ECLI:NL:RBROT:2026:451

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/10/711334 / JE RK 25-2527
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen tot 18 april 2026. De kinderen wonen bij hun moeder en de relatie met de vader is ernstig verstoord, mede door een negatief vaderbeeld en een diepgeworteld trauma bij het oudste kind.

Tijdens de zitting kwamen verschillende standpunten aan bod. De moeder steunt het verzoek en benadrukt het belang van rust en een spoedige behandeling van de familiezaak. De vader uit zorgen over het contactverlies en de hulpbehoefte van de kinderen. De bijzondere curatoren constateren dat er geen ruimte is voor contactherstel en pleiten voor rust en het opbouwen van een neutraal vaderbeeld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert verlenging vanwege de complexe situatie en het ontbreken van draagvlak voor systeemtherapie.

De rechtbank oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd door de langdurige conflicten tussen de ouders en het negatieve vaderbeeld. De verlenging van drie maanden wordt toegewezen om rust te creëren en de situatie verder te laten stabiliseren. Tevens worden de bijzondere curatoren herbenoemd om de belangen van de kinderen te blijven behartigen. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en benoemt bijzondere curatoren tot 18 april 2026 vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711334 / JE RK 25-2527
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. M. Jonkman, kantoorhoudende in Capelle aan den IJssel,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
[naam 1],
hierna te noemen de bijzondere curator,
kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam 2],
hierna te noemen de bijzondere curator,
kantoorhoudende in Sassenheim.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in deze procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 december 2025;
  • het (ambtshalve door de rechtbank aan het dossier toegevoegde) rapport van de Raad van 30 juni 2025;
  • het (ambtshalve door de rechtbank aan het dossier toegevoegde) verslag met bevindingen van de bijzondere curatoren van 9 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader;
  • de bijzondere curatoren, waarbij [naam 2] op haar verzoek door middel van een Teams-verbinding is aangesloten bij de zitting;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 3] en [naam 4];
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 5].
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft daar geen gebruik van gemaakt. De moeder heeft [minderjarige 1] voor het kindgesprek afgemeld.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 2 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 18 januari 2026 en zijn [naam 1] en [naam 2] (her)benoemd tot bijzondere curatoren tot 18 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.
De GI had gehoopt dat de rechtbank op 9 januari 2026 ook de familiezaak tussen de ouders zou behandelen. Met het oog daarop is het verzoek door de GI gedaan, zodat de komende periode door middel van een korte verlenging van de ondertoezichtstelling de zaak kan worden overgedragen aan het wijkteam in het vrijwillig kader. [minderjarige 2] zou speltherapie moeten volgen. Dit is echter niet goed van de grond gekomen. Er zijn verschillende gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ouders gevoerd. Momenteel is er bij hen geen ruimte voor het volgen van systeemtherapie. Systeemtherapie lijkt de GI ook niet passend om de situatie op te lossen of te werken aan contactherstel tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn hulpverleningsmoe. Er zijn momenteel geen hulpvragen. Het is belangrijk dat er rust komt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het wijkteam kan een vinger aan de pols houden wanneer er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ruimte ontstaat voor therapie.
4.2.
Namens en door de moeder is ter zitting het volgende aangevoerd. De moeder staat achter het verzoek van de GI en het advies van de bijzondere curatoren. Het is belangrijk om rust te creëren en op termijn te bekijken wanneer speltherapie kan starten. De moeder hoopt dat de behandeling van de familiezaak zo spoedig mogelijk op een volgende zitting wordt gepland en dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd totdat een beslissing in de familiezaak is genomen.
4.3.
De vader heeft ter zitting het volgende verklaard. Al jaren wordt geen actie ondernomen en geen hulpverlening ingezet om ervoor te zorgen dat bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een positief vaderbeeld kan ontstaan. Elke keer moet [minderjarige 1] bevestigen dat de vader hem zou hebben mishandeld terwijl de vader daarvoor niet is veroordeeld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben veel hulp nodig. De vader maakt zich veel zorgen over hen en over de vraag op welke manier het contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden hersteld. Het doet de vader veel pijn dat hij het zicht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verliest. De vader constateert dat het in het kader van de ondertoezichtstelling tot nu toe niet is gelukt om stappen te zetten. De vader maakt zich er dan ook grote zorgen over hoe het in een vrijwillig kader verder moet, zoals door de GI wordt beoogd. De vader zal, als het niet anders kan, blijven procederen in het belang van de kinderen.
4.4.
