Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4232

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
11935756 VZ VERZ 25-6591 en 11935005 VZ VERZ 25-6579
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671 lid 1 onder c BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 7:677 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens ongeoorloofde organisatie vakantie met kwetsbare cliënten bevestigd

Werkneemster werd op staande voet ontslagen omdat zij zonder toestemming samen met een collega een vakantie naar Curaçao organiseerde voor twee kwetsbare cliënten. Zij gaf tegenstrijdige verklaringen en weigerde openheid te geven over de financiële afhandeling. Ook stelde zij geen zorgplan op en uitte zich beledigend richting collega’s.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was, omdat de gedragingen van werkneemster een dringende reden vormden. Hoewel niet alle verwijten afzonderlijk een dringende reden opleverden, was de samenhang van de feiten voldoende. Werkneemster kreeg geen billijke vergoeding omdat het ontslag geldig was, maar wel een transitievergoeding omdat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen.

Het verzoek van werkgever om een gefixeerde schadevergoeding wegens opzet of schuld werd afgewezen, omdat onvoldoende bewijs was dat werkneemster opzettelijk of met schuld handelde. Werkgever werd veroordeeld een correcte eindafrekening te verstrekken en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig, werkneemster krijgt transitievergoeding, maar geen gefixeerde schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummers: 11935756 VZ VERZ 25-6591
11935005 VZ VERZ 25-6579
datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[werkneemster],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster en verweerster,
gemachtigde: mr. S. Pershad,
tegen
Stichting Middin,
woonplaats: Rijswijk,
verweerster en verzoekster,
gemachtigde: mr. R.G. Verheij.
De partijen worden hierna ‘werkneemster’ en ‘werkgever’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier in de zaak 11935756 bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van werkneemster tot vernietiging van het aan haar gegeven ontslag op staande voet, met bijlagen;
  • het verweerschrift van werkgever, met (voorwaardelijk) tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met bijlagen;
  • de brieven van partijen met aanvullende bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van werkneemster en de ter zitting overgelegde printscreens.
1.2.
Het dossier in de zaak 11935005 bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van werkgever tot toekenning van gefixeerde schadevergoeding, met bijlagen;
  • het verweerschrift van werkneemster, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van werkneemster.
1.3.
Op 6 februari 2026 zijn de zaken op de mondelinge behandeling besproken met partijen en hun gemachtigden.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
Het gaat om een ontslag op staande voet, dat is gegeven aan werkneemster omdat zij – volgens werkgever zonder toestemming – samen met een collega voor twee kwetsbare cliënten een vakantiereis naar Curaçao heeft georganiseerd. Werkneemster heeft hierover tegenstrijdig verklaard en geweigerd om openheid van zaken te geven over de gang van zaken en de financiële kant van de reis. Er was geen zorgplan opgesteld voor de reis. Werkneemster heeft zich ook beledigend, intimiderend en bedreigend uitgelaten richting
(ex-)collega’s. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het verzoek van werkgever om gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen.
Waar gaat de zaak over?
2.2.
