ECLI:NL:RBROT:2026:450

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/10/708714 / JE RK 25-2157
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met complexe gedragsproblemen. De minderjarige heeft meerdere wisselingen in verblijfplaats gehad en verblijft momenteel in een behandelgroep van Yulius.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, wenst terugplaatsing van de minderjarige, maar de GI stelt dat de problematiek en eerdere mislukte terugplaatsingen een stabiele en gestructureerde omgeving vereisen. Een gezinsopname bij Yulius werd besproken als laatste kans, maar ging aanvankelijk niet door vanwege onduidelijkheden over vervoer en medewerking van de moeder en haar partner.

De moeder is inmiddels bereid tot medewerking aan een gezinsopname, met een gesprek gepland op 12 januari 2026. De rechtbank acht het noodzakelijk de uitkomst van dit gesprek af te wachten alvorens een definitieve beslissing te nemen. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 2 maart 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden.

De rechtbank bepaalt dat de beslissing direct uitvoerbaar is en plant een vervolgzitting op 27 januari 2026. Tevens wordt de GI verzocht een briefrapportage te overleggen over de gezinsopname en de verantwoordelijke persoon bij Het Kompas te laten verschijnen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 2 maart 2026 en houdt het verzoek voor het overige aan in afwachting van een gezinsopnamegesprek.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708714 / JE RK 25-2157
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. M. Nentjes, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 26 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage met bijlagen van de GI van 29 december 2025;
  • de weekrapportage van [naam groep] van 6 januari 2026;
- het verweerschrift van mr. M. Nentjes met bijlagen van 7 januari 2026.
1.2.
Op 9 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de behandeling van de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [naam 1] en [naam 2].
1.3.
Bijzondere toegang is verleend aan [naam 3], werkzaam als stagiaire op het kantoor van mr. M. Nentjes.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft op [naam groep].
2.3.
Bij beschikking van 27 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 september 2026 en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 2 december 2025.
2.4.
Bij beschikking van 26 november 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 2 februari 2026, is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en voor behandeling en beslissing verwezen naar de meervoudige kamer.

3.Het (aangehouden) (gewijzigde) verzoek

3.1.
Op 20 oktober 2025 verzoekt de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op 17 november 2025 heeft de GI het verzoek van 20 oktober 2025 gewijzigd, in die zin dat verzocht wordt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van drie maanden en daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin dan wel een gezinshuis te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op het verzoek is reeds beslist voor wat betreft de periode tot 2 februari 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft het gewijzigde verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
In de afgelopen jaren is [minderjarige] meerdere keren tevergeefs bij de moeder teruggeplaatst. Door zijn problematiek heeft [minderjarige] duidelijke structuur en afspraken nodig en vraagt hij veel van zijn opvoeder. Ondanks de ingezette hulpverlening lijkt bij de moeder niet te beklijven wat voor [minderjarige] nodig is. Dit maakt dat [minderjarige] nu al drie keer uit huis is geplaatst, wat zeer schadelijk is geweest voor hem. Desalniettemin heeft de GI besloten dat nog eenmaal zou worden bezien of [minderjarige] kon worden thuisgeplaatst bij de moeder. Gelet op de voorgeschiedenis is hier wel een gezinsopname van drie maanden voor nodig. De moeder ging hier aanvankelijk mee akkoord en in de zomer van 2025 zou de gezinsopname plaatsvinden. Deze is echter niet doorgegaan. Het was voor de GI niet mogelijk om - daarnaar gevraagd door Yulius - een inschatting van de kans dat [minderjarige] daadwerkelijk zou worden thuisgeplaatst