Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4480

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11811303 CV EXPL 25-16181
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 lid 1 BWArt. 6:228 lid 2 BWArt. 6:248 BWArt. 7:611 BWArt. 7:900 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindigingsovereenkomst arbeidsongeschikte werknemer met onbekende ziekteoorzaak niet vernietigd wegens dwaling

De werknemer, sinds 2007 in dienst en sinds 2021 directeur-bestuurder, sloot op 25 oktober 2024 een beëindigingsovereenkomst met de werkgever terwijl de oorzaak van haar gezondheidsklachten nog onbekend was. Kort daarna bleek zij borstkanker te hebben. Zij stelde dat de overeenkomst vernietigd moest worden wegens wederzijdse dwaling.

De rechtbank stelt vast dat dwaling over een beëindigingsovereenkomst mogelijk is, ook al bevat de overeenkomst een uitsluitingsbeding. Dit beding ziet niet op dwaling over de aard van de arbeidsongeschiktheid. Beide partijen gingen er bij het sluiten van de overeenkomst onjuist van uit dat de werknemer niet ernstig ziek was.

De kantonrechter concludeert dat de dwaling wederzijds is, maar dat deze voor rekening van de werknemer komt. Zij nam het initiatief tot beëindiging en was zich bewust van haar arbeidsongeschiktheid en de onzekerheid over de oorzaak. De werkgever heeft niet tekortgeschoten in haar mededelingsplicht en het is niet onaanvaardbaar om de werknemer aan de overeenkomst te houden.

De vordering tot vernietiging wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De beëindigingsovereenkomst wordt niet vernietigd en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11811303 CV EXPL 25-16181
datum uitspraak: 10 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[werkneemster],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres, verweerster in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. A. Robustella,
tegen
[werkgever],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. D. Spek.
De partijen worden hierna ‘ [werkneemster] ’ en ‘ [werkgever] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 16 juli 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met een eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • het antwoord in reconventie, met bijlagen;
  • de brief van [werkgever] van 24 februari 2026, met een bijlage;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden van beide partijen.
1.2.
Op 26 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [werkneemster] aanwezig met haar gemachtigde. Namens [werkgever] zijn [persoon A] (directeur-bestuurder), [persoon B] (lid RvC), [persoon C] (voorzitter RvC) en de gemachtigde verschenen.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[werkneemster] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst bij [werkgever] . Zij heeft een overeenkomst gesloten met [werkgever] , op basis waarvan de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2025 eindigde. Anderhalve maand na het tekenen daarvan is zij erachter gekomen dat zij borstkanker heeft. Ze heeft daarom verklaard de beëindigingsovereenkomst te vernietigen, op grond van wederzijdse dwaling. [werkneemster] eist dat de kantonrechter voor recht verklaart dat de beëindigingsovereenkomst vernietigd is en [werkgever] veroordeelt om de arbeidsovereenkomst na te komen vanaf 1 maart 2025. Het gaat daarbij in ieder geval om het betalen van het salaris en een mobiliteitsvergoeding en het bieden van verzuimbegeleiding.
2.2.
[werkgever] is het niet eens met de eis. De vernietiging is volgens haar onterecht. Als de kantonrechter vindt dat zij toch iets moet betalen aan [werkneemster] , dan vraagt zij de kantonrechter voor recht te verklaren dat zij dit mag verrekenen met de betaalde eindafrekening en beëindigingsvergoeding. Zij wil dat [werkneemster] in dat geval ook wordt veroordeeld om het restant daarvan (na verrekening) terug te betalen.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat er geen grond is voor vernietiging en dat de daartoe strekkende verklaring van [werkneemster] daarom geen doel treft. [werkgever] hoeft daarom niets te betalen aan [werkneemster] . Dat licht de kantonrechter in dit vonnis toe.
Wat is er gebeurd?
2.4.