Werkneemster is op 15 juni 2021 bij werkgever in dienst getreden. Werkneemster werkte tot het ontslag in de functie van ‘Persoonlijk Begeleider niveau 4 zeer intensief’, met een werkweek van 32 uur, tegen een salaris van € 3.168,- bruto per maand. Dit deed zij op een van de woonlocaties van werkgever. Dit is een geschakelde woonvoorziening waar zestien volwassenen wonen, in twee groepen van acht, in een gesloten setting. Er wordt gebruik gemaakt van een verklikker voor het geval iemand de locatie wil verlaten en van een uitluistersysteem in verschillende verblijven. De bewoners die aan de zorg van de begeleiding zijn toevertrouwd hebben een ernstige tot matige verstandelijke beperking, overeenkomstig met een cognitieve ontwikkelingsleeftijd tussen de 1 en 4 jaar. Daarnaast speelt bij alle bewoners bijkomende (gedrags-)problematiek. Het emotioneel ontwikkelingsniveau van de bewoners ligt tussen 0-6 maanden en 18-36 maanden. Zij hebben een complexe hulpvraag en er is sprake van moeilijk te begrijpen gedrag. Dit brengt mee dat zij signalen van pijn, ongemak, onrust, onveiligheid, onduidelijkheid, etc. uiten in de vorm van verbale of fysieke agressie, teruggetrokken of juist zeer onrustig gedrag, zelf verwondend gedrag, gillen/schreeuwen/huilen en/of weglopen. De bewoners zijn onvoldoende in staat hun eigen leven vorm te geven op alle gebieden; woonzorg, zelfzorg, vrije tijd en werk. Zij hebben ontwikkeling gerelateerde problemen met emotieregulatie en sociale interactie en hebben bij vrijwel alle aspecten van hun leven verbale en/of fysieke ondersteuning, begeleiding of zorg nodig. De begeleiders hebben hierin een belangrijke taak, waarbij nauw samengewerkt en overlegd moet worden met andere zorgverleners, zoals de arts verstandelijk gehandicapten, fysiotherapeut, ergotherapeut en gedragsdeskundige, in zogenoemd Multidisciplinair Overleg (MDO). De begeleiders verrichten hun werk aan de hand van een door hen opgesteld ondersteuningsplan voor iedere bewoner, waarin alle belangrijke zaken rondom de begeleiding en zorg zijn vastgelegd. Hierin wordt de inbreng meegenomen van alle bij de betreffende bewoner betrokken disciplines. De begeleiders hebben een coördinerende, inventariserende, signalerende en evaluerende rol en dragen zorg voor een volledig en actueel ondersteuningsplan. De begeleiders zijn hiervoor opgeleid. Werkneemster heeft een opleiding op MBO niveau 4 gedaan.
2.3.
Op 22 augustus 2025 heeft werkgever werkneemster op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum staat het volgende:
Op dinsdag 15 juli 2025 heb jij ons medegedeeld dat jij samen met jouw collega, mevrouw [naam 1] , een all inclusive vliegvakantie naar Curaçao hebt geboekt voor de periode van 26 tot en met 31 augustus 2025, voor jezelf en mevrouw [naam 1] en twee cliënten, zijnde [naam 2] en [naam 3] .
Naar aanleiding van deze mededeling heeft hierover op woensdag 16 juli 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen jou, [naam 4] (Zorgmanager) en [naam 5] (HR Adviseur). Tijdens dit gesprek is jou gevraagd om uitleg te geven over de geboekte vakantie naar Curaçao. Hierop heb jij onder meer aangegeven dat:
  • Je niet weet of de vakantie door mevrouw [naam 1] is besproken tijdens het MDO in september 2024, tegenstrijdig met jouw eerdere verklaring dat dit wel is besproken in het MDO van september 2024.
  • Door mevrouw [naam 1] voor de vakantie toestemming is gevraagd aan de toenmalig Zorgmanager, mevrouw [naam 6] .
  • Voor de vakantie toestemming is gegeven door mevrouw [naam 6] .
  • Jij het plan om deze reis te maken een jaar geleden hebt voorgelegd aan de vader van [naam 3] en hij dit een leuk idee vond.
  • De vakantie door mevrouw [naam 1] is uitgezocht.
  • De cliënten zelf voor de reis hebben betaald.
  • Jij een betaalverzoek hebt gestuurd aan de vader van [naam 3] en die de reissom (van ongeveer€ 1.100 of € 1.200) aan jou heeft overgemaakt, jij op jouw beurt het geld hebt overgemaakt aan mevrouw [naam 1] , die de reissom heeft voldaan aan Corendon.
Op donderdag 17 juli 2025 is jou het gespreksverslag toegestuurd en is jou schriftelijke medegedeeld dat jij met ingang van 17 juli 2025 op non-actief bent gesteld voor een periode van drie weken.
Om een volledig beeld te kunnen krijgen van de situatie en ook jouw verhaal daarin mee te kunnen nemen, hebben wij jou uitgenodigd voor een vervolggesprek. We hebben je hiertoe meerdere keren uitgenodigd. Deze gesprekken heb je steeds geweigerd, eerst omdat je een reactie van je advocaat wilde afwachten, vervolgens omdat je op vakantie zou zijn terwijl voor de vakantie in deze periode (van 22 juli tot en met 11 augustus 2025) geen toestemming is verleend.