te geven. Yulius wilde de toezegging dat deze kans 100 % was, maar dat kon de GI niet toezeggen, waardoor Yulius de gezinsopname heeft afgezegd. De GI is vervolgens in gesprek gegaan met Yulius en daar is uitgekomen dat de gezinsopname toch kon plaatsvinden, ook al is er geen zekerheid dat [minderjarige] daarna zal worden thuisgeplaatst. Op 22 september en 20 oktober 2025 heeft de GI met de moeder opnieuw de optie van een gezinsopname bij Yulius voor de duur van drie maanden besproken en aangegeven dat de GI het vervoer voor haar dochter [naam 4] naar school en de zwemles heeft geregeld. Het doel van de gezinsopname zou zijn het onderzoeken van welke rol de moeder in het leven van [minderjarige] zou kunnen spelen. Er was toen nog geen perspectiefbesluit genomen. De GI heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om met haar advocaat te overleggen en heeft benadrukt dat dit echt de laatste kans was voor de moeder om te werken aan thuisplaatsing van [minderjarige]. Vervolgens heeft de moeder opnieuw aangegeven dat zij niet aan de gezinsopname wenste mee te werken, mede vanwege de verwachting dat de rechtbank [minderjarige] bij haar zal terugplaatsen. Het door de moeder genoemde alternatief van een opname bij het Bergse Bos zou opnieuw een overplaatsing en een nieuwe plek voor [minderjarige] zijn en was geen optie omdat het niet intensief genoeg is. Vervolgens heeft de GI bepaald dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Inmiddels heeft de moeder aangegeven dat zij nu wel wenst mee te werken aan een gezinsopname. Op 12 januari 2026 zal hierover een gesprek plaatsvinden met Yulius. De GI staat op zich nog steeds achter een gezinsopname, maar wel gericht op de vraag wat de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] kan zijn terwijl [minderjarige] niet bij haar woont. De GI blijft namelijk bij haar perspectiefbesluit. De nieuwe partner van de moeder zal ook bij deze opname moeten worden betrokken, zodat duidelijk wordt welke rol de moeder en haar partner in het leven van [minderjarige] kunnen spelen. De GI is bij toeval door de bij moeder betrokken hulpverleners van Mozaïek ervan op de hoogte geraakt dat de moeder een nieuwe partner heeft. De moeder is daar zelf niet open over geweest richting de GI. Een belemmering voor deelname aan de gezinsopname door de partner van de moeder is dat de partner de Nederlandse taal niet spreekt. Ondanks meerdere pogingen daartoe heeft de GI nog niet kunnen kennismaken met de nieuwe partner van de moeder. Dat is zorgelijk. Daar komt bij dat [minderjarige] zorgelijke uitspraken heeft gedaan over de nieuwe partner van de moeder, die tegen de moeder zou schreeuwen waardoor de moeder, [minderjarige] en zijn zusje verdrietig worden. Dit wordt door de moeder niet herkend.
De GI verzoekt een trajectmachtiging in een gezinshuis of een pleeggezin, omdat er nog geen zicht is op een vervolgplek van [minderjarige] na zijn verblijf bij [naam groep].
4.2.
Namens en door de moeder is verzocht om de door de GI verzochte trajectmachtiging af te wijzen. Daarbij is het volgende aangevoerd. De mogelijkheden van een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder zijn nog onvoldoende onderzocht. De moeder betreurt dat de gezinsopname in de zomer van 2025 niet is doorgegaan. Zij had de invulling van haar zomervakantie daarop aangepast en was er helemaal klaar voor. Ineens kreeg zij zonder toelichting een bericht dat de gezinsopname niet doorging. In het najaar is de gezinsopname opnieuw besproken. De moeder is er toen echter niet van op de hoogte gesteld dat de GI gedurende de gezinsopname het vervoer voor haar dochter [naam 4] had geregeld. De GI zegt dat dit wel is besproken, maar de moeder stelt dat dat niet het geval is geweest. Daarom heeft de moeder zonder overleg met haar advocaat besloten dat zij niet meer wenste mee te werken aan de gezinsopname. Een gezinsopname zou immers te belastend zijn voor [naam 4] als zij niet naar school en naar zwemles kan gaan. De advocaat vindt het onbegrijpelijk dat de GI haar niet op de hoogte heeft gesteld van de gesprekken die in september en oktober 2025 werden gevoerd met de moeder. De GI weet dat zij de advocaat is en de GI heeft altijd rechtstreeks contact met de advocaat