Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4516

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/9997
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 5:37 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening bij dwangsom

Verzoeker had een last onder dwangsom opgelegd gekregen wegens drugshandel en maakte bezwaar tegen dit besluit. Hij vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de invordering van de dwangsom te schorsen. De burgemeester schortte de invordering op, hoewel nog geen invorderingsbeschikking was genomen.

Verzoeker trok vervolgens het verzoek om voorlopige voorziening in en vroeg om een proceskostenveroordeling van de burgemeester. De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel de burgemeester aan het verzoek tegemoet was gekomen door de invordering op te schorten, het verzoek om voorlopige voorziening niet noodzakelijk was omdat er nog geen invorderingsbeschikking was.

Verder was het beleid van de burgemeester om het invorderingsproces stil te leggen bij bezwaar. Verzoeker had ook de mogelijkheid gehad om contact op te nemen naar aanleiding van de factuur. Daarom werd het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen.

De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter zonder zitting en is onherroepelijk. De zaak betreft de toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de context van voorlopige voorzieningen en dwangsommen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het verzoek om voorlopige voorziening niet noodzakelijk was en de burgemeester nog geen invorderingsbeschikking had genomen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9997

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

de burgemeester van Vlaardingen

(gemachtigde: mr. F. Amouri).

Inleiding

1. Met een besluit van 9 januari 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd vanwege (kort gezegd) drugshandel op straat. De hoogte van de dwangsom bedraagt € 10.000,- per geconstateerde overtreding van artikel 2:87 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen 2019 (APV), met een maximum van € 30.000,-.
2. Bij brief van 25 november 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker laten weten dat hij op 24 oktober 2025 heeft gehandeld in strijd met de aan hem opgelegde last onder dwangsom en dat van rechtswege een dwangsom is verbeurd van € 10.000,-. Verzoeker heeft op 3 december 2025 een factuur gekregen, waarin staat dat hij dit bedrag uiterlijk op 2 januari 2026 moet hebben betaald.
3. Verzoeker heeft op 10 december 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 januari 2025 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
5. De burgemeester heeft verzoeker op 12 februari 2026 laten weten dat de invordering van de dwangsom wordt opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
6. Verzoeker heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, en daarbij het verzoek gedaan om de burgemeester te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De burgemeester heeft de rechtbank meegedeeld dat er volgens hem geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling.
7. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
9. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
10. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
11. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat de invordering van de dwangsom wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft verzoeker daarop laten weten dat de invordering van de dwangsom wordt opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft daarmee een maatregel genomen waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. De burgemeester is daarmee aan verzoeker tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
12. Er moet echter in dit geval wegens bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt op het uitgangspunt dat bij tegemoetkoming in beginsel een proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. [4] Het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening was namelijk niet noodzakelijk omdat de burgemeester nog geen invorderingsbeschikking had genomen. [5] Verder heeft de burgemeester toegelicht dat het vast beleid is dat het invorderingsproces ‘on hold’ wordt gezet als er een bezwaarschrift wordt ingediend. Het had op de weg van verzoeker gelegen om naar aanleiding van de brief van 25 november 2025 en de factuur van 3 december 2025 contact op te nemen met de burgemeester. Deze omstandigheden vormen aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling af te wijzen.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Zie CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Zie artikel 5:37, eerste lid, van de Awb: “Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.”