Gelet op voornoemde en omdat jij vervolgens zelf met vakantie bent gegaan, was het eerstvolgende moment waarop een vervolggesprek kon plaatsvinden woensdag 20 augustus 2025. Die dag heb jij de waarnemend zorgmanager, mevrouw [naam 7] , gebeld en aangegeven dat je niet naar het gesprek kon komen omdat je ziek was. Met mevrouw [naam 7] is toen afgesproken dat de afspraak alsnog zou plaatsvinden op vrijdag 22 augustus 2025 om 09.00 uur.
Vooruitlopend op een vervolggesprek hebben wij jou meermaals gevraagd documenten te verstrekken, waaronder: boekingsformulieren, bewijs van betalingen, verkregen toestemming en afspraken die zijn gemaakt met verwanten over het zorgplan tijdens de reis. Aan deze verzoeken heb jij - ondanks eerdere toezeggingen - uiteindelijk geen gehoor gegeven.
In de tussentijd is vanuit Stichting Middin meer informatie ingewonnen, onder meer door met een aantal direct betrokkenen contact op te nemen. Hieruit is het navolgende naar voren gekomen:
Mevrouw [naam 6] (voormalig Zorgmanager)
Op de vraag of zij toestemming heeft gegeven voor een vakantie naar Curaçao antwoordt zij:
"Nee, natuurlijk niet."
Mevrouw [naam 8] (voormalig gedragsdeskundige)
Zij verklaart dat er met haar geen gesprekken zijn gevoerd over een mogelijke vakantie naar Curaçao voor twee cliënten en zij hier ook geen goedkeuring voor heeft gegeven.
De vader van [naam 3]
Hij geeft aan dat jij aan hem hebt toegezegd toestemming voor de vakantie te hebben gehad, dat hij daarna van mevrouw [naam 1] een betaalverzoek heeft ontvangen en hij deze heeft voldaan.
Mevrouw [naam 9] (gedragsdeskundige)
In een door haar opgestelde cliëntbeschrijving geeft zij ten aanzien van [naam 3] onder meer aan:
"Daar cliënt veiligheid, structuur en voorspelbaarheid nodig heeft om goed te kunnen functioneren is een vakantie van deze aard en omvang (zonder gedegen afweging van mogelijke risico's en gebrek aan planvorming) risicovol te noemen betreft het functioneren van deze cliënt."
Ook hebben wij in de tussentijd vernomen dat jij aan mevrouw [naam 6] de afgelopen periode berichten hebt gestuurd. Zo heb jij haar onder andere op maandag 21 juli 2025 een WhatsApp bericht gestuurd met de volgende inhoud:
"Ik ben [naam 6] met me baby prostituee stemmetje en nee hoor [naam 4] ik weet van helemaal niks hoor. [. .. ]Je bent werkelijk waar walgelijk. En ontremd andere dingen kots ik jou en je voormalige driehoek al helemaal uit. Ik snap niet hoe jij ken slapen. Stank voor dank. Want die bolle hamster [naam 8] "wist ook van helemaal niks hoor" kinderachtig jullie". Wol/ah werkelijk waar walgelijk".
Ook heb je haar een voicememo gestuurd, waarin je het volgende zegt:
"Kan je even heel gauw de telefoon opnemen ... wil je nu opnemen, ga ik hoe dan een of andere manier ga ik jou toch moeten spreken omtrent heel veel dingen .. stelletje klootviolen dat jullie zijn. Gadverdamme. Ik kots jullie allemaal uit. Jij, [naam 10] en een dikke [naam 8] , hamster
Het vervolggesprek, waarin jij in de gelegenheid bent gesteld om over een aantal zaken opheldering te geven, heeft uiteindelijk plaatsgevonden op vrijdag 22 augustus 2025. Op jouw verzoek heeft dit gesprek plaatsgevonden via Teams tussen jou, mevrouw [naam 7] en mevrouw [naam 5] . In dit gesprek heb jij je laten bijstaan door een voor ons onbekend persoon, die zich niet heeft voorgesteld en niet in beeld is verschenen. Tijdens het gesprek van vrijdag 22 augustus 2025 heb jij over de vakantie naar Curaçao onder meer verklaard dat:
  • De vakantieplannen vorig jaar september besproken zijn met mevrouw [naam 1] , mevrouw [naam 6] en de verwanten van de cliënten.
  • Jij de vakantieplannen niet zelf met mevrouw [naam 6] hebt besproken, maar alleen mevrouw [naam 1] dit met mevrouw [naam 6] heeft besproken. Voor de vakantie toestemming is gegeven door mevrouw [naam 6] . Je niet wist of deze toestemming ook specifiek gold voor de reis naar Curaçao.
