrechter complimenteert zowel de betrokken medewerker van de GI als de advocaat voor het feit dat ook zij zich maximaal inspannen om dit contact te laten plaatsvinden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 6 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.