9.6.In de stellingen van eiseressen dat de beschikking van de Ondernemingskamer en het last- en publicatiebesluit over dezelfde feiten, partijen en rechtsvraag gaan en dat de Ondernemingskamer de rechterlijke instantie is die door de wetgever is aangewezen om in geschillen over het jaarrekeningenrecht te oordelen, ziet de rechtbank evenmin reden om de beschikking van de Ondernemingskamer als nieuw gebleken feit aan te merken.
Is het evident onredelijk om het last- en publicatiebesluit niet te herzien?
10. Uit rechtspraak van bestuursrechters blijkt dat de weigering van een bestuursorgaan om van een eerder besluit terug te komen evident onredelijk is als uit een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of minimaal onderzoek blijkt dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, of als uit bijzondere feiten of omstandigheden blijkt dat het bestuursorgaan in een specifiek geval minder belang aan de rechtszekerheid had moeten toekennen dan aan het (financiële) belang van de betrokkene.
11. De rechtbank oordeelt als volgt. In de beschikking neemt de Ondernemingskamer een ander standpunt in dan de AFM over een cruciaal onderdeel van de overtredingen waarop het last- en publicatiebesluit hoofdzakelijk is gebaseerd. De Ondernemingskamer oordeelt namelijk dat de [buitenlandse] belangen in de jaarrekening 2021 participaties zijn, die op basis van de actuele waarde moeten worden gewaardeerd. De Ondernemingskamer komt tot dit oordeel, omdat er bij de [buitenlandse] belangen van begin af aan een exit-strategie is geweest. Uit de beschikking van de Ondernemingskamer blijkt dat zij zich bij het wijzen van deze beschikking ten volle bewust was van het feit dat de rechtbank en het CBb eerder anders hadden geoordeeld over de kwalificatie van deze belangen. Het oordeel van de Ondernemingskamer kan niet anders dan tot de conclusie leiden dat de [buitenlandse] belangen ook in de periode waarover het last- en publicatiebesluit gaat (de jaarrekeningen 2017 en 2018), als participaties moeten worden aangemerkt. Uit niets blijkt immers dat de aard van deze belangen tussen 2017 en 2021 is gewijzigd en de AFM stelt dat ook niet. Dit betekent dat de in het last- en publicatiebesluit vastgestelde overtredingen, voor zover die zijn gebaseerd op de kwalificatie van de [buitenlandse] belangen als deelnemingen in plaats van participaties, geen stand kunnen houden. Onder deze omstandigheden is de weigering van de AFM om van het last- en publicatiebesluit terug te komen evident onredelijk.
12. De stelling van de AFM dat de Ondernemingskamer zich terughoudend (lijdelijk) heeft opgesteld ten opzichte van het verzoek, misschien ook omdat er in de betreffende procedure geen partijen waren die een ander standpunt innamen, leidt niet tot een andere conclusie. Anders dan de AFM ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de Ondernemingskamer de kwalificatie en waardering van de [buitenlandse] belangen niet ten volle heeft beoordeeld. De Ondernemingskamer leidt zijn beschikking in met de samenvatting dat de zaak in het bijzonder gaat over de kwalificatie en de waardering van de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 en dat aan de Ondernemingskamer is gevraagd te bevestigen dat deze belangen participaties zijn.Op deze vraag reageert de Ondernemingskamer vervolgens ondubbelzinnig met het gemotiveerde oordeel dat de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 participaties zijn, omdat er bij deze belangen van begin af aan een exit-strategie bestond en nog steeds bestaat en dat deze belangen daarom niet duurzaam worden gehouden.Daarna oordeelt Ondernemingskamer dat de actuele waarde de juiste waarderingsgrondslag voor de [buitenlandse] belangen is.
13. De stellingen van de AFM dat in de bestuursrechtelijke procedure en bij de Ondernemingskamer andere rechtsvragen, geschillen of subsidiaire standpunten speelden, andere juridische kaders van toepassing waren of andere feiten, omstandigheden en stukken zijn meegewogen en dat de AFM in de procedure bij de Ondernemingskamer geen partij was – waartoe de Ondernemingskamer haar overigens wel in de gelegenheid heeft gesteld – leiden niet tot een andere conclusie. Van belang is hoe de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 op grond van het jaarrekeningrecht moeten worden gekwalificeerd en gewaardeerd. Deze vraag lag in de bestuursrechtelijke procedure voor, omdat de AFM de overtreding uit het last- en publicatiebesluit grotendeels op haar standpunt heeft gebaseerd dat de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 geen participaties zijn. Deze vraag lag eveneens in de procedure bij de Ondernemingskamer voor, zoals de rechtbank in overweging 12 al heeft vastgesteld. De AFM en de Ondernemingskamer hebben deze vraag vervolgens beantwoord aan de hand van hetzelfde relevante juridisch kader van artikel 2:24c van het Burgerlijk Wetboek en onder andere hetzelfde stuk “Memorandum [eiseres 1] Bond 11 +Bond [land] ” van mei 2014. In zoverre zijn de rechtsvraag, het geschilpunt, het juridische kader en de feiten, omstandigheden en stukken dus niet anders, maar is alleen de uitkomst van de beoordeling anders. Eventuele andere rechtsvragen, geschillen, subsidiaire standpunten, juridische kaders, feiten, omstandigheden, stukken of partijen hebben daar geen invloed op, althans dat heeft de AFM niet nader onderbouwd.
14. Verder leidt de verwijzing van de AFM naar de uitspraken van het CBb van 11 juli 2023en van de AbRvS van 7 juni 2017en 1 november 2017, niet tot een andere conclusie. Uit deze uitspraken blijkt namelijk alleen dat bestuursrechters een rechterlijke uitspraak niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid aanmerken. De rechtbank leest in deze uitspraken geen algemene lijn dat rechterlijke uitspraken in het kader van de evidente onredelijkheid nooit als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid kunnen worden aangemerkt. Het enkele feit dat in deze uitspraken geen bijzondere feiten of omstandigheden door partijen zijn gesteld of door de rechter zijn aangenomen, maakt dat niet anders.
15. Daarnaast gaat de vergelijking van de AFM met de uitspraak van de CRvB van 25 februari 2020niet op. De CRvB oordeelde in de door de AFM aangehaalde passage uit die uitspraak alleen dat als in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt dan in een bestuursrechtelijke procedure, een besluit kan worden gehandhaafd zonder de juistheid van de strafrechtelijke vrijspraak in twijfel te trekken. Deze passage ziet dus op de onschuldpresumptie. Zoals de rechtbank in overweging 9.2 echter al heeft uitgelegd, is de beschikking van de Ondernemingskamer geen strafrechtelijke uitspraak en zijn het last- en publicatiebesluit ook geen bestraffende besluiten waarvoor de onschuldpresumptie geldt.
16. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de Ondernemingskamer geen andere conclusie toelaat dan dat de waardering van de [buitenlandse] belangen in de jaarrekeningen 2017 en 2018 van eiseres 2 juist is. Omdat het last- en publicatiebesluit grotendeels zijn gebaseerd op het onjuist gebleken standpunt van de AFM over de kwalificatie en waardering van die belangen, heeft de AFM niet in redelijkheid kunnen weigeren het herzieningsverzoek inhoudelijk te beoordelen en het last- en publicatiebesluit te herzien. Dit betekent dat er een gebrek aan het bestreden besluit I kleeft. De rechtbank zal de AFM de gelegenheid bieden om dit gebrek te herstellen. De rechtbank legt dit onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’ uit.
17. Het verwijderingsverzoek van eiseressen ziet op het verwijderen van het persbericht van de website van de AFM waarmee het lastbesluit openbaar is gemaakt. Het herstel van het gebrek in het bestreden besluit I heeft directe gevolgen voor dat persbericht, omdat dat herstel ertoe zal moeten leiden dat het persbericht wordt aangepast of verwijderd. Daarmee zou alsnog aan het verwijderingsverzoek van eiseressen tegemoet worden gekomen.