  • Jij niet meer precies weet hoe en wanneer toestemming is gegeven door de vader van [naam 3] . Je vermoedt dat dit in december 2024 is geweest.
  • Jij dacht dat de nieuwe zorgmanager, mevrouw [naam 4] , ook positief zou reageren op de vakantie.
  • Jij een passieve rol hebt gehad in de voorbereidingen voor de vakantie.
  • Jij vindt dat de voorbereidingen voor de vakantie, zoals het opstellen van een zorgplan, (ook) de verantwoordelijkheid is van de zorgmanager.
  • Jij niet bezig bent geweest met de risico's die een vakantie voor kwetsbare cliënten als [naam 2] en [naam 3] meebrengen.
  • Jij jouw deel van de reissom via een Tikkie hebt betaald aan mevrouw [naam 1] .
  • Jij een Tikkie hebt gestuurd aan de vader van [naam 3] .
  • Je niet weet hoe het zit met de annuleringskosten.
Verder heb je tijdens dit gesprek toegezegd dezelfde dag nog de gevraagde documenten toe te sturen. Deze belofte ben je echter niet nagekomen. Tot op heden hebben wij geen documenten van jou ontvangen.
Het verslag van het gesprek d.d. 22 augustus 2025 is als bijlage bij deze brief gevoegd.
Op basis van al het bovenstaande stellen wij vast dat:
Jij samen met mevrouw [naam 1] zonder toestemming van en overleg met de zorgmanager en/of gedragsdeskundige een vakantie naar Curaçao hebt georganiseerd of doen organiseren voor jezelf, een collega en twee cliënten.
Jij de huidige zorgmanager hierover eerst op 15 juli 2025 hebt geïnformeerd.
Er door jou geen zorgplan is opgesteld of andere maatregelen zijn getroffen die waarborgen dat een dergelijke vakantie op zorg inhoudelijk verantwoordelijke wijze zou plaatsvinden, als dit gelet op de kwetsbaarheid van de cliënten überhaupt al mogelijk zou zijn. Jij de verantwoordelijkheid voor het opstellen van een zorgplan bij de zorgmanager legt en daarmee deze verantwoordelijkheid volledig buiten jezelf legt.
Jij tegenover ons hebt gelogen dat er door de toenmalig zorgmanager voor de vakantie naar Curaçao toestemming zou zijn verleend.
Jij tegenover de vader van [naam 3] hebt gelogen dat er vanuit Stichting Middin toestemming was verleend voor de vakantie naar Curaçao.
Er tegenstrijdige verhalen zijn over de wijze waarop de betalingen zijn gedaan en jij hierover nog altijd geen volledige duidelijkheid hebt verstrekt.
Jij geen documenten hebt verstrekt waaruit blijkt hoe de betalingsstromen precies zijn gelopen.
Jij je bij herhaling hebt onttrokken aan het onderzoek en een hoor- en wederhoorgesprek.
Jij je grof, beledigend, intimiderend en bedreigend hebt uitgelaten jegens (ex)collega's.
Voor ons zijn dit schokkende vaststellingen, ook omdat de cliënten waarvoor de vakantie was bedoeld naar het oordeel van de gedragsdeskundige psychisch en/of gedragsmatig niet in staat zijn om een dergelijke reis verantwoord te kunnen maken en jij dit zeker voor wat betreft [naam 3] zelf ook had kunnen en moeten inschatten. Door desondanks deze vakantie op eigen initiatief en zonder intern overleg te boeken, geef jij er blijk van andere prioriteiten te hebben dan de psychische en fysieke veiligheid van de cliënten. Na het tweede met jou gevoerde gesprek hebben wij op basis van alle ingewonnen informatie en jouw verklaringen ons beraden over de aan jouw gedragingen te verbinden consequenties en hierover juridisch advies ingewonnen.
Ontslag op staande voet
De uitkomst van het beraad, is dat wij niet anders kunnen concluderen dan dat de hierboven onder punt 1 tot en met 9 genoemde feiten en omstandigheden, zowel ieder voor zich als tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd, voor Stichting Middin een dringende reden vormen om jou op staande voet te ontslaan. Hierbij zeggen wij jouw arbeidsovereenkomst daarom met onmiddellijke ingang op. Jouw gedragingen zijn namelijk onaanvaardbaar en zodanig ernstig dat jij het vertrouwen dat in jou is gesteld en dat wij in jou moeten kunnen stellen onherstelbaar beschadigd is. Gelet hierop kan van Stichting Middin niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst met jou voort te zetten.