De bijzondere curator [naam 1] heeft ter zitting het volgende meegedeeld. [minderjarige 1] wijst de vader volledig af en [minderjarige 2] gaat daarin mee. De ouders hebben verschillende visies. Volgens de moeder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust nodig en de vader wenst contactherstel met hen. Door de gesprekken met alle begeleiders en hulpverleners, de jeugdbescherming, de Raad en de bijzondere curatoren moet [minderjarige 1] telkens zijn negatieve gevoelens naar boven halen. Daardoor wordt het negatieve vaderbeeld telkens versterkt en steeds groter. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen geen gesprekken meer voeren. Er is bij hen geen ruimte voor de inzet van hulp of therapie voor contactherstel met de vader, hoe belangrijk de bijzondere curatoren contactherstel ook vinden. Door rust zal hopelijk een ander vaderbeeld bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontstaan. Het is van belang dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd totdat de rechtbank in de familiezaak een beslissing heeft genomen, ook rekening houdend met de periode van hoger beroep.
4.5.
De bijzondere curator [naam 2] heeft ter zitting het volgende meegedeeld. Het is verdrietig dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in contact kunnen staan met de vader. Het doel moet zijn om [minderjarige 1] te vragen wat hij wil bereiken. Hij kan immers redelijk goed aangeven waar hij voor open staat. Als contact met zijn vader wordt opgelegd, heeft [minderjarige 1] niet het gevoel dat hij is gehoord. Kinderen maken hun eigen vaderbeeld. Als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarin de vrijheid krijgen, is de verwachting dat zij ook nieuwsgierig zullen worden naar de vader.
4.6.
De bijzondere curatoren hebben beiden aangegeven dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is om hun benoeming als bijzondere curatoren te verlengen.
4.7.
De Raad heeft ter zitting het volgende meegedeeld. Het is mogelijk nog te vroeg om de zaak over te dragen aan het vrijwillig kader. De Raad kan zich ook voorstellen dat de ondertoezichtstelling voor een langere periode wordt verlengd. De kinderen hebben rust nodig, maar het is de vraag wat er daarna verder nodig is en wat de moeder kan doen voor het creëren van een neutraal vaderbeeld. De ouders moeten eerst aan de slag. Voor systeemtherapie blijkt nu echter geen draagvlak te zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben momenteel geen ruimte voor contactherstel en dan werkt dwang uitsluitend averechts. Het is van belang dat de moeder ondersteuning krijgt zodat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een neutraal vaderbeeld kunnen vormen en dat de vader inziet dat er momenteel geen contactherstel mogelijk is. De vader kan via de ondertoezichtstelling ondersteuning gebruiken bij het accepteren van de situatie en hulp bij wat hij dan wel kan doen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben rust en duidelijkheid nodig om vervolgens vanuit hun ontwikkelingsbehoefte te bezien of een organisatie zoals Youth Care de kinderen kan ondersteunen om een neutraler vaderbeeld te krijgen.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Al jarenlang hebben de ouders conflicten en strijd, die zij onder meer uitvechten door middel van juridische procedures over gezag en mogelijke omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden zwaar belast met deze strijd. De relatie tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijkt ernstig verstoord geraakt door een negatieve ervaring die [minderjarige 1] met de vader zou hebben meegemaakt. Daardoor is sprake van een diepgeworteld trauma en angst bij [minderjarige 1]. Deze angst heeft [minderjarige 1] op [minderjarige 2] overgebracht, waardoor de kinderen zich niet veilig voelen in de aanwezigheid van de vader.
5.3.
De Raad memoreert in zijn rapport van 30 juni 2025 dat in 2023 het raadsonderzoek was afgesloten met daarin het advies dat de Raad het belangrijk vond dat de ouders gingen toewerken naar meer wederzijds respect en begrip. Daarnaast vond de Raad het belangrijk dat de ouders onder begeleiding van de GI en de betrokken hulpverlening zouden gaan werken aan een gelijkwaardige positie en een goede samenwerking. Uit het onderzoek van de Raad in 2025 is gebleken dat dit niet van de grond is gekomen. De grootste zorg van de Raad is nog onveranderd: het lukt de ouders niet, ondanks de inzet van diverse vormen van hulpverlening én de inzet van een GI, om op enige manier tot consensus te komen. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader al lange tijd niet hebben gezien, en [minderjarige 2] feitelijk geen vaderbeeld heeft, blijven de angsten bij de kinderen onverminderd voortbestaan.
5.4.
Van belang is - aldus de Raad - dat inzichtelijk wordt welke invloed de moeder en het netwerk van moederszijde hebben op de hele situatie, en waarom het de afgelopen vijf jaar niet gelukt is om stappen te zetten richting contactherstel. Van belang is dat de moeder inziet dat de vader voor altijd de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal blijven. De ouders hebben de keuze gemaakt om kinderen te krijgen, en daarbij hoort de verantwoordelijkheid en de plicht om het contact met de andere ouder vorm te geven en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] emotionele toestemming voor contact met de andere ouder te geven.
5.5.
