Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4447

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 24/7111
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 AwbArt. 10:3 AwbArt. 10:4 AwbArt. 8.8 WooArt. 40 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Woo-verzoek wegens toepasselijkheid bijzondere openbaarmakingsregeling Wet WOZ

Eiseres heeft een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) om documenten te verkrijgen over de waardebepaling van haar woning. De heffingsambtenaar heeft dit verzoek afgewezen omdat de Wet WOZ een eigen, uitputtende openbaarmakingsregeling kent die voorrang heeft op de Woo. Eiseres stelde dat het besluit onbevoegd was genomen en dat de gevraagde documenten onder de Woo vielen.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen het besluit door een andere persoon is behandeld dan degene die het primaire besluit nam, zoals vereist in artikel 10:3, derde lid, Awb. De rechtbank bevestigt dat de Wet WOZ sinds 12 februari 2025 expliciet is toegevoegd aan de bijlage van de Woo, waardoor het bijzondere regime van de Wet WOZ voorgaat. De openbaarmakingsregeling van de Wet WOZ is uitputtend en beperkt de beschikbaarheid van taxatieverslagen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van het Woo-verzoek. Wel veroordeelt zij de heffingsambtenaar tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten, omdat de heffingsambtenaar onvoldoende tijdig op de beroepsgrond heeft gereageerd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het Woo-verzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/7111

