Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4303

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/3270 en ROT 25/7226
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluiten AFM over last onder dwangsom en publicatiebesluit wegens onredelijkheid

Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom en een publicatiebesluit van de AFM, opgelegd wegens overtreding van de Wet handhaving consumentenbescherming. Na een tussenuitspraak waarin de rechtbank oordeelde dat de AFM onredelijk had gehandeld door niet te herzien, kreeg de AFM de gelegenheid om de gebreken in de besluiten te herstellen.

De AFM maakte geen gebruik van deze gelegenheid en voerde aan dat zij het niet eens was met de tussenuitspraak en dat het oordeel van de Ondernemingskamer en de Accountantskamer niet juist was geïnterpreteerd. De rechtbank oordeelde dat de AFM niet zonder bijzondere omstandigheden van haar eerdere oordeel kon terugkomen en dat de nieuwe argumenten van de AFM niet in deze einduitspraak konden worden betrokken.

De rechtbank vernietigde daarom de bestreden besluiten en beval de AFM om nieuwe besluiten te nemen, rekening houdend met de tussenuitspraak en deze einduitspraak. Tevens werd de AFM veroordeeld tot vergoeding van het door eiseressen betaalde griffierecht en de proceskosten. De rechtbank behandelde de beroepsgronden tegen het tweede besluit niet inhoudelijk vanwege de nauwe samenhang met het eerste besluit.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van de AFM en draagt op tot nieuwe besluitvorming met vergoeding van proceskosten aan eiseressen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/3270 en ROT 25/7226

einduitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres 1] (voorheen: [eiseres 1] ), gevestigd in [plaats] , eiseres 1,

en
[eiseres 2], gevestigd in [plaats] , eiseres 2,
hierna samen: eiseressen
(gemachtigden: mr. G.P. Roth en mr. L.B.G. Hillen),
en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, de AFM

(gemachtigden: mr. A.J. de Heer en mr. M.L. Batting).

Procesverloop

1.1.
Bij besluit van 7 december 2020 heeft de AFM eiseres 1 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet handhaving consumentenbescherming en besloten om het lastbesluit met een persbericht openbaar te maken (het last- en publicatiebesluit). Eiseressen hebben de AFM op 23 augustus 2023 verzocht het last- en publicatiebesluit te herzien. De AFM heeft dit verzoek bij besluit van 17 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit I van 20 februari 2024 op het bezwaar van eiseressen tegen dit besluit is de AFM bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven.
1.2.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit is zaak ROT 24/3270.
1.3.
Eiseressen hebben op 29 juli 2025 de AFM verzocht een besluit te nemen dat ertoe strekt dat de AFM de publicatie van het last- en publicatiebesluit met het persbericht feitelijk van haar website verwijdert. De AFM heeft dit verzoek met het bestreden besluit II afgewezen.
1.4.
Met instemming van de AFM hebben eiseressen tegen het bestreden besluit II rechtstreeks beroep ingesteld. Dit betekent dat partijen de bezwaarfase hebben overgeslagen. Dit is zaak ROT 25/7226.
1.5.
Op het beroep tegen het bestreden besluit I heeft de AFM met een verweerschrift gereageerd en op het rechtstreekse beroep tegen het bestreden besluit II heeft de AFM tijdens de zitting mondeling gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft beide beroepen op 25 september 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
  • namens eiseressen: hun gemachtigden samen met [persoon 1] , [persoon 2] en drie toehoorders;
  • namens de AFM: haar gemachtigden samen met twee toehoorders.
1.7.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, omdat partijen in overleg zijn gegaan over de mogelijkheid om hun geschil met elkaar op te lossen. Nadat partijen de rechtbank hadden bericht dat dit niet is gelukt, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.8.
In de tussenuitspraak van 15 januari 2026 (tussenuitspraak) [1] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de AFM in de gelegenheid gesteld om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten te herstellen. De rechtbank heeft de AFM opgedragen om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen of zij van deze gelegenheid gebruikmaakt.
1.9.
De AFM heeft in reactie op de tussenuitspraak op 9 februari 2026 de rechtbank verzocht om de tussenuitspraak te heroverwegen dan wel de AFM de gelegenheid te geven om een nadere schriftelijke toelichting te geven over de beschikking van de Ondernemingskamer van [datum] [2] en het subsidiaire standpunt van de AFM dat, ook als van participaties moet worden uitgegaan, de actuele waardering van de [buitenlandse] belangen onvoldoende is onderbouwd en investeerders door eiseressen zijn misleid, alvorens de rechtbank einduitspraak doet.
1.10.
Eiseressen hebben hierop schriftelijk gereageerd.
1.11.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, zonder een nieuwe zitting te houden. [3]

