Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4092

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/10/712990 / JE RK 26-35
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWWet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige jongens

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige jongens, geboren in 2012 en 2015. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de jongens verblijven op geheime locaties, respectievelijk op een gesloten en een open groep.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de jongens ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de hulpverlening noodzakelijk is. De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt moeizaam, waardoor belangrijke toestemmingen voor zorg en verblijf uitblijven. De moeder heeft geen eigen woning, en er is al langere tijd geen fysiek contact tussen haar en de kinderen.

De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. Voor de oudste minderjarige wordt een gesloten machtiging slechts tijdelijk verleend, met het oog op een spoedige overplaatsing naar een meer passende open groep. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor een jaar en verleent een beperkte machtiging voor gesloten plaatsing van de oudste.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712990 / JE RK 26-35
Datum uitspraak: 26 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 8 januari 2026;
- het proces-verbaal van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Spaans, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van K.S. van Wezel, tolk in de taal Spaans. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uitgenodigd voor een kindgesprek. [voornaam minderjarige 1] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en een gesprek gevoerd met de kinderrechter in het bijzijn van zijn advocaat. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [voornaam minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] verblijft op een gesloten groep op een geheime locatie.
2.3.
[voornaam minderjarige 2] verblijft op een open groep op een geheime locatie.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 8 maart 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 juli 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 8 maart 2026.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 januari 2026 een machtiging verleend om [voornaam minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 8 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het nader toe. [voornaam minderjarige 2] is doorgestroomd naar een groep waar hij langer kan blijven en waar het goed met hem gaat. Sinds de uithuisplaatsing is [voornaam minderjarige 2] veel vooruitgegaan. Hij kan zijn energie op de juiste manier kwijt en is goed gewend op de locatie waar hij verblijft. Vanuit deze basis wordt de komende periode verder gewerkt aan de benodigde hulpverlening, zoals de plas- & poeppoli. De GI probeert al enige periode contact te realiseren tussen de moeder en de kinderen. Tot op heden is er één videobelmoment tot stand gekomen. Dit moment verliep niet zoals gewenst en de kinderen hebben hier last van gehad. De moeder heeft de kinderen belast met pijnlijke uitspraken. De GI heeft de moeder een document gestuurd met het verzoek om in gesprek te gaan en af te spreken wat er nodig is om fysiek contact met de kinderen te realiseren. De moeder geeft aan dat zij dit document niet heeft ontvangen en is boos. Ook is de moeder slecht bereikbaar voor de GI en is het hierdoor moeilijk om tot een samenwerking te komen. Hierdoor heeft de GI nog geen toestemming van de moeder gekregen voor zaken die belangrijk zijn voor de kinderen, zoals de tandarts, zwemles, inschrijving op hun verblijfsplek en behandeling bij de plas- & poeppoli. Daarnaast is het van belang dat de moeder de kinderen emotionele toestemming geeft voor het verblijf op de plekken waar zij zitten.
4.2.
De moeder maakt ter zitting kenbaar dat zij graag ziet dat er andere jeugdbeschermers betrokken raken. De moeder kan het niet goed vinden met de huidige jeugdbeschermers en voelt zich niet gerespecteerd. Ook heeft de moeder het gevoel dat de huidige jeugdbeschermers haar niet alles vertellen over de kinderen. De moeder krijgt sociale bijstand en wordt geholpen bij het zoeken naar een woning. Zij hoopt snel weer een eigen woning te hebben, zodat de kinderen weer bij haar kunnen wonen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn kwetsbare jongens die op jonge leeftijd al meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen hebben meegemaakt. Daarnaast kampen beide jongens met persoonlijke problematiek. In juli 2025 zijn zij uit huis geplaatst wegens aanhoudende zorgen over de thuissituatie bij de moeder. De afgelopen periode is getracht om de benodigde hulpverlening in te zetten voor zowel de jongens als voor de moeder. Dit is slechts gedeeltelijk van de grond gekomen doordat de samenwerking tussen de moeder en de GI moeizaam verloopt. De moeder is niet altijd bereikbaar voor de GI en haar handtekening om belangrijke zaken voor de jongens te regelen blijft met regelmaat uit. Daarnaast is er al langere tijd geen fysieke omgang geweest tussen de moeder en de jongens. De kinderrechter heeft ter zitting benoemd en besproken dat het van belang is voor de ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] dat zij de hulpverlening krijgen die zij nodig hebben. Dit heeft ertoe geleid dat de moeder tijdens de schorsing de door de GI overlegde documenten heeft doorgenomen en ondertekend, waarmee zij daarvoor toestemming heeft gegeven. De komende periode dient daarom de benodigde hulpverlening te worden opgestart. Langere betrokkenheid van de GI is noodzakelijk om dit in goede banen te leiden en het verloop hiervan te monitoren. Daarnaast moet aandacht worden besteed aan contactherstel tussen de moeder en de jongens.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.5.
[voornaam minderjarige 2] verblijft sinds de uithuisplaatsing op een open groep. Hier wordt gezien dat [voornaam minderjarige 2] baat heeft bij de stabiliteit en structuur die hij ontvangt. [voornaam minderjarige 2] ontwikkelt zich goed en laat positieve stappen zien. Recent is [voornaam minderjarige 2] overgeplaatst naar een groep, op dezelfde locatie, die beter bij hem past. Ook hier doet [voornaam minderjarige 2] het tot nu toe goed. Zoals benoemd onder 5.2 heeft er al enige periode geen fysieke omgang plaatsgevonden tussen de moeder en de jongens. Daarnaast beschikt de moeder op dit moment niet over een eigen woning. Dit maakt dat een thuisplaatsing op dit moment (nog) niet aan de orde is en de huidige plek van [voornaam minderjarige 2] moet worden gewaarborgd.
5.6.
Ook is de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3]
5.7.
[voornaam minderjarige 1] verblijft op dit moment op een gesloten groep. Ter zitting is gebleken dat alle partijen het erover eens zijn dat een gesloten groep niet juiste plek voor [voornaam minderjarige 1] is. De kinderrechter heeft daarom bij beschikking van heden de gesloten machtiging voor [voornaam minderjarige 1] slechts voor een beperkte periode afgegeven, [voornaam minderjarige 1] dient zo snel mogelijk overgeplaatst te worden naar een meer geschikte (open) groep. Er is mogelijk een groep op de locatie waar [voornaam minderjarige 2] verblijft die passend is voor [voornaam minderjarige 1] , maar deze optie moet nog worden onderzocht. Gelet op de zorgelijke situatie op [voornaam minderjarige 1] zijn huidige groep dient deze optie, dan wel een andere passende optie voor een vervolgplek, met spoed te worden onderzocht.
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat [voornaam minderjarige 1] zodra deze plek beschikbaar is direct overgeplaatst dient te worden en zal daarom op voorhand de benodigde machtiging verlenen.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 8 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 8 maart 2027;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van de dag waarop hij wordt overgeplaatst vanuit de gesloten groep tot 8 maart 2027;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 9 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.