[werkneemster] werkte vanaf 2007 bij [werkgever] . Sinds 2021 was zij daar directeur-bestuurder. Zij verdiende op het laatst een salaris van ongeveer € 13.000,- per maand.
2.5.
Sinds 2024 had [werkneemster] aanhoudende vermoeidheidsklachten. Dit heeft ertoe geleid dat zij zich op 19 maart 2024 heeft ziekgemeld. In de tweede helft van oktober was nog steeds niet duidelijk wat de oorzaak van de vermoeidheidsklachten was. [werkneemster] en [werkgever] hebben toen overlegd over het sluiten van een beëindigingsovereenkomst. Zij hebben die gesloten op 25 oktober 2024. [werkneemster] heeft vervolgens in november afscheid genomen van de organisatie. Op 16 december 2024 is zij gediagnosticeerd met borstkanker. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat haar advocaat in een mail van 27 februari 2025 de beëindigingsovereenkomst heeft vernietigd op grond van dwaling. De centrale vraag in deze zaak is of die vernietiging rechtsgeldig is.
Dwalen over deze beëindigingsovereenkomst is mogelijk
2.6.
Beide partijen zien de beëindigingsovereenkomst als een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:900 BW Pro). Als meest vergaande verweer voert [werkgever] aan dat je over zo’n overeenkomst niet kunt dwalen, omdat hij juist is bedoeld om onzekerheid weg te nemen. Dat verweer gaat niet op. Ook een beëindigingsovereenkomst kan vernietigd worden op grond van dwaling. [1] Het is wel zo dat wanneer een overeenkomst wordt gesloten om bepaalde onzekerheid weg te nemen, dwaling over die specifieke onzekerheid niet snel kan worden aangenomen. [2] Door de partijen is niet gesteld dat de beëindigingsovereenkomst was bedoeld om onzekerheid over de ziekteoorzaak weg te nemen. Dat is ook niet gebleken. Daarom is dwaling over deze beëindigingsovereenkomst mogelijk.
Het uitsluitingsbeding staat niet in de weg
2.7.
[werkgever] heeft er verder op gewezen dat in de beëindigingsovereenkomst het volgende artikel staat: “
Partijen doen hierbij afstand van het recht om (…) deze overeenkomst te vernietigen op grond van dwaling” (artikel 27). Volgens [werkgever] staat dit uitsluitingsbeding in de weg aan de vernietiging.
2.8.
[werkneemster] is het hier niet mee eens. Volgens haar is het uitsluitingsbeding overeengekomen onder invloed van dezelfde dwaling en moet dat beding daarom ook worden vernietigd.
2.9.
[werkgever] wijst er terecht op dat het erom gaat welke uitleg [werkgever] en [werkneemster] in deze omstandigheden in redelijkheid aan het artikel mochten geven en wat zij in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. [3] De kantonrechter oordeelt dat een redelijke uitleg is dat dit artikel niet ziet op dwaling over de aard van de arbeidsongeschiktheid.
2.10.
De kantonrechter stelt voorop dat [werkgever] de overeenkomst heeft opgesteld en dus ook het uitsluitingsbeding hierin heeft gezet. [werkneemster] heeft ervoor getekend, zonder dat zij zich juridisch heeft laten adviseren. In die omstandigheden kan [werkgever] geen ruime uitleg geven aan het artikel. Het ligt voor de hand dat de uitgesloten dwaling hoogstens ziet op de inhoud van de overeenkomst en in ieder geval niet op de omstandigheden waaronder die gesloten is.
Schending van de mededelingsplicht is niet relevant in het kader van dwaling
2.11.
Het leek alsof [werkneemster] in de dagvaarding haar beroep op dwaling ook baseerde op de stelling dat [werkgever] een mededelingsplicht heeft geschonden (artikel 6:228 lid 1 onder Pro b BW). Ook [werkgever] begreep die stelling zo. Tijdens de zitting heeft [werkneemster] verduidelijkt dat zij dit heeft aangevoerd voor haar beroep op schending van goed werkgeverschap en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. In het kader van het beoordelen van het beroep op dwaling gaat de kantonrechter hier daarom aan voorbij.
