ECLI:NL:RBROT:2026:185

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
ROT 24/3270 en ROT 25/7226
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over herziening last- en publicatiebesluit door de AFM

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 15 januari 2026, wordt het verzoek van eiseressen om herziening van een last- en publicatiebesluit van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) behandeld. De AFM had eerder een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres 1 wegens overtreding van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) en had besloten om dit besluit openbaar te maken. Eiseressen, bestaande uit eiseres 1 en eiseres 2, hebben de AFM verzocht om dit besluit te herzien, maar de AFM heeft dit verzoek afgewezen, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.

Eiseressen zijn het niet eens met deze afwijzing en voeren aan dat de AFM hen had toegezegd het verzoek inhoudelijk te behandelen. De rechtbank oordeelt dat de AFM niet heeft toegezegd het besluit in volle omvang te heroverwegen en dat de beschikking van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. Echter, de rechtbank komt tot de conclusie dat het evident onredelijk is dat de AFM het last- en publicatiebesluit niet heeft herzien, gezien de beschikking van de Ondernemingskamer die een andere kwalificatie van de betrokken belangen hanteert. De rechtbank biedt de AFM de gelegenheid om het gebrek in de besluitvorming te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/3270 en ROT 25/7226

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaken tussen

[eiseres 1] (voorheen: [eiseres 1] ),gevestigd in [plaats] , eiseres 1,

en
[eiseres 2], gevestigd in [plaats] , eiseres 2,
hierna samen: eiseressen
(gemachtigden: mr. G.P. Roth en mr. L.B.G. Hillen),
en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, de AFM

(gemachtigden: mr. A.J. de Heer en mr. M.L. Batting).

Samenvatting

1.1.
Deze tussenuitspraak gaat over het verzoek van eiseressen om een last- en publicatiebesluit te herzien. De AFM heeft dit verzoek afgewezen. Volgens de AFM zijn er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden en is het niet evident onredelijk om het last- en publicatiebesluit niet te herzien.
1.2.
Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van hun herzieningsverzoek en voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Volgens eiseressen heeft de AFM toegezegd dat hun herzieningsverzoek inhoudelijk zou worden behandeld. Ook is de beschikking van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) volgens eiseressen een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Verder is het volgens hen evident onredelijk om het last- en publicatiebesluit niet te herzien, omdat uit de beschikking van de Ondernemingskamer blijkt dat het lastbesluit onmiskenbaar onjuist is en omdat hun belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de rechtszekerheid. Daarnaast stellen eiseressen dat de AFM niet alle stukken heeft ingediend die op de zaken betrekking hebben.
1.3.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de AFM niet heeft toegezegd het last- en publicatiebesluit in volle omvang te heroverwegen en dat de beschikking van de Ondernemingskamer geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. De rechtbank acht het echter evident onredelijk dat de AFM het last- en publicatiebesluit ondanks de beschikking van de Ondernemingskamer niet heeft herzien. De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt de AFM in de gelegenheid om dit gebrek in de besluitvorming te herstellen.
1.4.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De wet- en regelgeving en de rechtspraak waarnaar de rechtbank in deze uitspraak verwijst, zijn op de websites wetten.overheid.nl en www.rechtspraak.nl te vinden.
Procesverloop
2.1.
Bij besluit van 7 december 2020 heeft de AFM eiseres 1 een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) en besloten om het lastbesluit met een persbericht openbaar te maken (het last- en publicatiebesluit). Eiseressen hebben de AFM op 23 augustus 2023 verzocht het last- en publicatiebesluit te herzien. De AFM heeft dit verzoek bij besluit van 17 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit I van 20 februari 2024 op het bezwaar van eiseressen tegen dit besluit is de AFM bij de afwijzing van het herzieningsverzoek gebleven.
2.2.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit is zaak ROT 24/3270.
2.3.
Eiseressen hebben op 29 juli 2025 de AFM verzocht een besluit te nemen dat ertoe strekt dat de AFM de publicatie van het lastbesluit met het persbericht feitelijk van haar website verwijdert. De AFM heeft dit verzoek met het bestreden besluit II van 11 september 2025 afgewezen.