Overwegingen

2.
2.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank in beginsel niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer bijzondere gevallen. [4]
2.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de AFM niet heeft toegezegd het last- en publicatiebesluit in volle omvang te heroverwegen en dat de beschikking van de Ondernemingskamer geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is.
2.3.
Ook heeft de rechtbank in de tussenuitspraak – samengevat weergegeven – geoordeeld dat de weigering van de AFM om van het last- en publicatiebesluit terug te komen evident onredelijk is, omdat de Ondernemingskamer in haar beschikking een ander standpunt inneemt dan de AFM over een cruciaal onderdeel van de overtredingen waarop het last- en publicatiebesluit hoofdzakelijk is gebaseerd. De Ondernemingskamer oordeelt namelijk dat de [buitenlandse] belangen in de jaarrekening 2021 van eiseres 2 participaties zijn, die op basis van de actuele waarde moeten worden gewaardeerd, omdat er bij deze belangen van begin af aan een exit-strategie is geweest. Het oordeel van de Ondernemingskamer kan volgens de rechtbank niet anders dan tot de conclusie leiden dat de [buitenlandse] belangen ook in de periode waarover het last- en publicatiebesluit gaat (de jaarrekeningen 2017 en 2018) als participaties moeten worden aangemerkt. Dit betekent dat de in het last- en publicatiebesluit vastgestelde overtredingen, voor zover die zijn gebaseerd op de kwalificatie van de [buitenlandse] belangen als deelnemingen in plaats van participaties, geen stand kunnen houden.
2.4.
De rechtbank heeft de AFM vervolgens in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Omdat het herstel van het gebrek in het bestreden besluit I directe gevolgen heeft voor het persbericht waarop het bestreden besluit II ziet, heeft de rechtbank de AFM ook in de gelegenheid gesteld om het bestreden besluit II te herzien.
2.5.
De AFM heeft de rechtbank meegedeeld dat zij het niet eens is met de tussenuitspraak. In dat verband heeft de AFM – samengevat weergegeven – uiteengezet dat zij niet ziet hoe zij aan deze opdracht van de rechtbank gevolg kan geven zonder aan haar standpunten afbreuk te doen, terwijl die standpunten naar haar overtuiging rechtens aanvaardbaar zijn. Volgens de AFM heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak geoordeeld dat de beschikking van de Ondernemingskamer tot de conclusie leidt dat de waardering van de [buitenlandse] belangen in de jaarrekeningen 2017 en 2018 juist is, terwijl de Ondernemingskamer zich daarover niet heeft uitgesproken. Ook heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak ten onrechte niet het oordeel van de Accountantskamer van [datum] [5] betrokken, inhoudende dat de AFM niet van een
hard exit-moment hoefde uit te gaan en dat de AFM hierover in de bestuursrechtelijke procedure een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. Verder gaat het de AFM erom dat zij in het last- en publicatiebesluit het subsidiaire standpunt heeft ingenomen dat, ook als van participaties moet worden uitgegaan, de actuele waardering van de [buitenlandse] belangen onvoldoende is onderbouwd en investeerders door eiseres 1 zijn misleid.
2.6.
De rechtbank begrijpt dit standpunt van de AFM zo dat zij geen gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen. De rechtbank kan, zoals al overwogen onder 2.1 en anders dan de AFM kennelijk meent, behalve in zeer bijzondere gevallen niet terugkomen van een oordeel dat in de tussenuitspraak is gegeven. De rechtbank is van oordeel, daarbij in aanmerking nemend wat de AFM in haar reactie op de tussenuitspraak heeft opgemerkt, dat zich hier geen bijzonder geval voordoet.
2.7.
Voor zover de reactie van de AFM over de waardering van de [buitenlandse] belangen gaat, geldt het volgende. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak de beschikking van de Ondernemingskamer als bijzondere omstandigheid aangemerkt vanwege het oordeel van de Ondernemingskamer dat de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 als participaties moeten worden gekwalificeerd, waarvoor de actuele waarde de juiste waarderingsgrondslag is. Dit oordeel van de Ondernemingskamer ziet alleen op de waarderingsgrondslag en de kwalificatie van de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 en niet op de daadwerkelijk waardering van deze belangen in de jaarrekeningen. De rechtbank is in haar tussenuitspraak niet nader ingegaan op de vraag of deze belangen op het juiste bedrag zijn gewaardeerd. Het is dan ook duidelijk dat waar de rechtbank in overweging 16 van de tussenuitspraak over de waardering van de [buitenlandse] belangen spreekt, zij op de waarderingsgrondslag doelt. De rechtbank heeft in die concluderende overweging immers niet bedoeld iets anders oordelen dan volgt uit de daaraan voorafgaande overwegingen, in het bijzonder de voorlaatste zin van overweging 11:
“Dit betekent dat de in het last- en publicatiebesluit vastgestelde overtredingen, voor zover die zijn gebaseerd op de kwalificatie van de [buitenlandse] belangen als deelnemingen in plaats van participaties, geen stand kunnen houden.”.Dat betekent dat de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over het subsidiaire standpunt van de AFM dat ook sprake zou zijn van overtredingen als de [buitenlandse] belangen als participaties zouden worden gekwalificeerd. Het is aan de AFM om in het kader van de bestuurlijke heroverweging – uitgaande van de juistheid van de kwalificatie van de [buitenlandse] belangen als participaties – te beoordelen of sprake is van overtredingen en in hoeverre het opleggen van een last en de (ongewijzigde) publicatie daarvan nog opportuun is.
2.8.
Voor zover de reactie van de AFM over de uitspraken van de Accountantskamer gaat, geldt het volgende. De AFM heeft niet eerder dan in haar reactie op de tussenuitspraak een beroep gedaan op de uitspraken van de Accountantskamer als onderbouwing van haar (primaire) standpunt in het last- en publicatiebesluit dat de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 als deelnemingen met invloed van betekenis kwalificeren. De AFM heeft dit ook niet gedaan tijdens de zitting van de rechtbank waar de AFM de gelegenheid heeft gehad om aanvullende punten naar voren te brengen. Bij de uiteenzetting van haar standpunt ging het de AFM steeds om de duiding van de beschikking van de Ondernemingskamer met betrekking tot de kwalificatie en de waarderingsgrondslag van de [buitenlandse] belangen van eiseres 2. Overigens heeft de Accountantskamer geoordeeld dat de bij de AFM werkzame accountants een pleitbaar standpunt hebben ingenomen, niet dat dit standpunt voor juist moet worden gehouden. Verder heeft de AFM in haar reactie van 11 september 2025 weliswaar naar de uitspraken van de Accountantskamer verwezen, maar daarbij heeft zij enkel het standpunt ingenomen dat de Accountantskamer zich niet over de beschikking van de Ondernemingskamer heeft uitgelaten. De AFM heeft deze nieuwe standpunten ingenomen in haar reactie op de tussenuitspraak, waarbij de AFM slechts was verzocht zich uit te laten over de vraag of zij gebruik zou maken van de gelegenheid het constateerde gebrek te herstellen. Eiseressen hebben weliswaar gelegenheid gehad op de reactie van de AFM te reageren, maar het zou niettemin in strijd zijn met de goede procesorde om het nieuwe betoog van de AFM bij de beoordeling in deze einduitspraak te betrekken. De rechtbank laat dit betoog daarom buiten beschouwing.