Er is sprake van wederzijdse dwaling
2.12.
Het staat vast dat [werkneemster] en [werkgever] er bij het sluiten van de overeenkomst allebei niet vanuit gingen dat [werkneemster] ernstig ziek was en dat zij zware behandelingen zou moeten ondergaan. Achteraf is gebleken dat dit wel zo was. Daar zijn de partijen het over eens. Ze hadden dus een onjuiste voorstelling van zaken.
2.13.
[werkgever] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet had hoeven begrijpen dat [werkneemster] bij een juiste voorstelling van zaken deze overeenkomst niet zou hebben gesloten. Zij heeft erop gewezen dat zij ervan uitging dat de reden van het sluiten van de overeenkomst was dat [werkneemster] meer tijd wilde doorbrengen met haar echtgenoot en familie. De kantonrechter vindt die onderbouwing onvoldoende. Het één sluit het ander namelijk niet uit. Zelfs als tijd voor familie de reden van de overeenkomst zou zijn, dan betekent dit nog niet dat [werkgever] mocht begrijpen dat [werkneemster] de overeenkomst ook had gesloten als zij wist dat ze borstkanker had. Dat ligt ook niet voor de hand. In dat geval zou de bestrijding van de ziekte hoogstwaarschijnlijk de eerste prioriteit krijgen in haar leven en niet het doorbrengen van extra tijd met familie of vrienden. Bovendien zou ze hoogstwaarschijnlijk door die diagnose volledig arbeidsongeschikt zijn geweest en dus niet aan het werk geweest zijn. Er zou ook in dat opzicht geen reden zijn om de arbeidsovereenkomst te beëindigen voor extra tijd met familie.
2.14.
Daar komt nog bij dat [werkgever] tijdens de zitting ook min of meer heeft erkend dat zij snapt dat de overeenkomst niet zou zijn gesloten als [werkneemster] wist dat ze borstkanker had. De kantonrechter heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling aan de heer [persoon B] (lid van de RvC) gevraagd wat er zou zijn gebeurd als [werkneemster] in oktober 2024 wist dat ze borstkanker had. [persoon B] liet daarop weten dat hij denkt dat de overeenkomst er dan niet zou zijn geweest, omdat [werkneemster] er niet om zou hebben gevraagd. De kantonrechter sluit zich aan bij die inschatting.
2.15.
De conclusie is dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling van zowel [werkneemster] als [werkgever] en dat [werkgever] had moeten begrijpen dat [werkneemster] de overeenkomst zonder die dwaling niet had gesloten. Het uitgangspunt is daarom dat de overeenkomst vernietigbaar is (artikel 6:228 lid 1 aanhef Pro en onder c BW).
De dwaling blijft voor rekening van [werkneemster]
2.16.
[werkgever] stelt verder dat de dwaling voor rekening van [werkneemster] moet blijven. De kantonrechter oordeelt dat dit verweer slaagt. Hierna licht hij toe welke omstandigheden hij daarbij heeft meegewogen.
[werkneemster] heeft vooral het initiatief genomen
2.17.
De kantonrechter vindt het zwaar wegen wie het initiatief heeft genomen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De partijen zijn het op dat punt niet met elkaar eens.
2.18.
Tot op zekere hoogte zijn de partijen het wel eens over de aanloop. Er is geen discussie over het volgende. De echtgenoot van [werkneemster] was ziek. [werkneemster] heeft in februari of maart 2024 aangegeven dat zij om die reden meerdere maanden verlof zou willen opnemen, omdat het moeilijk voor haar was om haar volle aandacht aan het werk te geven. [werkneemster] en [werkgever] hebben hierover gesproken. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat zij hebben geconstateerd dat [werkneemster] eigenlijk ziek is. [werkneemster] heeft zich daarom per 19 maart 2024 ziekgemeld. Op 18 september 2024 is zij begonnen met het uitvoeren van aangepaste werkzaamheden.
