Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4828

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/10/716283/HA RK 26-210
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter-commissaris bij voorlopig getuigenverhoor

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. A.C. Rop, rechter-commissaris in een civiele zaak betreffende een voorlopig getuigenverhoor tussen verzoeker en het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam. Het verzoek betrof onder meer het niet aan het proces-verbaal hechten van door de getuige gemaakte aantekeningen en vermeende onjuiste weergave in het proces-verbaal.

De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de rechter een ruime mate van vrijheid heeft in de procesvoering en dat het niet toevoegen van de aantekeningen een procesbeslissing is die niet wijst op vooringenomenheid. Ook is vastgesteld dat het proces-verbaal een zakelijke weergave is en dat geen onjuiste weergave is gebleken.

Verder is vastgesteld dat de getuige voldoende gelegenheid heeft gehad om vrijuit te verklaren en dat er geen objectieve belemmering door de rechter is geweest. De wrakingskamer concludeert dat de aangevoerde omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid opleveren en wijst het wrakingsverzoek af.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/716283/HA RK 26-210
Beslissing van 9 april 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. T.K.A.B. Eskes,
strekkende tot de wraking van
mr. A.C. Rop,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer C/10/705135 / HA RK 25-813. Die zaak betreft een voorlopig getuigenverhoor tussen verzoeker en het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (EMC). De rechter is als rechter-commissaris belast met het horen van getuigen. Op 11 maart 2026 is als eerste getuige mevrouw [getuige] gehoord. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
  • het wrakingsverzoek van verzoeker, op 11 maart 2026 mondeling gedaan tijdens de zitting van de hiervoor onder 1.1. genoemde zaak;
  • het proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2026 waarin het mondeling wrakingsverzoek en de gronden daarvan zijn vermeld;
  • de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van 12 maart 2026;
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 13 maart 2026;
  • de aanvulling van de gronden van 13 maart 2026, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de advocaat van verzoeker.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 26 maart 2026 zijn verschenen:
  • de verzoeker en zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • de rechter.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft – zakelijk en verkort weergegeven – het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft tijdens het getuigenverhoor geweigerd om de door de getuige gemaakte aantekeningen van wat er op 19 februari 2025 gebeurd is, aan het proces-verbaal van het verhoor te hechten en daarmee relevant bewijsmateriaal buiten het proces-verbaal gelaten. Daarnaast heeft de rechter in het proces-verbaal een onjuiste weergave opgenomen van hetgeen op de zitting is voorgevallen. Voorts heeft de rechter door zijn opstelling en bejegening een zodanige sfeer doen ontstaan dat de getuige zich niet vrij voelde om volledig en onbelemmerd te verklaren. Door deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft verzoeker twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter en is de schijn van partijdigheid ontstaan.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.3.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
3.4.
De wrakingskamer oordeelt dat de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek kunnen leiden. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Weigering aantekeningen getuige aan het proces-verbaal te hechten
3.5.
Vooropgesteld wordt dat de rechter regie voert over zaken die aan hem worden voorgelegd. De rechter heeft een grote mate van vrijheid om het verloop en de voortgang van de zitting en de wijze van behandeling te bepalen. Het staat de rechter vrij te bepalen welke vragen hij aan de getuige stelt, hoe de verklaring en welke inhoud uiteindelijk in het proces-verbaal van het getuigenverhoor terechtkomt. Een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter levert op zichzelf geen grond voor wraking op. Dat kan anders zijn als een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.
3.6.
De beslissing van de rechter om de door de getuige gemaakte aantekeningen niet aan het proces-verbaal te hechten is een processuele beslissing van de rechter. Bij gelegenheid van een (voorlopig) getuigenverhoor wordt proces-verbaal opgemaakt van de door de getuige op de zitting afgelegde verklaring. Het namens verzoeker op de zitting van 11 maart 2026 ingenomen standpunt dat een partij het recht heeft om de aantekeningen van een getuige aan het proces-verbaal van het getuigenverhoor te laten hechten, mist wettelijke basis. Het is in zoverre dan ook niet onbegrijpelijk dat de rechter het verzoek van de advocaat van verzoeker om de aantekeningen van de getuige aan het proces-verbaal te hechten, heeft afgewezen. Enige vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan hieruit niet worden afgeleid. Bij dit oordeel weegt ook mee dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de rechter de getuige heeft toegestaan om tijdens het verhoor haar aantekeningen erbij te houden, dat de getuige aan de hand van die aantekeningen heeft verklaard en dat zij na afloop haar aantekeningen nog eens heeft bezien waarna zij desgevraagd heeft verklaard dat zij alles heeft verklaard dat zij wilde verklaren.
Onjuiste weergave in het proces-verbaal
3.7.
De wrakingskamer stelt vast dat een proces-verbaal een zakelijke en verkorte – dus niet een letterlijke – weergave is van wat op de zitting is besproken. Verzoeker meent dat het proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2026 onjuistheden bevat, omdat in het proces-verbaal staat dat mr. Van Beurden, de advocaat van het EMC, bezwaar heeft gemaakt tegen het verzoek om de aantekeningen aan het proces-verbaal te hechten. Volgens verzoeker en zijn advocaat is een dergelijk bezwaar op de zitting niet gemaakt en dat wordt bevestigd door andere aanwezigen van wie schriftelijke verklaringen bij het wrakingsverzoek zijn gevoegd.
3.8.
Uitgangspunt is dat van de juistheid van een proces-verbaal moet worden uitgegaan. Ten aanzien van de vraag wat procesdeelnemers hebben verklaard, kan daarbij in het algemeen worden gesteld dat de rechter en de griffier, die recht tegenover partijen zitten, de beste positie hebben om waar te kunnen nemen wat partijen (verbaal of non-verbaal) verklaren. Het is voorstelbaar dat andere aanwezigen, zoals ook wel blijkt uit de door verzoeker overgelegde verklaringen van andere aanwezigen op de zitting, een verklaring niet meekrijgen, maar dat wil nog niet zeggen dat deze niet is gedaan. Van een onjuiste weergave in het proces-verbaal van de zitting van 11 maart 2026 is dan ook niet gebleken. Overigens wordt opgemerkt dat ook indien mr. Van Beurden geen bezwaar zou hebben gemaakt, het niet toevoegen van de aantekeningen een aan de rechter toekomende beslissing blijft, waaruit de schijn van partijdigheid niet kan worden afgeleid.
Belemmering getuige
3.9.
Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de rechter de getuige alle ruimte heeft gegeven om haar verklaring af te leggen. De getuige is zo’n 45 minuten aan het woord geweest. Blijkens het proces-verbaal mocht ze haar aantekeningen nakijken en erbij houden. De rechter heeft het verhoor aanvankelijk willen beperken tot de vraag wat er op 19 februari 2025 in het EMC is gebeurd, maar de getuige wilde ook verklaren over de aanloop daar naartoe. Ook die gelegenheid heeft de getuige gekregen. Van enige objectieve belemmering van de getuige waardoor deze zich niet vrij zou voelen om te verklaren, door toedoen van de rechter, is dan ook niet gebleken.
3.10.
De aangevoerde gronden kunnen, afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, niet tot gegrondverklaring van het verzoek leiden. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. Franken, voorzitter, mr. F. Aukema-Hartog en mr. W.J. de Veld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.