Conclusie en gevolgen

3.
3.1.
Omdat zich in deze zaken geen zeer bijzonder geval voordoet dat maakt dat de rechtbank moet terugkomen van haar tussenuitspraak, wijst de rechtbank het verzoek van de AFM om terug te komen van de tussenuitspraak af en verklaart zij de beroepen van eiseressen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit I, omdat de AFM niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren het herzieningsverzoek van eiseressen inhoudelijk te beoordelen en het last- en publicatiebesluit te herzien voor zover dat is gebaseerd op het standpunt van de AFM over de waarderingsgrondslag. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit II, omdat het nieuw te nemen bestreden besluit I directe gevolgen heeft voor het persbericht waarop het bestreden besluit II ziet. De AFM moet daarom nieuwe besluiten nemen en daarbij met deze uitspraak en de tussenuitspraak rekening houden.
3.2.
Door de nauwe samenhang tussen de bestreden besluiten I en II zal de rechtbank in deze einduitspraak, net als in de tussenuitspraak, de beroepsgronden tegen het bestreden besluit II niet behandelen. Deze punten zullen in de nadere besluitvorming van de AFM aan de orde moeten komen.
3.3.
Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet de AFM in beide zaken aan eiseressen het door hen gezamenlijk betaalde griffierecht vergoeden.
3.4.
Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eiseressen een vergoeding voor de proceskosten die zij gezamenlijk hebben gemaakt. De AFM moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de verleende rechtsbijstand door een gemachtigde wordt in totaal € 3.935,- toegekend. Voor zaak ROT 24/3270 wordt € 3.001,- toegekend (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift (met een waarde van € 666,-), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus (met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1)). Voor zaak ROT 25/7726 wordt 1 punt ter waarde van € 934,- met wegingsfactor 1 toegekend voor het als beroepschrift behandelde bezwaarschrift (maar geen punt voor het verschijnen op de zitting, omdat voor dezelfde zitting in de andere zaak al een vergoeding wordt toegekend).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen van eiseressen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten;
  • draagt de AFM op in zaak ROT 24/3270 een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en in zaak ROT 25/7226 een nieuw besluit op het verwijderingsverzoek te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
  • draagt de AFM op het gezamenlijk door eiseressen betaalde griffierecht van € 371,- (in zaak ROT 24/3270) en van € 385,- (in zaak ROT 25/7226) aan hen te vergoeden;
  • veroordeelt de AFM in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 3.935,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. R.J.P. Ferwerda en
mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr.P.F.H.M. Terstegge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 15 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:185
2.Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) [datum] , [ECLI-nummer]
3.Artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht
4.College van Beroep voor het bedrijfsleven 12 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:265)
5.Accountantskamer [datum] , [ECLI-nummer] en [ECLI-nummer]