Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5031

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
12094420 VZ VERZ 26-445
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 lid 1 BWArt. 7:671 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet vernietigd wegens ontbreken dringende reden en dubbele bestraffing

Werknemer was sinds april 2024 in dienst bij TGK Logistics als chauffeur containervervoer en werd op 11 december 2025 op staande voet ontslagen. Hij vorderde vernietiging van het ontslag, wedertewerkstelling en doorbetaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet geldig is omdat niet is voldaan aan de vereiste subjectieve dringende reden.

De gebeurtenissen op 9 en 10 december 2025, waarbij werknemer een vieze container gebruikte en niet direct instructies opvolgde, zijn onvoldoende om een dringende reden aan te nemen. Bovendien had werkgever op 10 december al een officiële waarschuwing gegeven voor deze gedraging, waardoor werknemer niet twee keer voor hetzelfde kan worden gestraft. De feitelijke toedracht is niet volledig vastgesteld, maar dat is voor de beoordeling niet doorslaggevend.

De kantonrechter veroordeelt TGK tot het doorbetalen van loon vanaf 11 december 2025 met een gematigde wettelijke verhoging van 20% en wettelijke rente. Tevens moet TGK binnen veertien dagen salarisspecificaties verstrekken en werknemer binnen zeven dagen na uitspraak weer aan het werk laten, met dwangsommen bij niet-naleving. Proceskosten worden aan TGK opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en werkgever moet werknemer wedertewerkstellen en loon doorbetalen met verhoging en rente.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12094420 VZ VERZ 26-445
datum uitspraak: 30 april 2026 (bij vervroeging)
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. T. Ecevit-Yegen,
tegen
TGK Logistics,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.D. Vrolijk.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van 10 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 10;
  • het verweerschrift van 6 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 42;
  • de bijlagen 11 tot en met 16 van Werknemer;
  • de pleitaantekeningen van beide partijen.
1.2.
Op 9 april 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
Werknemer werkte sinds 22 april 2024 bij TGK als chauffeur containervervoer. Hij is op 11 december 2025 op staande voet ontslagen. Werknemer wil dat deze opzegging wordt vernietigd, dat hij weer aan het werk mag en dat TGK het salaris doorbetaalt. TGK vindt dat alle verzoeken van Werknemer moeten worden afgewezen.
De uitkomst is dat de opzegging wordt vernietigd. TGK moet het loon doorbetalen en Werknemer weer laten werken. Hierna wordt uitgelegd waarom dit het oordeel is.
Het ontslag op staande voet is niet geldig
2.2.
De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd. [1] Werknemer is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en er is niet voldaan aan alle voorwaarden voor een ontslag op staande voet. [2] Een van die eisen is dat er een dringende reden moet zijn. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband. [3] Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier geen sprake is van een dringende reden.
2.3.
Werknemer heeft van TGK meerdere officiële waarschuwingen gekregen, steeds voor andere gedragingen. Het gedrag van Werknemer op 9 en 10 december 2025 is volgens TGK ‘de druppel’ geweest. Het is de kantonrechter ondanks doorvragen tijdens de zitting niet helemaal duidelijk geworden wat er op deze dagen precies is gebeurd. Wat de kantonrechter ervan heeft begrepen is dat Werknemer op 9 december 2025 een container had opgehaald, die niet schoon (genoeg) was. Werknemer kreeg de instructie om de container aan het eind van de dag af te koppelen. Dat heeft Werknemer ook gedaan. Vervolgens kreeg Werknemer de opdracht om de volgende dag naar een andere klant te gaan. Werknemer heeft toen dezelfde container weer aangekoppeld. Naar eigen zeggen was hij op dat moment vergeten dat die container niet schoon was. Dat verwijt TGK hem. Volgens TGK is hij daarmee bewust tegen de gegeven instructie ingegaan. Dat betwijfelt de kantonrechter. Er is namelijk geen expliciete opdracht gegeven om de volgende dag een andere container aan te koppelen (en niet dezelfde) en bovendien valt niet in te zien waarom Werknemer er bewust voor zou hebben gekozen om met de vieze container op pad te gaan. Op 10 december is hij met deze container naar een klant in Arnhem gaan rijden. TGK wilde toen dat Werknemer terug zou komen om de vieze container om te ruilen. Werknemer is wel teruggekomen, maar pas nadat hij eerst had geprobeerd om zelf de container op het terrein van de klant schoon te maken. Dat vindt TGK te laat en zij verwijt Werknemer dat hij niet direct de instructie van Werkgever heeft opgevolgd om terug te komen.
