Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4799

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/5302
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 PwArt. 18 lid 1 PwArt. 21 PwArt. 11 Wet algemene bepalingenArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding

Eiser diende op 30 december 2024 een aanvraag in voor bijzondere bijstand en op 7 februari 2025 een aanvraag voor algemene bijstand, welke door het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee werden afgewezen. Het college baseerde de afwijzing op het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat eiser met zijn ex-partner een gezamenlijke huishouding vormde, omdat zij in dezelfde woning verbleven en uit hun relatie kinderen zijn geboren.

Eiser voerde aan dat hij feitelijk niet meer samenwoonde met zijn ex-partner en dat het college had moeten onderzoeken of hij recht had op bijstand als alleenstaande. Hij verwees naar jurisprudentie waarin het betwisten van een gezamenlijke huishouding mogelijk is bij voldoende bewijs. De rechtbank oordeelde echter dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet (Pw) geldt en dat het college niet verplicht was nader onderzoek te doen.

De rechtbank stelde vast dat eiser en zijn ex-partner in de relevante periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er kinderen uit hun relatie zijn geboren. Dit leidt tot de toepassing van de gehuwdennorm, waardoor eiser geen zelfstandig recht op bijstand had. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard vanwege het onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5302

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en

het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee, het college

(gemachtigde: R. Achahbar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een bijstandsuitkering. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 december 2024 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud. Op 7 februari 2025 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering.
2.1.
Met een besluit van 14 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college deze aanvraag afgewezen.
2.2.
Met een besluit van 19 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, onder overneming van het advies van 12 mei 2025 van de Commissie bezwaarschriften, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, L. Murad (tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is op 24 december 2024 gescheiden van N. Faraj, zijn ex-partner. Hij woonde ten tijde hier van belang samen met zijn ex-partner en drie kinderen op het adres [adres] te [plaats] . Op 30 december 2024 heeft eiser een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend en daarvoor als reden gegeven dat hij sinds maart 2024 zonder inkomen zit, gescheiden is en bijna € 6.000,- aan schulden heeft. Naar aanleiding van een telefoongesprek met eiser heeft het college deze aanvraag opgevat als een melding voor algemene bijstand. Op 7 februari 2025 heeft eiser een aanvraag voor algemene bijstand ingediend. Met het primaire besluit heeft het college eisers aanvraag afgewezen.
3.1.
Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser met zijn ex-partner een gezamenlijke huishouding vormt. Zij woonden ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit op hetzelfde adres. Er is daarom sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden ten aanzien van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Pw. De aanwezigheid van een rechtsvermoeden leidt zonder nader onderzoek tot de vaststelling dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. De vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan, behoeft daarvoor niet meer te worden beantwoord.
Het standpunt van eiser
4. Eiser betoogt dat het college gehouden was tot het verrichten van nader onderzoek naar zijn feitelijke woonplaats en dat het door gemachtigde aangevoerde bewijs bij de beoordeling van het besluit betrokken diende te worden. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3307, waarin is geoordeeld dat artikel 3, vierde lid, van de Pw, een belanghebbende niet belemmert het feitelijk bestaan van een gezamenlijke huishouding en het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten, mits relevante argumenten en bewijsstukken worden aangevoerd.
Eiser betoogt dat aan deze voorwaarden zijn voldaan nu hij feitelijk niet langer samenwoonde met zijn ex-partner en dat de scheiding al in gang was gezet. In dit geval heeft het college dan ook ten onrechte nagelaten om hier nader onderzoek naar te doen. Te meer nu eiser heeft gesteld in bijstandsbehoeftige omstandigheden te verkeren en dat zijn ex-partner financieel helemaal niets bijdroeg. Eiser betoogt dat het in dit geval "te kort door de bocht" is om de aanvraag enkel af te wijzen op basis van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding, nu zijn in geval sprake is van een bijzondere situatie en duidelijke aanwijzingen bestonden dat eiser feitelijk niet meer samenwoonde met zijn ex-partner en zij ondanks haar inkomsten uit haar baan niet bijdroeg in de vaste lasten.
Relevante wet- en regelgeving
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
Periode in geding.
6. De door de rechter te beoordelen periode loopt van 30 december 2024, de datum van de aanvraag, tot en met 14 februari 2025, de datum van het afwijzingsbesluit.
Gezamenlijk huishouding
7. Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
8. Niet in geschil is dat eiser en zijn ex-partner in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat uit hun relatie kinderen zijn geboren. Dat eisers ex-partner op 12 maart 2025 is uitgeschreven van het adres en op die datum naar een nieuwe woning is verhuisd, zoals eiser stelt, maakt de situatie in de te beoordelen periode niet anders. Daarmee is aan het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw voldaan. Het college stelt zich daarom op goede gronden op het standpunt dat in de te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen eiser en zijn ex-partner.
9. Het college heeft in wat eiser aanvoert geen aanleiding hoeven zien om, met voorbijgaan aan het hiervoor genoemde onweerlegbare rechtsvermoeden, de bijstand afwijkend vast te stellen. Omdat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden speelt de vraag of in de periode in geding ook daadwerkelijk sprake was van wederzijdse zorg tussen eiser en zijn ex-partner geen rol. Voor de toepassing van de Pw moet de aard van de relatie buiten beschouwing blijven en moeten eiser en zijn ex-partner in de te beoordelen periode als gehuwd worden aangemerkt. Eiser kan daarom niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had dus geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Eiser heeft in bezwaar verder ook niet maar een begin van bewijs geleverd wat voor het college aanleiding had moeten vormen nader onderzoek te doen naar de leefsituatie van eiser met het oog op het op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw geldende zogeheten individualiseringsbeginsel. Ook in beroep heeft hij dat niet gedaan. Eiser betoogt dan ook tevergeefs dat het college ten onrechte heeft nagelaten nader onderzoek te doen naar zijn leefsituatie.
Evenredigheid
10. De toepassing van de gehuwdennorm vloeit dwingend voort uit een wet in formele zin (artikel 21 en Pro artikel 3, vierde lid, van de Pw). Naar de huidige stand van de rechtsontwikkeling staan dan artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen en het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet in zijn algemeenheid in de weg aan toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. [1] Eiser heeft niets aangevoerd wat zou kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onevenredig is.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 3
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
Artikel 18, eerste lid
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 13 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:769.