2.19.
Op 2 oktober 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [werkneemster] en [werkgever] . Vanaf dit moment lopen de verhalen van de partijen uiteen. [werkneemster] stelt dat [werkgever] er toen ‘
blijk van gaf dat [werkgever] de mogelijkheid van een beëindiging met wederzijds goedvinden wenst te onderzoeken.’ [werkgever] voert aan dat juist [werkneemster] toen ‘
opperde om tot een gezamenlijke beëindiging van het dienstverband te komen.’ De kantonrechter oordeelt dat de gang van zaken rondom de beëindiging vooral aanknopingspunten biedt voor het standpunt van [werkgever] .
Het doel van de overeenkomst past bij een initiatief van [werkneemster]
2.20.
In de eerste plaats is van belang wat de reden voor de partijen was om de overeenkomst aan te gaan. [werkneemster] heeft daarover wisselende standpunten ingenomen. Zij stelt in de dagvaarding eerst dat de reden was dat [werkgever] vond dat de re-integratie moeizaam verliep, omdat het lastig was om [werkneemster] aangepast werk te laten doen, en omdat terugkeer voor minder uur dan overeengekomen geen optie was (alinea 8). Later schrijft zij dat enerzijds [werkgever] dit wilde omdat zij duidelijkheid wilde bieden aan de organisatie, zij niet wilde wachten op [werkneemster] en omdat terugkeer naar de eigen functie een gepasseerd station was. Maar zij schrijft ook dat zij anderzijds zelf in de veronderstelling was dat het wegnemen van de druk van re-integratie haar wellicht rust zou kunnen geven en herstel zou kunnen bevorderen (alinea 11). Weer later in de dagvaarding schrijft zij alleen dat zij op zoek was naar rust en ontspanning om de batterij op te laden (alinea 41, 3e bulletpoint).
2.21.
De kantonrechter heeft daarom tijdens de zitting aan [werkneemster] gevraagd wat nu precies de reden was om de overeenkomst aan te gaan. [werkneemster] heeft daarop aangegeven dat zij bij verschillende specialisten was geweest en dat zij allemaal de vermoeidheidsklachten van [werkneemster] niet konden duiden. Verschillende mensen hadden geopperd dat zij wellicht een burn-out had. Zij geloofde daar eerst zelf niet in, maar zij wilde later toch uit dienst gaan omdat zij dacht dat het wellicht toch om een mentaal probleem ging. Zij hoopte dat dit de oplossing zou zijn voor haar gezondheidsklachten.
2.22.
[werkgever] heeft zich bij dat standpunt aangesloten. Zij heeft steeds aangevoerd dat [werkneemster] zelf het initiatief heeft genomen om deze overeenkomst aan te gaan, omdat zij rust wilde aanbrengen in haar leven, om een betere werk-privébalans te krijgen.
2.23.
Van de verschillende overige redenen om de overeenkomst aan te gaan, die [werkneemster] in de dagvaarding heeft genoemd, is verder niets gebleken.
2.24.
Omdat de verklaring van [werkneemster] tijdens de zitting aansluit bij het standpunt van [werkgever] en de eerdere wens van [werkneemster] uit maart 2024 om meer vrije tijd te hebben, gaat de kantonrechter ervan uit dat [werkneemster] de overeenkomst heeft gesloten om rust te krijgen. Bij dit doel van de overeenkomst past niet dat [werkgever] het initiatief heeft genomen, aangezien de overeenkomst vooral in het belang van [werkneemster] lijkt te zijn gesloten.
De manier waarop de overeenkomst tot stand is gekomen biedt weinig aanknopingspunten
2.25.
Een eerste concept van de overeenkomst is opgesteld door [werkgever] . Hier hecht de kantonrechter niet veel waarde aan. Dit is gebruikelijk, ook in situaties dat een werknemer het initiatief neemt tot beëindiging. Een werkgever draagt meestal de kosten hiervan, ook omdat de werkgever vaak al vaste contacten heeft met een juridisch specialist.