2.4.
Uit deze gebeurtenissen op 9 en 10 december blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer van kwade bedoelingen van Werknemer. Het is niet ondenkbaar dat de taalbarrière een (grote) rol heeft gespeeld. Daarnaast valt uit de feitelijke toedracht ook niet af te leiden dat de poging van Werknemer om de container op locatie bij de klant schoon te maken niet is gedaan in het belang van TGK. Immers, Werknemer was op het moment dat hij de instructie kreeg om de container om te komen ruilen al (bijna) bij de klant in Arnhem, zodat er sprake was van een forse reisafstand terug naar de plek waar Werknemer een schone container zou moeten ophalen (naar de kantonrechter begrijpt: Waalhaven Rotterdam). Maar of en waarom het allemaal precies is gegaan zoals hier is beschreven, is voor de uiteindelijke beoordeling van het ontslag op staande voet niet belangrijk. Daarom worden de verdere stellingen van partijen over en weer over de feitelijke toedracht onbesproken gelaten. Hierna wordt uitgelegd waarom de exacte feitelijke toedracht niet belangrijk is.
2.5.
TGK heeft Werknemer naar aanleiding van de gebeurtenissen op 9 en 10 december op 10 december een officiële waarschuwing gegeven, omdat hij de werkinstructies niet opvolgt. Op 10 december 2025 vond TGK deze gebeurtenissen in combinatie met het verleden van Werknemer kennelijk nog niet voldoende voor een ontslag op staande voet. Op 10 december 2025 is namelijk gekozen voor een officiële waarschuwing als ‘straf’. De waarschuwingsbrief van die datum is ondertekend door de directeur. Tijdens de zitting heeft TGK eveneens verklaard dat de directeur aan het einde van deze dag een gesprek heeft gehad met Werknemer. De tot ontslag bevoegde directeur was toen dus al bekend met de gebeurtenissen én heeft besloten om daarvoor een waarschuwing – en geen ontslag op staande voet – te geven. Op 11 december ontslaat TGK Werknemer alsnog op staande voet, met als reden de gebeurtenissen op 9 en 10 december, alle eerdere officiële waarschuwingen en het feit dat Werknemer ondanks alle waarschuwingen geen verbetering heeft getoond. Tussen 10 en 11 december is er echter niets nieuws gebeurd. TGK mag Werknemer naar het oordeel van de kantonrechter niet op staande voet ontslaan voor iets waarvoor zij hem de dag ervoor al een officiële waarschuwing heeft gegeven. Een werknemer kan voor dezelfde gedraging niet twee keer worden gestraft. Voor zover TGK op 11 december bedoelde dat Werknemer geen verbetering heeft getoond sinds zijn laatste officiële waarschuwing geldt natuurlijk dat dat niet redelijk is. Zijn laatste officiële waarschuwing dateerde immers van de dag ervoor. Aangezien een en ander voor TGK op 10 december geen dringende reden voor een ontslag op staande voet was en er daarna niets nieuws meer is gebeurd, is er in ieder geval geen sprake van een
subjectieve [4] dringende reden.
TGK moet Werknemer zijn werk laten hervatten
2.6.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, moet TGK Werknemer zijn werkzaamheden laten hervatten. Dat moet binnen zeven dagen na de datum van deze uitspraak. Als TGK dat niet of te laat doet, moet TGK voor iedere dag dat zij daarmee te laat is € 100,00 aan Werknemer betalen. Dat is lager dan de € 500,00 per dag zoals door Werknemer is gevraagd, omdat de kantonrechter dit bedrag redelijk vindt. De kantonrechter stelt het maximum aan te verbeuren dwangsommen vast op € 15.000,00.
2.7.
Tijdens de zitting heeft TGK weliswaar verklaard dat ‘het klaar is’ en dat de planners niet meer met Werknemer willen werken, maar door de vernietiging van de opzegging is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. En daarmee ook de verplichtingen van TGK als werkgever, zoals het betalen van loon en het laten werken van Werknemer. Als TGK onder geen beding met Werknemer verder had gewild, dan had zij in deze procedure kunnen vragen om de arbeidsovereenkomst met Werknemer voorwaardelijk te ontbinden, voor het geval het ontslag op staande voet zou worden vernietigd. Dat heeft zij niet gedaan. Tijdens de zitting heeft zij daarover verklaard dat zij dit niet heeft gedaan, omdat zij wil vasthouden aan het ontslag op staande voet. Dat is de keuze van TGK om het zo te doen, maar dat ontslag is vernietigd en bestaat dus niet meer. De arbeidsovereenkomst (weer) wel.
