Verzoekster, afkomstig uit Curaçao, heeft met drie minderjarige kinderen een aanvraag gedaan voor toelating tot maatschappelijke opvang, welke door het college is afgewezen op grond van voldoende zelfredzaamheid. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster ondanks het standpunt van het college onvoldoende in staat is om zelfstandig voor onderdak te zorgen, mede vanwege haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal, psychosociale problematiek binnen het gezin en het ontbreken van een sociaal netwerk.
Tijdens de zitting heeft verzoekster aangegeven dat haar situatie op het intakeformulier niet volledig is weergegeven en dat er sprake is van schulden en psychosociale problematiek, waaronder behandeling van haar oudste dochter door een psycholoog. Hoewel verzoekster deze stellingen niet met stukken heeft onderbouwd, wordt dit haar niet verweten gezien haar beperkte taalvaardigheid en het ontbreken van professionele rechtsbijstand.
De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig omdat verzoekster en haar kinderen vanaf 20 maart 2026 feitelijk dakloos dreigen te worden. Daarom wordt het besluit van het college geschorst en wordt verzoekster toegelaten tot de maatschappelijke opvang voor een periode van vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Verzoekster wordt opgedragen binnen twee weken haar stellingen met stukken te onderbouwen. Het college moet het betaalde griffierecht vergoeden en er is geen proceskostenveroordeling wegens het ontbreken van professionele bijstand.