gehad. Voorheen was de advocaat ook bij gesprekken betrokken, maar nu is zij er buiten gehouden terwijl er zo veel op het spel stond. De moeder heeft alternatieven voorgesteld, zoals een opname bij het Bergse Bos, maar dat wilde de GI niet. Vervolgens heeft de GI een perspectiefbesluit genomen, daar is de moeder erg van geschrokken. De moeder heeft zich alsnog bereid verklaard tot een gezinsopname. Tijdens een overleg met de GI op 15 december 2025 is aangegeven dat het op de weg van de moeder ligt om bij Yulius na te gaan of een gezinsopname van de moeder en de kinderen nog tot de mogelijkheden behoort. De moeder heeft daarop direct actie ondernomen. Op 12 januari 2026 vindt een vervolggesprek bij de gezinskliniek het Kompas van Yulius plaats. Door middel van een gezinsopname kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Ook de partner van de moeder is bereid om aan de gezinsopname mee te werken. Daarbij is wel een complicerende factor dat het Kompas als uitgangspunt heeft dat iedereen die aan een gezinsopname deelneemt de Nederlandse taal moet beheersen, terwijl de partner geen Nederlands spreekt. De moeder heeft de GI bijna twee jaren geleden op de hoogte gesteld van haar relatie met haar partner. Het klopt niet dat de GI daar pas enkele maanden geleden via Mozaïek achter is gekomen. Haar partner [naam 5], die sinds oktober 2025 in Nederland is en bij de moeder woont, is lief en verzorgend. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij leven van haar uitkering. De moeder heeft nu de opvoedvaardigheden om [minderjarige] op te voeden. Ook [minderjarige] wenst bij zijn moeder op te groeien. De moeder herkent niet wat [minderjarige] zegt over haar partner. Wel wordt er thuis hard gesproken, dat is [minderjarige] waarschijnlijk niet gewend. De uitspraken van [minderjarige] over partner [naam 5] kunnen ook te maken hebben met gevoelens van jaloezie, omdat [naam 5] wel bij de moeder mag wonen en [minderjarige] niet. De moeder kan zich erin vinden dat [minderjarige] bij [naam groep] blijft totdat hij terug naar huis kan. Zij verzet zich met klem tegen een doorplaatsing van [minderjarige] naar een pleeggezin of gezinshuis. Toewijzing van de verzochte trajectmachtiging is disproportioneel nu de mogelijkheden van een terugplaatsing nog onvoldoende zijn onderzocht. Ook is het opvoedbesluit door de GI ten onrechte genomen en prematuur. De moeder heeft hulp van Mozaïek, volgt EMDR-therapie en zal dat ook met [minderjarige] gezamenlijk gaan volgen. De moeder is klaar en sterk genoeg voor een terugplaatsing van [minderjarige]. Hij hoort bij zijn moeder op te groeien. Zelfs als een gezinsopname niet het gewenste resultaat heeft, is het voor [minderjarige] goed dat hij (later) weet dat alles is geprobeerd om hem bij de moeder te laten opgroeien.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] in zijn jonge leven al veel instabiliteit en wisselingen in verblijfplaats heeft meegemaakt. In 2022 is [minderjarige], op verzoek van de moeder, uit huis geplaatst omdat de moeder de zorg voor hem niet langer aankon. In de periode van maart 2022 tot juni 2023 heeft [minderjarige] in een crisispleeggezin verbleven. In juli 2023 is [minderjarige] bij de moeder thuis geplaatst. In oktober 2023 is [minderjarige] weer teruggeplaatst in het pleeggezin, omdat het thuis niet goed ging. De moeder gaf (wederom) aan de zorg voor [minderjarige] niet aan te kunnen. Begin januari 2024 is [minderjarige] weer thuis geplaatst. Begin februari 2024 heeft de moeder opnieuw aangegeven dat zij de zorg voor [minderjarige] niet meer kan dragen. Daarom is [minderjarige] wederom uit huis geplaatst en heeft hij verbleven in een gezinshuis van I-Hub. Vanwege de gedragsproblemen van [minderjarige], waaronder hechtingsproblematiek, kon hij daar niet langer blijven. Vervolgens is [minderjarige] na een korte plaatsing in een crisispleeggezin op een behandelgroep bij [naam groep] van Yulius geplaatst voor een langdurige behandeling. Vanuit [naam groep] wordt aangegeven dat [minderjarige] een jongen is die door zijn complexe gedrag een stabiele, duidelijke en gestructureerde opvoedsituatie met extra ondersteuning nodig heeft, waarbij veel wordt gevraagd van de opvoedkwaliteiten van de opvoeder.
5.2.