TGK moet het loon doorbetalen met wettelijke verhoging en wettelijke rente
2.8.
TGK moet ook het loon van Werknemer doorbetalen vanaf 11 december 2025. Omdat TGK het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij over het achterstallig loon wettelijke verhoging betalen. [5] De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om de hoogte van de wettelijke verhoging te matigen tot 20%. Op het moment van deze uitspraak is TGK te laat met het betalen van het loon over december 2025 tot en met maart 2026. TGK had het loon namelijk iedere maand meteen na afloop van die maand moeten betalen. [6]
Omdat TGK het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij ook de wettelijke rente over het loon betalen vanaf de eerste dag na de maand die zij niet op tijd heeft betaald. [7] De rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf veertien dagen na deze uitspraak, omdat TGK pas te laat is met het betalen daarvan als zij dit op dat moment niet heeft betaald.
Werknemer eiste eerst ook te weinig betaald loon over – in ieder geval – oktober 2025, maar dat deel van zijn verzoek heeft hij tijdens de zitting ingetrokken
TGK moet salarisspecificaties verstrekken
2.9.
TGK is verplicht om voor ieder maandloon een salarisspecificatie aan Werknemer te geven. [8] Voor de maanden december 2025 tot en met maart 2026 staat vast dat zij dat nog niet heeft gedaan, terwijl zij dat al wel had moeten doen. Daarom wordt TGK veroordeeld om dat alsnog te doen, binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak. Voor iedere dag dat TGK hiermee te laat is, moet zij € 50,00 aan Werknemer betalen, met een maximum van € 2.500,00. De dwangsom per dag is lager dan de € 100,- per dag die Werknemer heeft gevraagd, omdat de kantonrechter dit bedrag redelijk vindt.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van TGK, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die TGK aan Werknemer moet betalen op € 93,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dit is totaal € 1.391,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De aparte vergoeding voor de eigen bijdrage wordt afgewezen. De hoogte van het salaris voor de gemachtigde is gebaseerd op landelijk vastgestelde tarieven. Die staan op rechtspraak.nl. Daarin zitten ook de kosten van de eigen bijdrage.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Deze beschikking mag meteen worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. [9] Dat is omdat Werknemer dat heeft gevraagd en TGK daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
vernietigt de opzegging;
3.2.
veroordeelt TGK om aan Werknemer het loon te betalen vanaf 11 december 2025 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW Pro) van 20%;
3.3.
veroordeelt TGK om binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak aan Werknemer salarisspecificaties te verstrekken voor de maanden december 2025 tot en met maart 2026 en bepaalt dat TGK voor iedere dag dat zij hiermee te laat is € 50,00 aan Werknemer moet betalen, met een maximum van € 2.500,00;
3.4.
veroordeelt TGK om Werknemer zijn werkzaamheden te laten hervatten vanaf zeven dagen na de datum van deze uitspraak en bepaalt dat TGK voor iedere dag dat zij hiermee te laat is € 100,00 aan Werknemer moet betalen, met een maximum van € 15.000,00;
3.5.
veroordeelt TGK in de proceskosten, die aan de kant van Werknemer tot vandaag worden vastgesteld op € 1.391,00;
3.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
703

Voetnoten

1.Dat dit kan staat in artikel 7:681 lid 1 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek, omdat niet is voldaan aan de eisen voor een ontslag die staan in artikel 7:671 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Die voorwaarden staan in artikel 7:677 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.Dit staat in artikel 7:678 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
4.Subjectieve dringendheid houdt in dat van deze werkgever in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gevergd de werknemer te ontslaan met een opzegtermijn (dus niet via een ontslag op staande voet).
5.Dat staat in artikel 7:625 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
6.Het tijdstip van het betalen van loon staat in artikel 7:623 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
7.De rente is namelijk verschuldigd vanaf het moment van verzuim volgens artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
8.Dat staat in artikel 7:626 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
9.Dit staat in artikel 288 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.