Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4049

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/714422 / JE RK 26-226
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2011, vanwege spanningen tussen de ouders die leiden tot een bedreiging van de ontwikkeling van het kind. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar slagen er onvoldoende in om samen een stabiele opvoedsituatie te creëren. De minderjarige vertoont grensoverschrijdend gedrag, verzuimt op school en ervaart emotionele problemen zoals somberheid en depressieve klachten.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland Zuid aanwezig. De minderjarige werd gehoord en gaf aan zich emotioneel vlak te voelen. De gecertificeerde instelling onderschreef de zorgen en benadrukte de noodzaak van hulpverlening voor zowel het kind als de ouders, met aandacht voor de complexe dynamiek tussen de ouders.

De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan en dat deze noodzakelijk is om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen. De ondertoezichtstelling wordt toegewezen voor een periode van drie maanden, met de opdracht aan de gecertificeerde instelling om een concreet plan van aanpak op te stellen en de voortgang te rapporteren. De beslissing is direct uitvoerbaar bij voorraad en de zaak wordt aangehouden voor een pro forma zitting op 1 april 2026 om de situatie opnieuw te beoordelen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht voor drie maanden met professionele hulpverlening en houdt de zaak aan voor verdere beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714422 / JE RK 26-226
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2].
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland Zuid,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf van de kinderrechter gehoord.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft wisselend bij de vader en de moeder.

3.Het verzoek van de Raad

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] bevindt zich tussen de leefwerelden van de vader en de moeder, terwijl zij onvoldoende in staat zijn tot onderlinge afstemming. Hierdoor komt hij klem te zitten. Hoewel de ouders het beste voor [minderjarige] wensen, slagen zij er niet in dit gezamenlijk te realiseren. Er is hulpverlening nodig, zowel voor de ouders als voor [minderjarige], om zijn ontwikkeling te waarborgen. De komende tijd zal een duidelijk plan moeten worden opgesteld voor de hulpverlening.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De jeugdbeschermer is reeds sinds januari betrokken bij het gezin in het kader van de jeugdreclassering. [minderjarige] is een intelligente en leuke jongen met veel capaciteiten, die onder de juiste begeleiding tot hun recht kunnen komen. De jeugdbeschermer onderschrijft de zorgen van de Raad over [minderjarige] en benoemt de complexe dynamiek tussen de ouders. De ouders hebben een MST-traject afgerond en werken mee aan de hulpverlening. De moeder volgt daarnaast individuele therapie. Er zal moeten worden beoordeeld in hoeverre van de ouders, mede gelet op hun voorgeschiedenis, kan worden verwacht dat zij tot onderlinge samenwerking komen zonder dat dit tot overvraging leidt. Tegen deze achtergrond heeft de GI de kinderrechter in overweging gegeven of een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden passend is, dan wel of een kortere duur met tussentijdse toetsing aangewezen is.
4.2.
De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij wil dat het goed gaat met [minderjarige] en dat zij zich zorgen om hem maakt. De moeder werkt mee aan de hulpverlening en is bereid zich daarvoor in te zetten. Zo volgt zij individuele therapie en werkt zij aan haar emotieregulatie. De moeder plaatst echter de kanttekening dat zij het moeilijk vindt om met de vader samen te werken vanwege hun voorgeschiedenis.
4.3.
De vader heeft ter zitting verklaard dat hij het betreurt dat de situatie is ontstaan zoals deze nu is. Hij heeft aangegeven dat hij wil dat het goed gaat met [minderjarige] en dat hij het maximale uit zijn mogelijkheden haalt. Ook vanuit de school wordt aangegeven dat [minderjarige] meer aan kan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat [minderjarige] klem zit tussen zijn ouders, terwijl zij helaas onvoldoende in staat zijn tot onderlinge afstemming. Daarnaast hebben [minderjarige] en zijn ouders in de afgelopen jaren veel meegemaakt, waarvan de impact nog steeds merkbaar is in [minderjarige]’s functioneren. Deze situatie leidt tot spanningen en heeft negatieve gevolgen voor zijn ontwikkeling. [minderjarige] laat grensoverschrijdend, zelfbepalend gedrag zien en verzuimt op school. Bovendien geeft [minderjarige] aan zich emotioneel vlak te voelen. Er zijn signalen van sombere gevoelens, depressieve klachten en een (zelf)destructief patroon. De kinderrechter ziet dat [minderjarige] weinig plezier ervaart in zijn dagelijks leven en maakt zich zorgen over zijn mentale welzijn en verdere ontwikkeling. [minderjarige] verdient het dat hij een meer onbezorgde jeugd kan doormaken, waarin hij zich fijn kan ontwikkelen.
5.3.
Gelet op de hiervoor omschreven zorgen is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hoewel de ouders ieder individueel het beste willen voor [minderjarige] en hebben verklaard mee te werken aan hulpverlening, slagen zij er onvoldoende in gezamenlijk invulling te geven aan een stabiele opvoedsituatie. Een ondertoezichtstelling richt zich niet alleen op [minderjarige], maar nadrukkelijk ook op de ouders. Om deze reden is het van belang dat hulpverlening wordt betrokken, niet alleen voor [minderjarige] maar ook voor de ouders. Het doel van de hulpverlening is om de onderlinge communicatie tussen de ouders te verbeteren en in het belang van [minderjarige] meer eenheid te creëren in de opvoedsituatie. Daarbij dient te worden gewaakt voor overvraging van de ouders, maar is professionele regie noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en te zorgen voor duidelijkheid over het plan en de doelen waaraan wordt gewerkt.
5.4.
De kinderrechter acht een ondertoezichtstelling voor dit moment wel zinvol en noodzakelijk maar zal deze vooralsnog toewijzen voor de duur van drie maanden. Daarmee wordt ruimte geboden om onder regie van de GI een concreet en helder plan van aanpak op te stellen en uitvoering te geven aan de noodzakelijke hulpverlening voor zowel [minderjarige] als de ouders. Binnen deze -beperkte- periode dient duidelijk te worden aan welke doelen wordt gewerkt en welke stappen van de ouders worden verwacht. De kinderrechter zal het verzoek voor het overige aanhouden en de situatie na afloop van deze termijn opnieuw beoordelen, om te bezien of een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling op dat moment nodig is. Hiermee beoogt de kinderrechter enerzijds de noodzakelijke professionele regie te borgen en anderzijds te voorkomen dat de ouders en [minderjarige] voor een langere periode worden belast dan noodzakelijk.
5.5.
De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een (korte) briefrapportage (met afschrift aan de Raad en de belanghebbenden) te overleggen over de dan huidige stand van zaken.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland Zuid met ingang van 24 februari 2026 tot 24 mei 2026;
6.2.
verklaart de beslissing onder 7.1. uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 april 2026 pro forma;
6.4.
bepaalt dat de belanghebbenden en de GI op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.5.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de Raad en de belanghebbenden) de sub 5.5. verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 27 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.