2.4.
Werkneemster is het niet eens met het ontslag op staande voet en verzoekt (in de zaak 11935756) - verkort weergegeven - bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad om:
primair de opzegging te vernietigen, wedertewerkstelling, betaling van het loon vanaf 22 augustus 2025, met de wettelijke verhoging en rente en verstrekking van bruto/netto loonspecificaties. Subsidiair vraagt zij om betaling van een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, alles met rente. Meer subsidiair vraagt zij om de transitievergoeding met rente en een bruto/netto specificatie van dit bedrag. Zowel subsidiair als meer subsidiair vraagt werkneemster om een correcte eindafrekening, op te maken met uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. Ook verzoekt werkneemster om wedertewerkstelling als voorlopige voorziening tijdens deze procedure.
2.5.
Werkgever verzoekt voor het geval dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd
- verkort weergegeven - bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad om: de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-, g, of i-grond van artikel 7:669 lid 3 BW Pro, met onmiddellijke ingang of per eerst mogelijke datum met inachtneming van de opzegtermijn en te bepalen dat werkgever geen transitievergoeding en geen billijke vergoeding verschuldigd is. Bij ontbinding op de i-grond verzoekt werkgever om geen aanvullende transitievergoeding toe te kennen, althans deze te matigen.
2.6.
Werkgever verzoekt separaat (in de zaak 11935005) - verkort weergegeven - bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad om € 7.836,20 aan gefixeerde schadevergoeding, met rente. Werkneemster is het daarmee niet eens.
Wat vindt de kantonrechter
In de zaak 11935756
Het ontslag is geldig
2.7.
De opzegging wordt niet vernietigd. Dat kan namelijk alleen als het ontslag niet geldig is [1] . Daar is in dit geval geen sprake van, want er is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Dat zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld mededelen van de reden [2] .
Er is onverwijld opgezegd en de reden is onverwijld medegedeeld
2.8.
Tussen werkgever en werkneemster is er geen discussie over dat werkgever de arbeidsovereenkomst onverwijld heeft opgezegd en de reden daarvan onverwijld aan werkneemster heeft laten weten. De kantonrechter heeft geen reden om daarover anders te oordelen. Er heeft weliswaar enige tijd gezeten tussen het moment van het ontdekken van de reisplannen en het ontslag op staande voet, maar in de tussenliggende periode heeft werkgever geprobeerd meer duidelijkheid te krijgen over de toedracht en werkneemster heeft zich daarbij allesbehalve coöperatief opgesteld. Toen het eindelijk lukte om werkneemster hierover te horen, is het ontslag op staande voet direct daarna gegeven.
Er is een dringende reden
2.9.
Bij een ontslag op staande voet heeft de werkgever de bewijslast ten aanzien van de dringende reden. Het ontslag op staande voet is in dit geval gestoeld op de negen redenen genoemd in de hierboven aangehaalde ontslagbrief. Iedere reden op zichzelf genomen levert naar het oordeel van de kantonrechter geen dringende reden op om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Het gaat in dit geval om de samenhang van een aantal van de genoemde redenen. Van groot gewicht is in ieder geval reden 1, het verwijt aan het adres van werkneemster dat zij samen met haar collega zonder toestemming van en overleg met de zorgmanager en/of gedragsdeskundige de vakantie naar Curaçao heeft georganiseerd of doen organiseren voor haarzelf, de collega en twee bewoners. In het verlengde hiervan liggen de redenen 4 en 5, de verwijten dat werkneemster gelogen heeft tegen werkgever en tegen de vader van de bewoner, waarvoor de tegengeworpen niet verkregen toestemming ook van belang is. De kantonrechter zal deze verwijten daarom eerst beoordelen.
2.10.