2.26.
De manier waarop de partijen daarna hebben onderhandeld geeft geen duidelijke indicatie over wie het initiatief heeft genomen. De partijen communiceren op een open en respectvolle manier met elkaar, zonder dat daaruit volgt dat een van de partijen niet achter de beëindiging staat. Zo stuurt [werkneemster] eerst aan [persoon B] : “
dankjewel voor de opzet van de vso” en later “
Bedankt voor het doorvoeren van de aanpassingen, fijn dat dit akkoord is.” Na het bereiken van overeenstemming stuurt [persoon B] : “
ik ben erg blij dat we er uit zijn gekomen”, waarop [werkneemster] antwoordt: “
Zeker, ik ben dankbaar voor jouw acties (en koffietijd), je hebt het ook maar moeten overbrengen en de keuzes 'verdedigen'.
2.27.
Uit deze manier waarop de overeenkomst tot stand is gekomen volgt in ieder geval niet dat [werkneemster] ongewild is geconfronteerd met de wens van [werkgever] om het contract te beëindigen. Andersom blijkt ook niet dat [werkgever] ontevreden was met de wens van [werkneemster] .
De tekst van de overeenkomst biedt geen aanknopingspunten
2.28.
Uit de tekst overeenkomst is ook niet op te maken wie het initiatief heeft genomen. Er staat alleen in “
Het initiatief tot beëindiging is uitgegaan van Werkgever”, maar tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [werkneemster] erkend dat dit een standaardformulering is, voor het veiligstellen van de sociale zekerheidsrechten.
2.29.
[werkneemster] heeft er verder op gewezen dat er allerlei werkgeversvriendelijke bepalingen in staan. Dat is echter logisch, omdat [werkgever] de overeenkomst heeft opgesteld.
Uit de communicatie achteraf blijkt een initiatief van [werkneemster]
2.30.
Uit de communicatie na het sluiten van de overeenkomst lijkt te volgen dat het initiatief bij [werkneemster] lag.
2.31.
[werkgever] heeft een getuigschrift opgesteld. Daarin staat onder andere: “
Door omstandigheden heeft [voornaam werkneemster] ervoor gekozen om een functie te zoeken die meer past bij haar wens om parttime te werken. Wij danken haar van harte over de transparantie van dat besluit.” [werkneemster] was het hier kennelijk mee eens, want in februari 2025 vroeg zij nog om een aanpassing van het getuigschrift, maar heeft daarbij niet aangegeven dat deze zin onjuist is.
2.32.
Ook hebben [persoon B] en [werkneemster] gemaild over de interne en externe communicatie van haar vertrek. In de externe communicatie die mede door [werkneemster] is opgesteld, staat: “
Na een dienstverband van 17 jaar heeft [werkneemster] in goed overleg met de RvC besloten [werkgever] haar taken neer te leggen en de verantwoordelijkheden over te dragen.
2.33.
Uit al deze communicatie blijkt vooral dat [werkneemster] er zelf voor heeft gekozen om [werkgever] te verlaten. [werkneemster] heeft tijdens de zitting ook niet inhoudelijk gereageerd op deze stukken en heeft geen andere uitleg daarvoor gegeven.
Conclusie: het initiatief voor de overeenkomst ligt vooral bij [werkneemster]
2.34.
De kantonrechter concludeert op basis van met name het doel van de overeenkomst en de communicatie achteraf dat als onvoldoende gemotiveerd betwist vaststaat dat [werkneemster] het initiatief heeft genomen om de beëindigingsovereenkomst te sluiten.
Bij het sluiten van de overeenkomst was de ziekteoorzaak onbekend
2.35.