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),
en
de heffingsambtenaar van Zwijndrecht, namens deze Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een Woo [1] -verzoek van eiseres. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiseres buiten de reikwijdte van de Woo valt. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 12 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het Woo-verzoek van eiseres afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de heffingsambtenaar bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
2.2.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend [2] en de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om een schriftelijke toelichting te geven over de toepasselijke mandaatregeling. De heffingsambtenaar heeft op 20 januari 2026 een schriftelijke reactie ingediend. Eiseres heeft hierop op 10 februari 2026 een schriftelijke reactie gegeven.
2.3.
Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank op 1 april 2026 het onderzoek gesloten. [3]
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er gebeurd?
3. Met een besluit op bezwaar van 22 januari 2024 heeft de heffingsambtenaar een besluit genomen over de waarde van de woning van eiseres aan de [adres] in Heerjansdam, op grond van de Wet WOZ [4] . De WOZ-waarde is voor het tijdvak 2023, waardepeildatum 1 januari 2022, gewijzigd van € 367.000,- naar € 257.000,-. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres een ambtshalve verzoek gedaan tot herziening van eerder afgegeven WOZ-beschikkingen over haar woning (over de belastingjaren 2018 tot en met 2022). De heffingsambtenaar heeft eiseres op 14 februari 2024 schriftelijk laten weten dat de waarden over de gevraagde jaren de 20%-norm niet overschrijden. Een aanpassing is daarom niet aan de orde. Eiseres heeft vervolgens op 16 februari 2024 het volgende verzoek (onder verwijzing naar de Woo) ingediend en verzocht om verstrekking van:
“- Correspondentie in zowel papieren als digitale vorm tussen behandelende ambtenaren in relatie tot de totstandkoming van de ambtshalve beschikking;
- De in het kader van de behandeling van de ambtshalve genomen beschikking uitgevoerde taxaties en waardegegevens voor diens woning voor de belastingjaren 2022, 2021, 2020, 2019 en 2018.”
4. In het primaire besluit, wat in het bestreden besluit in stand is gebleven, heeft de heffingsambtenaar het Woo-verzoek van eiseres afgewezen. Volgens de heffingsambtenaar valt het verzoek van eiseres niet onder de reikwijdte van de Woo. De Wet WOZ bevat een eigen systematiek voor het openbaar maken van waardegegevens van woningen en niet-woningen. De taxatieverslagen kunnen daarom niet openbaar worden gemaakt. Bij de heffingsambtenaar zijn gelet op de bewaartermijnen de verslagen van de belastingjaren 2021 en 2022 nog beschikbaar en die zijn naar eiseres verstuurd. Ten aanzien van de correspondentie heeft de heffingsambtenaar laten weten dat die er niet is.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het Woo-verzoek van eiseres terecht heeft afgewezen, aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiseres betoogt ten eerste, kort gezegd, dat het bestreden besluit onbevoegdelijk is genomen, nu in het primaire en bestreden besluit door dezelfde persoon zijn afgewikkeld. Dit is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb.
7. In artikel 10:3, derde lid, van de Awb [5] is bepaald dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldige heroverweging van het aldus genomen primaire besluit plaatsvindt. Het komt erop neer dat de beslissing op bezwaar door een andere persoon wordt genomen dan de persoon die het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen. [6]
8. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft na de zitting, in de schriftelijke reactie van 20 januari 2026, uiteengezet dat het primaire en het bestreden besluit door de heffingsambtenaar zijn genomen. Het Woo-verzoek is door een andere persoon ( [persoon A] ) behandeld dan de persoon die het bezwaarschrift van eiseres heeft behandeld ( [persoon B] ), waarbij laatstgenoemde persoon ook het telefonische hoorgesprek met de gemachtigde van eiseres op 24 juni 2024 heeft gevoerd. Op zitting heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar toegelicht dat, hoewel [persoon B] als contactpersoon staat vermeld in zowel het primaire en bestreden besluit, zij slechts genoemd is als contactpersoon voor het dossier. In wat eiseres heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat deze uiteenzetting feitelijk onjuist is of dat sprake is van strijd met de artikelen 7:5, eerste lid, 10:3, derde lid, en 10:4 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de gevraagde documenten onder de reikwijdte van de Woo vallen.
10. Op een verzoek om verstrekking van informatie is de Woo van toepassing, tenzij een bij bijzondere wet vastgesteld apart regime van toepassing is. Dit is geregeld in artikel 8.8 van de Woo. De bijlage bij de Woo somt de bijzondere wetten op waarvoor de Woo niet geldt. Met ingang van 12 februari 2025 is de Wet WOZ toegevoegd aan die bijlage. [7] Hoewel de Wet WOZ ten tijde van het Woo-verzoek van eiseres nog niet in de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo stond, oordeelt de rechtbank dat het bijzondere regime van de Wet WOZ ook in dit geval voorgaat op het algemene regime van de Woo. Uit de wetsgeschiedenis van de Verzamelwet BZK 20XX volgt namelijk dat de openbaarmakingsregeling uit de Wet WOZ (de artikelen 40 en verder van die wet) als uitputtend moet worden aangemerkt en dat de openbaarmakingsregeling moet worden toegevoegd aan de bijlage bij de Woo. [8] De rechtbank acht hierbij ook van belang dat artikel 40 van Pro de Wet WOZ eerder door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is aangemerkt als een bijzondere, uitputtende openbaarmakingsregeling als bedoeld in de Wob. [9] Met de artikelen 40 en verder van de Wet WOZ heeft de wetgever uitdrukkelijk beoogd dat deze gegevens niet onbeperkt aan iedereen ter beschikking kunnen worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar gelet hierop terecht het standpunt ingenomen dat de gevraagde documenten onder het regime van de Wet WOZ vallen en dat daarom het Woo-verzoek van eiseres is afgewezen, nu de gevraagde documenten zien op waardevaststelling in de zin van de Wet WOZ.
11. Aan beoordeling van de beroepsgrond van eiseres dat de zoekslag niet zorgvuldig is geweest, komt de rechtbank gelet op het oordeel onder punt 10 niet toe.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het Woo-verzoek in stand blijft.
13. De rechtbank ziet wel aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Eiseres heeft in het beroepschrift een uitgebreide beroepsgrond opgenomen over dat het besluit niet bevoegd zou zijn genomen. De heffingsambtenaar is hier in het verweerschrift niet en op zitting onvoldoende op ingegaan. Pas met de reactie van 20 januari 2026 is volledig gereageerd op deze beroepsgrond.
14. Het voorgaande betekent dat de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:5
1. Tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, geschiedt het horen door:
a. een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of
b. meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.
(…)
Artikel 10:3
3. Mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, wordt niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.
(…)
Artikel 10:4
1. Indien de gemandateerde niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever, behoeft de mandaatverlening de instemming van de gemandateerde en in het voorkomende geval van degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien bij wettelijk voorschrift in de bevoegdheid tot de mandaatverlening is voorzien.
Wet open overheid
Artikel 2.2. Reikwijdte
1. Deze wet is van toepassing op:
a. bestuursorganen;
(…)
Artikel 4.1. Verzoek
1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
2. Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze.
3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.
4. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
7. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5.
Artikel 8.8. Verhouding met andere wetten
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
Bijlage bij artikel 8.8 van de Wet open overheid
De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden.
(…)
Wet waardering onroerende zaken: de artikelen 40, 40a en 40b
(…)
Wet Waardering onroerende zaken
Artikel 40
1. Op verzoek kan het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient door de in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar worden verstrekt aan een ieder die kan aantonen een gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan.
2. De in artikel 1, tweede lid, bedoelde gemeenteambtenaar verstrekt uitsluitend aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vergoeding die in rekening kan worden gebracht ter zake van de verstrekking van een waardegegeven aan derden.
Artikel 40a
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden derden aangewezen die het waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken van een bepaalde onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient op hun verzoek verstrekt kunnen krijgen via de landelijke voorziening WOZ en bevoegd zijn tot gebruik van dat waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken ten behoeve van de bij die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen doeleinden.
2. De bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, aangewezen derde gebruikt een waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken uitsluitend bij de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid.
3. De bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, aangewezen derde is niet bevoegd een waardegegeven of de daarbij behorende temporele en meta-kenmerken verder bekend te maken dan noodzakelijk voor de uitoefening van de hem verleende bevoegdheid.
Artikel 40b
1. Eenieder kan op verzoek het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient, inzien of verstrekt krijgen bij het loket voor openbare WOZ-waarden.
2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen, onder welke voorwaarden en tegen welk tarief een verzameling van waardegegevens betreffende onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen verstrekt kan worden via het loket voor openbare WOZ-waarden in een zodanige vorm dat daarop rechtstreeks een geautomatiseerde verwerking mogelijk is ten aanzien van een op voorhand onbepaalde groep van woningen of personen.

Voetnoten

1.Wet open overheid
2.Met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Awb.
4.Wet waardering onroerende zaken
5.Algemene wet bestuursrecht
6.Vgl. HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9084 en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572.
7.Staatsblad 2024, 391, p. 19 en Staatsblad 2025, 34.
8.Kamerstukken II 2023-2024, 36 481, nr. 3, p. 25.
9.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:2667, r.o. 2..5.2, en ECLI:NL:RVS:2013:2326, r.o. 4.