Werkneemster heeft gemotiveerd weersproken dat de vakantie georganiseerd is zonder toestemming. Volgens werkneemster heeft haar voormalige zorgmanager wel degelijk toestemming gegeven voor deze reis aan haar collega. Als het klopt dat de voormalige zorgmanager inderdaad toestemming heeft gegeven voor deze reis, dan komen de verwijten die werkgever aan werkneemster maakt en de gebeurtenissen die daarop zijn gevolgd in een ander daglicht te staan. Werkgever heeft de toestemming van de voormalige zorgmanager slechts betwist door in het verweerschrift te vermelden dat zij heeft gezegd ‘
nee natuurlijk niet’ toen haar gevraagd werd of zij toestemming voor deze reis had gegeven. Verdere onderbouwing, bijvoorbeeld in de vorm van een schriftelijke verklaring, ontbreekt. De kantonrechter is van oordeel dat het wel op de weg van werkgever had gelegen om dit nader te onderbouwen, maar dat heeft werkgever niet gedaan. Daarmee is dit verwijt onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor bewijslevering op dit punt, gelet op wat hierna wordt geoordeeld.
2.11.
Over het verwijt dat werkneemster de gedragsdeskundige niet heeft betrokken bij de reisplannen, heeft werkneemster het volgende verklaard. Toen de reisplannen met de voormalige zorgmanager werden besproken, heeft zij gezegd dat het niet nodig was om de gedragsdeskundige hierbij te betrekken ‘
omdat zij binnenkort toch weg is’. Gebleken is dat de gedragsdeskundige inmiddels inderdaad ergens anders werkt. Werkgever wordt niet gevolgd in het standpunt dat werkneemster hoe dan ook de gedragsdeskundige had moeten betrekken bij de reisplannen. Als het klopt dat de voormalige zorgmanager heeft gezegd dat dit niet nodig was, dan lag het niet direct op de weg van werkneemster om dit wel te doen. In dit verband is mede van belang dat werkneemster nog maar enkele jaren bij werkgever werkt, nog nooit eerder een reis met cliënten had georganiseerd bij werkgever en er ook geen protocol is over hoe zo’n reis moet worden georganiseerd en welke stappen er moeten worden genomen.
2.12.
De verwijten 3 en 6 tot en met 9 in de ontslagbrief zijn naar het oordeel van de kantonrechter wel komen vast te staan. Dit gaat om het volgende:
  • het niet opstellen van een zorgplan voor de reis;
  • niet verstrekken van duidelijkheid over de betalingen voor de reis;
  • geen documenten verstrekken waaruit blijkt hoe de betalingsstromen precies zijn gelopen;
  • zich bij herhaling onttrekken aan het onderzoek en hoor- en wederhoorgesprek;
  • zich grof, beledigend, intimiderend en bedreigend uitlaten jegens (ex-)collega’s.
2.13.
Gelet op de kwetsbaarheid van de twee cliënten, met wie werkneemster op reis wilde gaan, is begrijpelijk dat er veel ophef bij werkgever ontstond toen de nieuwe zorgmanager hoorde van de reisplannen. De cliënt die werkneemster zou begeleiden heeft een ernstig verstandelijke beperking, overeenkomstig een ontwikkelingsleeftijd van 1,5 tot 2 jaar. Hij heeft een zeer intensieve zorg- en begeleidingsbehoefte en is sterk afhankelijk van voorspelbaarheid, structuur en nabijheid. Het ontbreken hiervan leidt tot ernstige stress, angst en ontregeling, wat zijn welzijn en psychische en fysieke veiligheid in gevaar brengt. Dit wordt bevestigd door de cliëntbeschrijving van de gedragsdeskundige en is door werkneemster ook niet weersproken. Werkneemster heeft ter zitting erkend dat het achteraf gezien ‘niet handig was’ dat zij en haar collega het plan hadden opgevat om met deze cliënten met multi-problematiek zo’n verre reis te gaan maken. Dat werkgever duidelijkheid wilde verkrijgen over een en ander, was een redelijk verzoek aan werkneemster. Een openhartige en eerlijke uitleg van de kant van werkneemster had op haar weg gelegen, ook over de financiële kant van de reis. Die uitleg heeft werkneemster niet gegeven. Integendeel, haar aanvankelijke uitleg is vaag en deels tegenstrijdig geweest en later is zij het gesprek hierover lange tijd uit de weg gegaan. Werkneemster is zelfs in de periode waarin werkgever met haar wilde praten ongeoorloofd, want ongevraagd en zonder toestemming van werkgever, afwezig geweest wegens vakantie. Uiteindelijk heeft werkneemster in het gesprek op 22 augustus 2025 te weinig openheid van zaken gegeven. Zij heeft – tot aan de zitting – geen openheid gegeven over de gevraagde reis- en boekingsbescheiden en betaalbewijzen, waarom al voordien herhaaldelijk gevraagd was. De vereiste openheid van zaken is ook in deze procedure onvoldoende gegeven.