De Raad vindt het - aldus het rapport van 30 juni 2025 - belangrijk dat op korte termijn systeemtherapie ingezet wordt, zodat inzichtelijk wordt welke invloed het netwerk/systeem heeft op de kinderen. Het negatieve beeld over de vader wordt al jaren in stand gehouden en inzichtelijk dient te worden in hoeverre het netwerk hier verantwoordelijk voor is. De Raad is in zijn rapport van 30 juni 2025 van mening dat er toegewerkt moet worden naar contactherstel met de vader. Tevens dient gewerkt te worden aan hulpverlening voor de ouders om de strijd te verminderen. Als een van de partijen niet meewerkt, kan een schriftelijke aanwijzing gegeven worden, stelt de Raad. De Raad realiseert zich dat er voor de kinderen geen rust komt, echter vindt de Raad de rust die er nu (juni 2025) zou zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een soort schijnrust. Omdat het ook belastend is voor de kinderen, als ze van vader geen neutraal vaderbeeld kunnen vormen.
5.6.
De bijzondere curatoren hebben - aldus hun rapport van 9 december 2025 - geconstateerd dat er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen ruimte is voor contactherstel met de vader. De vader is mede door het tijdsverloop in de ogen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een ‘monster’ geworden. Volgens de bijzondere curatoren moet de druk van de procedures eraf, moet er systematisch met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de gang worden gegaan opdat er in het levensverhaal van de kinderen iets van een neutraal vaderbeeld ontstaat, zodat als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ouder worden er mogelijk openingen zijn om wel een relatie met de vader op te bouwen.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu bijna 4 jaar onder toezicht staan van de GI. In die periode zijn de ouders niet nader tot elkaar gekomen en is de vader in de ogen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot een ‘monster’ verworden. In haar verzoek geeft de GI aan dat een verlenging van de ondertoezichtstelling met drie maanden voldoende is en dat in die periode een overdracht kan plaats vinden naar het vrijwillige kader. Gezien al het vorenstaande kan de rechtbank deze visie niet volgen. De rechtbank ziet in deze complexe casus niet dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over drie maanden zal zijn weggenomen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de rust die er nu zou zijn of die gecreëerd zou moeten gaan worden, een schijnrust is. Immers, de vader zal altijd de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijven en het is zeer verontrustend dat zij hem nu zien als een ‘monster’ terwijl hij al jaren geen contact met hen heeft en [minderjarige 2] zelfs geen eigen herinnering aan hem heeft.
5.8.
Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat de sleutel tot verbetering van de situatie in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders ligt. Zoals de Raad ook heeft aangegeven, hebben de ouders de keuze gemaakt om kinderen te krijgen en daarbij hoort de verantwoordelijkheid en de plicht om er samen voor te zorgen dat het negatieve vaderbeeld van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omgebogen wordt naar een neutraal vaderbeeld. De ouders behoren hiermee via hulpverlening aan hen aan de slag te gaan, waarbij in eerste instantie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet betrokken worden. Dit zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een periode van rust geven, waarna het aan de ouders is om samen - onder begeleiding van de hulpverlening - aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te laten zien dat de vader naast de moeder de andere persoon is van wie zij afstammen, van wie zij de genen in zich dragen en die, net als de moeder, veel om hen geeft. Langs die weg behoort de vader met goedkeuring van de moeder een gezonde plek in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te krijgen.
5.9.
Aangezien aan de rechtbank slechts een verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden voorligt, kan de rechtbank niet anders dan dit geheel toewijzen. De rechtbank verwacht van de GI en de ouders dat zij met vorenstaande snel en serieus aan de slag gaan.
5.10.
Indien de GI daadwerkelijk voornemens is om de komende drie maanden toe te werken naar een afsluiting van de ondertoezichtstelling, dan zal dat voornemen tijdig voor afloop van de ondertoezichtstelling ter toetsing aan de Raad moeten worden voorgelegd.
Ten aanzien van de benoeming van de bijzondere curatoren
5.11.
Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting acht de rechtbank een langere benoeming van [naam 1] en [naam 2] tot bijzondere curatoren over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk. Daarom verlengt de rechtbank de benoemingen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot
18 april 2026, zodat de bijzondere curatoren de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen blijven behartigen, hen in en buiten rechte kunnen blijven vertegenwoordigen en al het nodige kunnen doen wat overigens in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.
5.12.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 18 april 2026;
6.2. (
(her)benoemt tot bijzondere curatoren om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te vertegenwoordigen: [naam 1], kantoorhoudende aan de [adres 1], en [naam 2], kantoorhoudende aan de
[adres 2], en bepaalt dat deze benoemingen gelden tot
18 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door
mr. A.A.J. de Nijs, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. A.M.I. van der Does en
mr. J.C.M. Persoon, kinderrechters, in aanwezigheid van D. van der Aa als griffier, en op schrift gesteld op 21 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.