De kantonrechter vindt het verder zwaar wegen dat bij het sluiten van de overeenkomst de oorzaak van de gezondheidsklachten onbekend was. [werkneemster] heeft zelf aangevoerd dat zij op het moment van het sluiten van de overeenkomst nog volop bezig was met onderzoeken. Dat blijkt ook uit de overzichten die ze bij de processtukken heeft gevoegd.
2.36.
Zij heeft tijdens de zitting aangevoerd dat ze zelf niet geloofde dat haar werk de oorzaak was van haar klachten, maar dat ze ten einde raad was en daarom dacht dat dit wellicht toch een oplossing zou kunnen zijn.
2.37.
Uiteraard is het begrijpelijk dat [werkneemster] er niet vanuit ging dat borstkanker de reden was van haar klachten, maar het staat wel vast dat het onduidelijk was of uit dienst gaan wel de oplossing zou zijn.
2.38.
Ondanks die onduidelijkheid heeft [werkneemster] er toch voor gekozen om deze overeenkomst te sluiten. Dit had verschillende aflopen kunnen hebben. In het gunstigste geval was het werk inderdaad de oorzaak van haar gezondheidsklachten. In dat geval was zij wellicht na korte tijd hersteld en kon zij met een ontslagvergoeding van ongeveer € 140.000,- op zoek naar een andere baan. Helaas is het niet zo gelopen en pakte dit (zo ongeveer) op de slechtst mogelijke manier uit. Dat is uiteraard erg naar voor [werkneemster] , maar dat kan niet voor rekening van [werkgever] worden gebracht. Anders zou [werkgever] alleen opdraaien voor de gevolgen bij een negatieve afloop voor [werkgever] en zou bij een positieve afloop alleen [werkneemster] daarvan ‘profiteren’.
De mededelingsplicht van [werkgever] is beperkt
2.39.
[werkneemster] lijkt zich op het standpunt te stellen dat [werkgever] haar had moeten waarschuwen. De kantonrechter volgt dat standpunt niet. [werkneemster] wist dat zij arbeidsongeschikt was en was zich ervan bewust dat het beëindigen van de arbeidsovereenkomst mogelijk niet het einde van haar klachten zou betekenen. De kantonrechter ziet niet in voor welke andere omstandigheden [werkgever] haar dan precies had moeten waarschuwen. Het was uiteraard ook voor [werkgever] niet een voorzienbaar risico dat [werkneemster] borstkanker zou hebben.
2.40.
Daarbij is ook nog van belang dat [werkneemster] en [werkgever] redelijk gelijkwaardige partijen zijn. [werkneemster] was namelijk de directeur-bestuurder van [werkgever] , met een hoog salaris van ongeveer € 13.000,- per maand en met ervaring met het opstellen van vaststellingsovereenkomsten. Ook dat maakt dat niet te hoge eisen kunnen worden gesteld aan de mededelingsplicht van [werkgever] .
2.41.
Het zou mogelijk anders zijn geweest als [werkneemster] door het sluiten van de overeenkomst bepaalde sociale zekerheidsrechten zou zijn kwijtgeraakt, maar dat is niet gesteld door [werkneemster] en is ook niet gebleken.
Conclusie: de dwaling komt voor risico van [werkneemster]
2.42.
De kantonrechter concludeert dat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast staat dat de dwaling voor rekening van [werkneemster] komt. Daarbij weegt vooral zwaar dat [werkneemster] het initiatief heeft genomen om de overeenkomst te sluiten, terwijl de reden van haar gezondheidsklachten onbekend was en onduidelijk was of beëindiging van de overeenkomst de oplossing zou zijn.
2.43.
Dit betekent dat [werkneemster] de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft vernietigd (artikel 6:228 lid 2 BW Pro). De verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
De strijd met goed werkgeverschap hoeft niet beoordeeld te worden
2.44.