2.14.
Hoewel een deel van de gedragingen van werkneemster lijken te zijn ingegeven door de – volgens haar – onterechte beschuldiging van het organiseren van een vakantiereis zonder toestemming, is werkneemster doorgeschoten in haar reactie op een en ander. Dit geldt niet alleen voor het langere tijd uitblijven van inhoudelijke informatie aan de kant van werkneemster, en de deels tegenstrijdige verklaringen, maar ook haar beledigende uitlatingen waren zeer ongepast. Zo heeft werkneemster in een WhatsApp bericht aan de voormalige zorgmanager geschreven:
“Ik ben [naam voormalige zorgmanager, kantonrechter] met me baby prostituee stemmetje en nee hoor [naam nieuwe zorgmanager] ik weet van helemaal niks hoor… je bent werkelijk waar walgelijk.. en ontremd andere dingen kots ik jou en je voormalige driehoek al helemaal uit … want die bolle hamster [naam gedragsdeskundige, kantonrechter] “wist ook van helemaal niks hoor” kinderachtig jullie. Wollah werkelijk waar walgelijk.”
En in een voicemail bericht aan de voormalig zorgmanager gezegd:

Kan je even heel gauw de telefoon opnemen... wil je nu opnemen, ga ik hoe dan een of andere manier ga ik jou toch moeten spreken omtrent heel veel dingen. Stelletje klootviolen dat jullie zijn. Gadverdamme. Ik kots jullie allemaal uit. Jij, [naam 10] en een dikke [naam gedragsdeskundige], hamster.”
Overigens is de kantonrechter van oordeel dat deze uitlatingen niet kunnen worden beschouwd als bedreigingen, maar beledigend zijn ze wel.
2.15.
De kantonrechter is van oordeel dat de redenen 3 en 6 tot en met 9, in onderlinge samenhang bezien, het gegeven ontslag op staande voet kunnen dragen. Werkneemster is met deze gedragingen over de schreef gegaan en heeft hiermee een dringende reden voor ontslag op staande voet gegeven. De werkgever heeft in de ontslagbrief duidelijk gemaakt dat iedere ontslagreden afzonderlijk ook kwalificeert als dringende reden voor ontslag op staande voet. Dit betekent dat niet iedere reden moet komen vast te staan. Er is ook sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, als een deel van de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag wel komen vast te staan en deze redenen voldoende zijn om het ontslag op staande voet te kunnen dragen. Daarvan is hier sprake met de combinatie van de redenen 3 en 6 tot en met 9 uit de ontslagbrief (met uitzondering van het ‘bedreigend uitlaten’).
Geen wedertewerkstelling en geen betaling van loon
2.16.
Omdat de opzegging niet wordt vernietigd, is er geen grond om werkgever te veroordelen om werkneemster weer toegang te verlenen tot de werkplek om de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten en om werkgever te veroordelen tot betaling aan werkneemster van haar loon.
Geen billijke vergoeding
2.17.
Werkneemster krijgt geen billijke vergoeding. Die kan namelijk alleen worden toegekend als het ontslag niet rechtsgeldig is [3] .
Wel een transitievergoeding
2.18.