2.4.
Met instemming van de AFM hebben eiseressen tegen het bestreden besluit II rechtstreeks beroep ingesteld. Dit betekent dat partijen de bezwaarfase hebben overgeslagen. Dit is zaak ROT 25/7226.
2.5.
Op het beroep tegen het bestreden besluit I heeft de AFM met een verweerschrift gereageerd en op het rechtstreekse beroep tegen het bestreden besluit II heeft de AFM tijdens de zitting mondeling gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft beide beroepen op 25 september 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
  • namens eiseressen: hun gemachtigden samen met [persoon 1] , [persoon 2] en drie toehoorders;
  • namens de AFM: haar gemachtigden samen met twee toehoorders.
2.7.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, omdat partijen in overleg zijn gegaan over de mogelijkheid om hun geschil met elkaar op te lossen. Nadat partijen de rechtbank hadden bericht dat dit hen niet is gelukt, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3.1.
Eiseres 1 is een financiële holding en is enig bestuurder en aandeelhouder van eiseres 2. Eiseres 2 bezit belangen in twee [buitenlandse] vastgoedondernemingen: [onderneming 1] en [onderneming 2] (de [buitenlandse] belangen).
3.2.
Volgens de AFM heeft eiseres 1 een overtreding van de Whc begaan door zich aan misleidende handelspraktijken schuldig te maken, onder andere omdat eiseres 2 door het gebruik van een onjuiste waarderingsgrondslag de [buitenlandse] belangen in de jaarrekeningen 2017 en 2018 te hoog heeft gewaardeerd. Volgens de AFM zijn deze belangen geen participaties, die op basis van de (reële/actuele) marktwaarde moeten worden gewaardeerd, maar zijn deze belangen deelnemingen met invloed van betekenis, die op basis van de nettovermogenswaarde moeten worden gewaardeerd. De AFM heeft mede daarom op 7 december 2020 het last- en publicatiebesluit genomen.
3.3.
Deze rechtbank en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) waren het in hun uitspraken over het last- en publicatiebesluit met de AFM eens dat de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 in de jaarrekening 2017 en 2018 deelnemingen met invloed van betekenis zijn, die op basis van de nettovermogenswaarde moeten worden gewaardeerd. [1]
3.4.
Eiseres 1 heeft de Ondernemingskamer vervolgens verzocht eiseres 2 te bevelen de jaarrekening 2021 te herzien. Ook wilde eiseres 1 dat de Ondernemingskamer bevestigde dat de [buitenlandse] belangen in de jaarrekening 2021 terecht als participaties zijn gekwalificeerd. De Ondernemingskamer is tot de conclusie gekomen dat de [buitenlandse] belangen in de jaarrekening 2021 terecht als participaties zijn gekwalificeerd en dat de actuele waarde de juiste waarderingsgrondslag is. [2]
3.5.
Na de beschikking van de Ondernemingskamer hebben eiseressen op 23 augustus 2023 de AFM verzocht het persbericht over het lastbesluit te verwijderen van haar website of dit persbericht aan te passen. Dit verzoek heeft de AFM aangemerkt als een verzoek om het last- en publicatiebesluit te herzien (herzieningsverzoek). Vervolgens heeft zij het herzieningsverzoek afgewezen.
3.6.
Op 29 juli 2025 hebben eiseressen de AFM verzocht om het persbericht met het lastbesluit feitelijk van de website te verwijderen (hierna ook: het verwijderingsverzoek). Dit verzoek heeft de AFM als een herhaald herzieningsverzoek aangemerkt en afgewezen.
4. De rechtbank bespreekt hierna eerst het bestreden besluit I over het herzieningsverzoek (ROT 24/3270) en daarna het bestreden besluit II over het verzoek tot verwijdering van het persbericht (ROT 25/7226).
ROT 24/3270
Standpunt van de AFM
5. In het bestreden besluit I heeft de AFM het standpunt ingenomen dat zij het herzieningsverzoek terecht op vereenvoudigde wijze heeft afgedaan. Zo is de beschikking van de Ondernemingskamer geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid en is die beschikking evenmin op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gebaseerd. Ook is het niet evident onredelijk om het last- en publicatiebesluit niet te herzien, omdat de beschikking van de Ondernemingskamer niet over dezelfde rechtsvragen, feiten en omstandigheden gaat als het last- en publicatiebesluit en de procedures die daarover zijn gevoerd. Verder wegen de belangen van eiseressen bij herziening volgens de AFM niet zwaarder dan de belangen van de rechtszekerheid, het waarschuwen van het publiek en het kennis kunnen nemen van het handhavend optreden door de AFM.
Toetsingskader
6.1.
Als een verzoek wordt gedaan om van een in rechte vaststaand besluit terug te komen (een herzieningsverzoek), heeft het bestuursorgaan twee opties om op dat verzoek te reageren: de vereenvoudigde afdoening op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of een heroverweging in volle omvang.
6.2.
Bij vereenvoudigde afdoening beoordeelt het bestuursorgaan of aan het verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Is dat niet het geval, dan kan het bestuursorgaan het verzoek in beginsel afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. Als het bestuursorgaan ervoor heeft gekozen om een herzieningsverzoek vereenvoudigd af te doen, toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Dit toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en een eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid. Als het besluit deze toets doorstaat, kan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van het herzieningsverzoek in beginsel dragen. Dit is alleen anders als het evident onredelijk is om niet van het oorspronkelijke besluit terug te komen.
6.3.
Een bestuursorgaan is altijd bevoegd om een herzieningsverzoek inhoudelijk te behandelen, ook als aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Het bestuursorgaan zal het oorspronkelijk besluit dan in volle omvang heroverwegen en wijst het verzoek vervolgens toe of af. De bestuursrechter toetst de uitkomst van deze heroverweging op basis van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
6.4.
Dit toetsingskader wordt breed door bestuursrechters gebruikt. [3]
Heeft de AFM toegezegd om het herzieningsverzoek in volle omvang te heroverwegen?
7.1.
Eiseressen betogen dat de AFM tijdens het gesprek van 13 september 2023 over het verzoek om herziening (het herzieningsgesprek) heeft toegezegd dat zij op basis van het herzieningsverzoek het last- en publicatiebesluit volledig zou heroverwegen en dus niet vereenvoudigd zou afdoen. Deze toezegging blijkt volgens eiseressen uit de uitlating van de AFM dat – samengevat weergegeven – de AFM bij de beoordeling van het herzieningsverzoek met behulp van accountants met een fris paar ogen integraal zal ingaan op de kasstromen, de hoogte van de waardering van de [buitenlandse] belangen en de kwalificatie van deze belangen als deelneming of participatie, waarbij de beschikking van Ondernemingskamer wordt betrokken. Volgens eiseressen gaat het hier om een weloverwogen uitlating van een vertegenwoordiger van de AFM, [persoon 3] ( [persoon 3] ), die is gedaan nadat de AFM tijdens een schorsing van het herzieningsgesprek over de inhoud van deze uitlating heeft overlegd.
7.2.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat een betrokkene uit een toezegging, uitlating of gedraging van het bestuursorgaan in redelijkheid kan afleiden hoe dat bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zal uitoefenen. [4] In deze zaak is dat naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.
7.3.
Zo blijkt uit de door partijen apart van elkaar opgestelde verslagen van het herzieningsgesprek dat de AFM de door eiseressen bedoelde uitlating heeft gedaan nadat eiseressen de AFM hebben gevraagd om haar ‘voorlopige gedachten’ over het te nemen besluit met hen te delen. Daarbij wordt in het verslag van eiseressen ook gesproken over een “uitwisseling van gedachten” en over een “gedachtewisseling”.
7.4.
[persoon 3] is zijn reactie op het verzoek om ‘voorlopige gedachten’ begonnen met de opmerking dat de AFM tijdens de schorsing van het herzieningsgesprek heeft besproken wat zij kan zeggen zonder op de uitkomst van het herzieningsverzoek te worden vastgepind. [persoon 3] heeft volgens het verslag verder aangegeven dat het herzieningsgesprek het voorportaal is en dat een fris paar ogen naar het herzieningsverzoek zal kijken. Ook heeft [persoon 3] verklaard dat hij niet weet wat er zal worden besloten. Deze reactie van [persoon 3] bevat naar het oordeel van de rechtbank geen onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging dat de AFM het herzieningsverzoek niet vereenvoudigd zal afdoen. Dat de AFM intern overleg heeft gevoerd voordat zij op het verzoek om voorlopige gedachten heeft gereageerd, maakt dat niet anders.
7.5.
Verder hadden eiseressen ermee bekend kunnen en moeten zijn dat het herzieningsgesprek in de context van een beoordeling in het kader van artikel 4:6 van de Awb plaatsvond. Uit beide verslagen van dit gesprek blijkt dat tijdens het gesprek de context van artikel 4:6 van de Awb door de AFM is benoemd. Deze context blijkt ook uit de brief van de AFM van 28 augustus 2023, waarmee eiseressen voor het herzieningsgesprek zijn uitgenodigd. Zo heeft de AFM in deze brief het verzoek van eiseressen als herzieningsverzoek aangemerkt en heeft zij eiseressen de gelegenheid geboden toe te lichten waarom er volgens hen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Hierbij vraagt de AFM eiseressen nadrukkelijk om de beschikking van de Ondernemingskamer in het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb te plaatsen.
7.6.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseressen uit de uitlatingen van de AFM tijdens het herzieningsgesprek niet hebben kunnen afleiden dat de AFM het last- en publicatiebesluit in volle omvang zou heroverwegen. Dat de AFM in haar brief van 28 augustus 2023 inhoudelijke vragen aan eiseressen heeft gesteld, waaronder een vraag over de betekenis van de beschikking van de Ondernemingskamer voor het last- en publicatiebesluit en specifiek voor de kwalificatie en de waardering van de [buitenlandse] belangen, maakt dat niet anders. De AFM heeft daarmee niet toegezegd dat zij het last- en publicatiebesluit in volle omvang zou heroverwegen.
7.7.
Het beroep van eiseressen op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Verzoek van eiseressen om aanvullende stukken
8.1.
Eiseressen hebben de rechtbank verzocht om de AFM te verzoeken aanvullende stukken in te dienen die volgens hen op de zaken betrekking hebben. Tijdens de zitting bij de rechtbank is gebleken dat het eiseressen gaat om stukken waaruit blijkt dat de AFM na het herzieningsgesprek van koers is veranderd en van een heroverweging in volle omvang naar een vereenvoudigde afdoening is gegaan. Eiseressen doelen daarbij op interne verslagen, memo’s, logboeken en notulen van bestuursvergadering van de AFM.
8.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om nadere stukken op te vragen bij de AFM. Het verzoek daartoe van eiseressen is gebaseerd op het standpunt dat de AFM tijdens het herzieningsgesprek een volledige heroverweging van het last- en publicatiebesluit heeft toegezegd, maar later een andere koers is gaan varen. Hiervoor heeft de rechtbank onder 7.3 tot en met 7.6 echter geoordeeld dat van een dergelijke toezegging geen sprake is geweest. Overigens heeft de AFM ook steeds ontkend dat zij van koers is veranderd en ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat dit anders zou kunnen zijn.
Zijn er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?
9.1.
Het vaste uitgangspunt van bestuursrechters is dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. [5] De rechtbank legt hieronder uit waarom de door eiseressen aangevoerde gronden er niet toe leiden dat de rechtbank ten aanzien van de beschikking van de Ondernemingskamer van dit vaste uitgangspunt afwijkt.
9.2.
De door eiseressen genoemde uitzondering op het zojuist vermelde uitgangspunt die in de uitspraken van de CRvB van 7 augustus 2018 [6] , 25 februari 2020 [7] en 13 april 2023 [8] is gemaakt, is niet op de situatie van eiseressen van toepassing. De CRvB maakte in deze uitspraken een uitzondering voor strafrechtelijke uitspraken. De beschikking van de Ondernemingskamer is geen strafrechtelijke uitspraak en het last- en publicatiebesluit zijn ook geen bestraffende besluiten waarvoor de onschuldpresumptie geldt.
9.3.
In de door eiseressen genoemde uitspraak van de CRvB van 10 augustus 2006 [9] ziet de rechtbank evenmin reden om het in 9.1 bedoelde vaste uitgangspunt in deze zaak niet te hanteren. Weliswaar heeft de CRvB in deze uitspraak een eigen niet-strafrechtelijke uitspraak als nieuw gebleken feit aangemerkt, maar in latere rechtspraak hanteert de CRvB weer het vaste uitgangspunt dat een uitspraak van een rechtelijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. [10]
9.4.
Ook in de door eiseressen genoemde uitspraak van het CBb van 14 juni 2022 [11] ziet de rechtbank geen reden om het vaste uitgangspunt los te laten. Uit de door eiseressen bedoelde passage blijkt alleen dat het CBb in die specifieke zaak geen reden zag om te oordelen dat er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd, waaronder een rechterlijke uitspraak. Uit deze passage blijkt geen algemene lijn wanneer van het vaste uitgangspunt kan worden afgeweken.
9.5.
Daarnaast ziet de rechtbank in de door eiseressen genoemde uitspraak van de CRvB van 15 januari 2019 [12] evenmin reden om het vaste uitgangspunt los te laten. De enkele omstandigheid dat het bestuursorgaan in die zaak een rechtelijke uitspraak als nieuw gebleken feit heeft aangemerkt, zonder dat overigens uit de uitspraak van de CRvB blijkt waarom, betekent niet dat de AFM dat ook bij de beschikking van de Ondernemingskamer had moeten doen.
9.6.
In de stellingen van eiseressen dat de beschikking van de Ondernemingskamer en het last- en publicatiebesluit over dezelfde feiten, partijen en rechtsvraag gaan en dat de Ondernemingskamer de rechterlijke instantie is die door de wetgever is aangewezen om in geschillen over het jaarrekeningenrecht te oordelen, ziet de rechtbank evenmin reden om de beschikking van de Ondernemingskamer als nieuw gebleken feit aan te merken.
Is het evident onredelijk om het last- en publicatiebesluit niet te herzien?
10. Uit rechtspraak van bestuursrechters blijkt dat de weigering van een bestuursorgaan om van een eerder besluit terug te komen evident onredelijk is als uit een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of minimaal onderzoek blijkt dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, of als uit bijzondere feiten of omstandigheden blijkt dat het bestuursorgaan in een specifiek geval minder belang aan de rechtszekerheid had moeten toekennen dan aan het (financiële) belang van de betrokkene. [13]
11. De rechtbank oordeelt als volgt. In de beschikking neemt de Ondernemingskamer een ander standpunt in dan de AFM over een cruciaal onderdeel van de overtredingen waarop het last- en publicatiebesluit hoofdzakelijk is gebaseerd. De Ondernemingskamer oordeelt namelijk dat de [buitenlandse] belangen in de jaarrekening 2021 participaties zijn, die op basis van de actuele waarde moeten worden gewaardeerd. De Ondernemingskamer komt tot dit oordeel, omdat er bij de [buitenlandse] belangen van begin af aan een exit-strategie is geweest. Uit de beschikking van de Ondernemingskamer blijkt dat zij zich bij het wijzen van deze beschikking ten volle bewust was van het feit dat de rechtbank en het CBb eerder anders hadden geoordeeld over de kwalificatie van deze belangen. Het oordeel van de Ondernemingskamer kan niet anders dan tot de conclusie leiden dat de [buitenlandse] belangen ook in de periode waarover het last- en publicatiebesluit gaat (de jaarrekeningen 2017 en 2018), als participaties moeten worden aangemerkt. Uit niets blijkt immers dat de aard van deze belangen tussen 2017 en 2021 is gewijzigd en de AFM stelt dat ook niet. Dit betekent dat de in het last- en publicatiebesluit vastgestelde overtredingen, voor zover die zijn gebaseerd op de kwalificatie van de [buitenlandse] belangen als deelnemingen in plaats van participaties, geen stand kunnen houden. Onder deze omstandigheden is de weigering van de AFM om van het last- en publicatiebesluit terug te komen evident onredelijk.
12. De stelling van de AFM dat de Ondernemingskamer zich terughoudend (lijdelijk) heeft opgesteld ten opzichte van het verzoek, misschien ook omdat er in de betreffende procedure geen partijen waren die een ander standpunt innamen, leidt niet tot een andere conclusie. Anders dan de AFM ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de Ondernemingskamer de kwalificatie en waardering van de [buitenlandse] belangen niet ten volle heeft beoordeeld. De Ondernemingskamer leidt zijn beschikking in met de samenvatting dat de zaak in het bijzonder gaat over de kwalificatie en de waardering van de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 en dat aan de Ondernemingskamer is gevraagd te bevestigen dat deze belangen participaties zijn. [14] Op deze vraag reageert de Ondernemingskamer vervolgens ondubbelzinnig met het gemotiveerde oordeel dat de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 participaties zijn, omdat er bij deze belangen van begin af aan een exit-strategie bestond en nog steeds bestaat en dat deze belangen daarom niet duurzaam worden gehouden. [15] Daarna oordeelt Ondernemingskamer dat de actuele waarde de juiste waarderingsgrondslag voor de [buitenlandse] belangen is. [16]
13. De stellingen van de AFM dat in de bestuursrechtelijke procedure en bij de Ondernemingskamer andere rechtsvragen, geschillen of subsidiaire standpunten speelden, andere juridische kaders van toepassing waren of andere feiten, omstandigheden en stukken zijn meegewogen en dat de AFM in de procedure bij de Ondernemingskamer geen partij was – waartoe de Ondernemingskamer haar overigens wel in de gelegenheid heeft gesteld – leiden niet tot een andere conclusie. Van belang is hoe de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 op grond van het jaarrekeningrecht moeten worden gekwalificeerd en gewaardeerd. Deze vraag lag in de bestuursrechtelijke procedure voor, omdat de AFM de overtreding uit het last- en publicatiebesluit grotendeels op haar standpunt heeft gebaseerd dat de [buitenlandse] belangen van eiseres 2 geen participaties zijn. Deze vraag lag eveneens in de procedure bij de Ondernemingskamer voor, zoals de rechtbank in overweging 12 al heeft vastgesteld. De AFM en de Ondernemingskamer hebben deze vraag vervolgens beantwoord aan de hand van hetzelfde relevante juridisch kader van artikel 2:24c van het Burgerlijk Wetboek en onder andere hetzelfde stuk “Memorandum [eiseres 1] Bond 11 +Bond [land] ” van mei 2014. In zoverre zijn de rechtsvraag, het geschilpunt, het juridische kader en de feiten, omstandigheden en stukken dus niet anders, maar is alleen de uitkomst van de beoordeling anders. Eventuele andere rechtsvragen, geschillen, subsidiaire standpunten, juridische kaders, feiten, omstandigheden, stukken of partijen hebben daar geen invloed op, althans dat heeft de AFM niet nader onderbouwd.
14. Verder leidt de verwijzing van de AFM naar de uitspraken van het CBb van 11 juli 2023 [17] en van de AbRvS van 7 juni 2017 [18] en 1 november 2017 [19] , niet tot een andere conclusie. Uit deze uitspraken blijkt namelijk alleen dat bestuursrechters een rechterlijke uitspraak niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid aanmerken. De rechtbank leest in deze uitspraken geen algemene lijn dat rechterlijke uitspraken in het kader van de evidente onredelijkheid nooit als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid kunnen worden aangemerkt. Het enkele feit dat in deze uitspraken geen bijzondere feiten of omstandigheden door partijen zijn gesteld of door de rechter zijn aangenomen, maakt dat niet anders.
15. Daarnaast gaat de vergelijking van de AFM met de uitspraak van de CRvB van 25 februari 2020 [20] niet op. De CRvB oordeelde in de door de AFM aangehaalde passage uit die uitspraak alleen dat als in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt dan in een bestuursrechtelijke procedure, een besluit kan worden gehandhaafd zonder de juistheid van de strafrechtelijke vrijspraak in twijfel te trekken. Deze passage ziet dus op de onschuldpresumptie. Zoals de rechtbank in overweging 9.2 echter al heeft uitgelegd, is de beschikking van de Ondernemingskamer geen strafrechtelijke uitspraak en zijn het last- en publicatiebesluit ook geen bestraffende besluiten waarvoor de onschuldpresumptie geldt.
Conclusie
16. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de Ondernemingskamer geen andere conclusie toelaat dan dat de waardering van de [buitenlandse] belangen in de jaarrekeningen 2017 en 2018 van eiseres 2 juist is. Omdat het last- en publicatiebesluit grotendeels zijn gebaseerd op het onjuist gebleken standpunt van de AFM over de kwalificatie en waardering van die belangen, heeft de AFM niet in redelijkheid kunnen weigeren het herzieningsverzoek inhoudelijk te beoordelen en het last- en publicatiebesluit te herzien. Dit betekent dat er een gebrek aan het bestreden besluit I kleeft. De rechtbank zal de AFM de gelegenheid bieden om dit gebrek te herstellen. De rechtbank legt dit onder het kopje ‘Conclusie en gevolgen’ uit.
ROT 25/7226
Verwijderingsverzoek
17. Het verwijderingsverzoek van eiseressen ziet op het verwijderen van het persbericht van de website van de AFM waarmee het lastbesluit openbaar is gemaakt. Het herstel van het gebrek in het bestreden besluit I heeft directe gevolgen voor dat persbericht, omdat dat herstel ertoe zal moeten leiden dat het persbericht wordt aangepast of verwijderd. Daarmee zou alsnog aan het verwijderingsverzoek van eiseressen tegemoet worden gekomen.

Conclusie en gevolgen

18.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de AFM in de gelegenheid te stellen het gebrek in de bestreden besluiten I en II te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend door het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit I. Vervolgens zal de AFM ook het bestreden besluit II moeten herzien. Bij dit alles ligt het in de rede dat de AFM eiseressen opnieuw hoort, tenzij zij volledig aan het bezwaar van eiseressen tegemoet zou komen. De rechtbank weegt deze hoorplicht mee bij het bepalen van de termijn waarbinnen de AFM het gebrek kan herstellen. Zij bepaalt deze termijn op zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak.
18.2.
De AFM moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak, aan de rechtbank meedelen of zij gebruikmaakt van de gelegenheid om het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen. Als de AFM van die gelegenheid gebruikmaakt, zal de rechtbank eiseressen in de gelegenheid stellen binnen vier weken op de herstelpoging van de AFM te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat de AFM de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting een einduitspraak doen op de beroepen.
18.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op de beroepen. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • heropent het onderzoek;
  • draagt de AFM op om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mee te delen of zij gebruikmaakt van de gelegenheid om het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen;
  • stelt de AFM in de gelegenheid om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. R.J.P. Ferwerda en
mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr.P.F.H.M. Terstegge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 3 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1561; CBb 31 januari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:43.
2.Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) [datum] , [ECLI-nummer] .
3.Zij bijvoorbeeld: CBb 15 april 2025, ECLI:NL:CBB:2025:260, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1814, en Centrale Raad van Beroep (CRvB) 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1476.
4.Zie bijvoorbeeld: CBb 14 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:6.
5.Zie bijvoorbeeld: CRvB 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1936, AbRvS 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:908, en CBb 4 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:71.
6.CRvB 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1449.
7.CRvB 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:524.
8.CRvB 13 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:685.
9.CRvB 10 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6558.
10.Zie bijvoorbeeld: CRvB 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1936.
11.CBb 14 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:301.
12.CRvB 15 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:627.
13.Zie bijvoorbeeld: CRvB 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:835 en CBb 15 april 2025, ECLI:NL:CBB:2025:260.
14.Gerechtshof Amsterdam (OK) [datum] , [ECLI-nummer] , r.o. 2.1.
15.Gerechtshof Amsterdam (OK) [datum] , [ECLI-nummer] , r.o. 3.7.
16.Gerechtshof Amsterdam (OK) [datum] , [ECLI-nummer] , r.o. 3.8.
17.CBb 11 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:350.
18.AbRvS 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1507.
19.AbRvS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:296.
20.CRvB 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:524.