Nadat de gezinsopname in de zomer van 2025 niet door is gegaan, is de GI met het Kompas in gesprek gegaan en zijn zij overeengekomen dat een gezinsopname toch mogelijk was, ondanks dat de GI niet kon toezeggen dat [minderjarige] daarna zou worden thuisgeplaatst. Volgens de GI waren het Kompas, [naam groep] en de GI het met elkaar eens dat het doel van een gezinsopname zou kunnen zijn om in zijn algemeenheid te onderzoeken hoe groot de rol is die de moeder in het leven van [minderjarige] kan spelen. In het najaar van 2025 is dit met de moeder besproken en heeft de GI aan de moeder de optie geboden van een gezinsopname bij Yulius voor de duur van drie maanden, maar de moeder heeft toen (herhaaldelijk) aangegeven dat zij niet meer mee ging werken aan een gezinsopname. De moeder stelt dat dit was omdat het vervoer voor haar dochter [naam 4] naar school en de zwemles niet was geregeld. De GI stelt dat tegen de moeder is gezegd dat dit vervoer wel was geregeld. De GI heeft vervolgens een perspectiefbesluit genomen, dat inhoudt dat [minderjarige] niet bij de moeder gaat opgroeien en vraagt de rechtbank om dit besluit, in het kader van de onderhavige procedure, te bekrachtigen.
5.3.
De moeder geeft ter zitting aan dat zij alsnog bereid is om mee te werken aan een gezinsopname, evenals haar partner. De moeder wil dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. Op 12 januari 2026 zal een gesprek met de moeder bij de gezinskliniek Het Kompas plaatsvinden om de mogelijkheid te bespreken van een samenwerkingsopname en aansluitend een gezinsopname. De rechtbank acht het noodzakelijk om de uitkomst van dit gesprek af te wachten voordat voor de langere termijn over de machtiging tot uithuisplaatsing en het perspectief van [minderjarige] zal worden besloten. Ter zitting is besproken dat de moeder ook moet nadenken over haar keuzes en besluiten indien Het Kompas aangeeft dat de partner van de moeder niet kan deelnemen omdat hij de Nederlandse taal niet spreekt. Uitgangspunt is immers dat iedereen die in de woning woont waar het kind zou gaan wonen, deelneemt aan de gezinsopname.
5.4.
Zolang nog niet duidelijk is wat het perspectief van [minderjarige] is, is het van belang om zijn plaatsing bij [naam groep] van Yulius voort te zetten. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] vooralsnog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.5.
De rechtbank ziet aanleiding om de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot één maand en het verzoek voor het overige aan te houden. De rechtbank acht het van belang dat zij van de uitkomsten van het gesprek op 12 januari 2026 op de hoogte wordt gesteld en daarover op zitting wordt gesproken, voordat wordt beslist op het resterende deel van het verzoek.
5.6.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met de aanwezige partijen afgestemd dat de eerstvolgende zitting zal plaatsvinden op 27 januari 2026 te 14:30 uur.
5.7.
De GI wordt verzocht om uiterlijk één week vóór de zitting aan de rechtbank een briefrapportage te overleggen (met afschrift aan de moeder en haar advocaat) met een beschrijving van de recente ontwikkelingen ten aanzien de mogelijke gezinsopname en daarin de personalia te vermelden van de persoon die bij het Kompas verantwoordelijk is voor de beslissing over de gezinsopname. De rechtbank zal deze persoon als informant bij de volgende zitting uitnodigen zodat deze vragen kan beantwoorden over het al dan niet inzetten van een traject van de gezinsopname. Indien deze personalia eerder beschikbaar zijn, kan de GI deze gegevens aan de rechtbank in een apart bericht toesturen zodat deze persoon kan worden opgeroepen voor de volgende zitting.
5.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan tot
27 januari 2026 te 14:30 uurin het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100 / 125;
6.4.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.L. Pöll, mr. A.M.I. van der Does en
mr. G.M. Paling, kinderrechters;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor de zitting van de GI, de moeder en mr. M. Nentjes;
6.6.
gelast de oproeping van een medewerker van het Kompas teneinde informatie te kunnen verstrekken over de gezinsopname (gegevens nog aan te leveren door de GI);
6.7.
verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de genoemde zittingsdatum de rechtbank (met afschrift aan de moeder en de advocaat) de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door
mr. A.L. Pöll, mr. A.M.I. van der Does en mr. J.C.M. Persoon, kinderrechters, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 21 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.