De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster wel recht heeft op een transitievergoeding, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van werkneemster [4] . Er is weliswaar sprake van verwijtbaar handelen en nalaten van werkneemster, maar de lat ligt hoog voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten en die hoge lat is hier niet gehaald. Weliswaar verdient het handelen van werkneemster bepaald niet de schoonheidsprijs, maar er lijkt ook sprake te zijn van onervarenheid en jeugdige onbezonnenheid voor wat betreft het plannen van de reis, waarvoor overigens de familie/wettelijk vertegenwoordigers van de cliënten ook toestemming hebben gegeven. Dat werkneemster er zelf financieel beter van is geworden, is niet gebleken. Volgens haar eigen verklaring heeft zij de kosten voor haar deel van de reis voor haar eigen rekening genomen en daar ter zitting ook nadere uitleg over gegeven en betalingsbewijzen getoond. Er zijn geen aanwijzingen dat dit niet klopt. Nadat de reis werd geannuleerd, heeft werkneemster de vader van de cliënt die zij zou begeleiden op de reis ook schadeloos gesteld voor zijn kosten. Weliswaar is de kantonrechter van oordeel dat werkneemster aan werkgever meer openheid van zaken en meer uitleg had moeten geven in de periode voorafgaand aan het ontslag op staande voet, en dat haar uitlatingen richting en/of over de voormalige zorgmanager en de gedragsdeskundige ongepast en beledigend waren, maar dit is onvoldoende voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Bij dit oordeel speelt ook een rol dat een deel van de gedragingen van werkneemster lijken te zijn ingegeven door een overtrokken ‘verdedigingsreactie’ op de beschuldigingen van werkgever over de reis naar Curaçao en niet door kwaadwilligheid. Dit geldt ook voor de beledigingen die werkneemster heeft geuit in haar verontwaardigde berichten aan de voormalige zorgmanager. Kortom, werkneemster heeft recht op de door haar gevraagde transitievergoeding van € 4.423,15 bruto. Tegen de hoogte van dit bedrag is geen verweer gevoerd.
G
een vergoeding voor onregelmatige opzegging
2.19.
Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, gold voor werkgever geen opzegtermijn. Daarom heeft werkneemster geen recht op een vergoeding voor onregelmatige opzegging [5] .
Eindafrekening verstrekken
2.20.
Werkneemster heeft onweersproken gesteld dat er geen eindafrekening is opgemaakt of uitbetaald. Werkneemster verzoekt om werkgever te verplichten een correcte eindafrekening op te stellen, met uitbetaling van niet genoten vakantiedagen en andere emolumenten. Uit de ontslagbrief blijkt dat werkgever de eindafrekening met de gefixeerde schadevergoeding heeft verrekend. Gelet op wat de kantonrechter hierover oordeelt (zie 2.22 hierna), was deze verrekening onterecht. Werkgever wordt daarom veroordeeld om alsnog een correcte eindafrekening op te stellen, met niet genoten vakantiedagen en andere emolumenten, en het bedrag dat volgt uit deze eindafrekening alsnog aan werkneemster te voldoen.
Voorwaardelijk tegenverzoek hoeft niet te worden beoordeeld
2.21.
Het voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gedaan voor het geval het ontslag vernietigd zou worden. Omdat die voorwaarde niet is vervuld, hoeft het verzoek niet te worden beoordeeld. Dat geldt ook voor de daarmee samenhangende nevenverzoeken.
In de zaak 11935005
Gefixeerde schadevergoeding betalen aan werkgever?
2.22.
Bij een ontslag op staande voet is de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven voor ontslag een vergoeding verschuldigd. De vergoeding is - in dit geval - gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Werkgever vraagt om werkneemster te veroordelen om deze gefixeerde schadevergoeding te betalen. Het is aan werkgever om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van opzet of schuld aan de zijde van werkneemster. De kantonrechter is van oordeel dat in de gegeven situatie geen sprake is van opzet of schuld aan de kant van werkneemster en verwijst in dit verband naar wat hiervoor is geoordeeld over het ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten (zie 2.18). De verwijten die zijn vast komen te staan, zijn onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat in de gegeven situatie sprake is van opzet of schuld aan de kant van werkneemster.
In de zaak 11935756 en in de zaak 11935005
Partijen moeten hun eigen proceskosten betalen
2.23.
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen omdat zij allebei voor een deel ongelijk krijgen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in de zaak 11935756 VZ VERZ 25-6591
3.1.
veroordeelt werkgever om alsnog een correcte eindafrekening op te stellen, met uitbetaling van niet genoten vakantiedagen en andere emolumenten, en het bedrag dat volgt uit deze eindafrekening alsnog aan werkneemster te betalen;
3.2.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster de transitievergoeding van € 4.423,15 bruto te betalen;
3.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de andere verzoeken van werkneemster af;
in de zaak 11935005
3.5.
wijst het verzoek af;
in de zaak 11935756 en in de zaak 11935005
3.6.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW
2.Artikel 7:671 lid 1 onder Pro c BW en artikel 7:677 BW Pro
3.Artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW
4.Artikel 7:673 lid 7 BW Pro
5.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro