ECLI:NL:RBROT:2026:4466
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens onvoldoende financiële duidelijkheid
Eiser diende op 9 maart 2025 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering, nadat zijn eerdere uitkering in maart 2023 was ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht. Tijdens het intakegesprek verklaarde hij geen inkomsten te hebben en te worden onderhouden door zijn vriendin en moeder. Het college vroeg om verifieerbare bewijsstukken om inzicht te krijgen in zijn financiële situatie, maar eiser leverde slechts beperkte en onvoldoende onderbouwde documenten aan.
Het college wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, omdat eiser zijn medewerkingsplicht had geschonden door niet de gevraagde bewijsstukken te overleggen. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de verklaringen van eiser onvoldoende specifiek waren en niet ondersteund werden door bewijs. Daarnaast was er onduidelijkheid over zijn inkomsten, vermogen en uitgaven, onder meer door onverklaarde transacties en een onduidelijk uitgavenpatroon.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat het college terecht de aanvraag had afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Haan op 20 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van eiser.