[werkneemster] heeft ook nog aangevoerd dat [werkgever] niet heeft gehandeld zoals van een goed werkgever verwacht mag worden (artikel 7:611 BW Pro). Die stelling beoordeelt de kantonrechter niet. Zelfs als dat zo zou zijn dan kan dit geen reden zijn om de eisen van [werkneemster] toe te wijzen. Een schending van goed werkgeverschap betekent namelijk niet dat de arbeidsovereenkomst herleeft.
Het is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [werkneemster] aan de overeenkomst te houden
2.45.
[werkneemster] heeft ten slotte nog aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [werkgever] haar aan de vaststellingsovereenkomst houdt.
2.46.
[werkneemster] stelt dat [werkgever] zich terughoudend had moeten opstellen bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst, omdat [werkneemster] arbeidsongeschikt was en de oorzaak daarvan onbekend was. Op zich is de kantonrechter dat met [werkneemster] eens, maar onduidelijk is wat [werkgever] dan concreet anders had moeten doen volgens [werkneemster] . [werkneemster] was de directeur-bestuurder van [werkgever] en wilde zelf deze overeenkomst sluiten. [werkgever] heeft haar de mogelijkheid geboden om de overeenkomst nog te bespreken met een jurist, deels op kosten van [werkgever] , maar dat heeft [werkneemster] niet gedaan. [werkgever] heeft [werkneemster] voor een aantal maanden vrijgesteld van werk met behoud van salaris en haar een vergoeding van € 140.000,- meegegeven. Als deze overeenkomst goed zou zijn uitgepakt en [werkneemster] snel zou zijn hersteld, zou [werkneemster] heel tevreden zijn geweest met het handelen van [werkgever] . Dat het achteraf slecht heeft uitgepakt, verandert het handelen niet opeens in onzorgvuldig en onaanvaardbaar handelen.
2.47.
[werkneemster] stelt dat zij het gesprek aan had moeten gaan met [werkneemster] om te vragen of zij wel wist wat ze deed. Dat ziet de kantonrechter anders. [werkneemster] realiseerde zich zelf al dat zij ziek was, dat de reden onbekend was en dat een beëindiging mogelijk niet de oplossing was. De kantonrechter ziet niet in welke waarschuwingen [werkgever] hier nog aan toe had moeten voegen.
2.48.
[werkneemster] stelt verder dat [werkgever] de bedrijfsarts had moeten vragen om een advies. De kantonrechter ziet daarvoor geen aanleiding. Op 7 oktober 2024, twee weken voor het sluiten van de overeenkomst, had de bedrijfsarts namelijk nog geoordeeld dat [werkneemster] arbeidsongeschikt was en dat volledig herstel nog minstens drie maanden zou duren. Het valt niet in te zien wat een nieuw oordeel zou hebben toegevoegd.
2.49.
De kantonrechter oordeelt dat [werkgever] in ieder geval niet dermate grote steken heeft laten vallen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [werkneemster] aan de overeenkomst te houden (artikel 6:248 BW Pro).
Conclusie: alle eisen worden afgewezen
2.50.
De conclusie van al het voorgaande is dat alle eisen van [werkneemster] worden afgewezen, omdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd door de beëindigingsovereenkomst.
2.51.
Dit betekent ook dat de voorwaardelijke tegeneis van [werkgever] niet behandeld hoeft te worden.
[werkneemster] moet de proceskosten betalen
2.52.
De proceskosten komen voor rekening van [werkneemster] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [werkneemster] in conventie aan [werkgever] moet betalen op € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-). In reconventie worden deze kosten aan de kant van [werkgever] begroot op € 432,- aan salaris voor de gemachtigde (1/2 x 2 punten x € 432,-). Voor kosten die [werkgever] maakt na deze uitspraak moet [werkneemster] een bedrag betalen van € 144,-. In totaal gaat het dus om € 1.440,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.53.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [werkgever] dat eist en [werkneemster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de kant van [werkgever] worden begroot op € 1.440,-;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
33394

Voetnoten

1.Hoge Raad 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3129, 3.4.1
2.Parket bij de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2019:337, 2.45 en 2.46
3.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (