ECLI:NL:RBROT:2026:5049

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROT 25/2206
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet hersteloperatie toeslagenHandboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag toeslagjaar 2013 wegens ontbreken vooringenomenheid Dienst Toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, verzocht compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor het toeslagjaar 2013. De Dienst Toeslagen wees deze aanvraag af wegens het ontbreken van vooringenomenheid en hardheid van het stelsel in dat jaar. Eiseres was het hier niet mee eens en stelde beroep in.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van vooringenomenheid. Eiseres had aanvankelijk alleen opvanggegevens van twee kinderopvanginstellingen overgelegd, waardoor de Dienst Toeslagen geen aanleiding had om te twijfelen aan de volledigheid van de gegevens. De latere toevoeging van opvanggegevens van een derde instelling kwam pas in bezwaar, wat de oorspronkelijke beschikking niet onrechtmatig maakt.

Verder stelde eiseres dat de lange duur tot definitieve vaststelling van de toeslag in 2015 vooringenomenheid oplevert, maar de rechtbank achtte dit onvoldoende onderbouwd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor bezwaar- en beroepsbehandeling met zestien maanden is overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500,-. Ook werd een proceskostenvergoeding van € 467,- toegekend.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen compensatie ontvangt voor 2013, maar wel een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2206

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [platsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor het toeslagjaar 2013. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie voor het toeslagjaar 2013 terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 29 december 2022 (het primaire besluit) met kenmerk [kenmerk] heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een compensatie toegekend van € 14.666,- voor de toeslagjaren 2014 en 2015. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat aan eiseres geen compensatie wordt toegekend voor het toeslagjaar 2013.
2.1.
Met een besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de Dienst Toeslagen gedeeltelijk aan het bezwaar van eiseres tegemoetgekomen. Het compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2014 en 2015 is daarbij gewijzigd vastgesteld op € 17.150,-. De Dienst Toeslagen is niet tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres gericht tegen de afwijzing van de aanvraag voor het toeslagjaar 2013.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft op 21 december 2020 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag.
3.1.
Op 7 november 2022 heeft eiseres op grond van de zogenoemde Catshuisregeling een bedrag van € 30.000,- toegekend gekregen.
3.2.
De aanvraag van eiseres heeft verder geleid tot de in het procesverloop weergegeven besluitvorming. Omdat het compensatiebedrag dat aan eiseres is toegekend lager is dan het bedrag van € 30.000,- dat eiseres al heeft ontvangen, heeft eiseres geen nabetaling ontvangen. Aan het bestreden besluit ligt een advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen (BAC) ten grondslag. Daarin is toegelicht dat in 2013 sprake is geweest van reguliere wijzigingen en dat niet is gebleken van vooringenomenheid door de Dienst Toeslagen [1] of sprake van hardheid van het stelsel. Eiseres had met het antwoordformulier van 12 september 2024 slechts de opvanggegevens van twee kinderopvanginstellingen ([kinderopvang 1] en [kinderopvang 2]) overgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld. De Dienst Toeslagen hoefde er niet bedacht op te zijn dat ook nog kinderopvang werd afgenomen bij [kinderopvang 3]. In bezwaar heeft eiseres alsnog de opvanggegevens van [kinderopvang 3] doorgegeven, waarna de kinderopvangtoeslag naar boven is vastgesteld.

Standpunt eiseres

4. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen haar voor het toeslagjaar 2013 ten onrechte niet heeft gecompenseerd op basis van vooringenomenheid. De Dienst Toeslagen heeft vooringenomen gehandeld door af te gaan op de door eiseres opgegeven uren en tarieven, terwijl er aanwijzingen waren dat die stukken onvolledig waren. Eiseres had aanvankelijk de jaaropgaven van twee kinderopvanginstellingen ([kinderopvang 1] en [kinderopvang 2]) overgelegd aan de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens definitief beschikt op basis van de door eiseres verstrekte gegevens. Daarbij is de kinderopvang bij kinderdagverblijf [kinderopvang 3] niet door de Dienst Toeslagen meegenomen. De beschikbare gegevens, waaronder de KOI-viewer, vormden een aanwijzing dat de overgelegde stukken niet volledig waren. Eiseres verwijst daarbij naar paragraaf 3.1.1 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek (het Handboek). Zij voert aan dat de Dienst Toeslagen de KOI-viewer juist wel benutte ter onderbouwing van een neerwaartse correctie. Verder stelt eiseres dat de Dienst Toeslagen zelf beschikt over opvanggegevens afkomstig van kinderopvanginstellingen en dat zij deze in het kader van de zorgvuldigheid had moeten vergelijken met de door eiseres opgegeven uren en tarieven. Daarnaast voert eisers aan dat zij door het uitblijven van een tijdige vaststelling nadeel heeft ondervonden. Met verwijzing naar paragraaf 3.1.8 van het Handboek betoogt eiseres dat ook dat vooringenomenheid oplevert.

Beoordeling door de rechtbank

Toeslagjaar 2013
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat voor het toeslagjaar 2013 geen sprake is geweest van vooringenomenheid. De Dienst Toeslagen heeft de compensatie voor dat jaar dus terecht afgewezen. De rechtbank licht dat toe.
5.1.
Op 9 september 2013 heeft de Dienst Toeslagen eiseres om informatie gevraagd. Naar aanleiding daarvan heeft eiseres de afgenomen opvanguren bij de kinderopvanginstellingen [kinderopvang 1] en [kinderopvang 2] doorgegeven en de jaaropgaven van de deze kinderopvanginstellingen naar de Dienst Toeslagen opgestuurd. Dat eiseres de afgenomen kinderopvang voor haar jongste zoon bij kinderopvanginstelling Dolleboel in eerste instantie niet heeft doorgegeven, maakt niet dat er voor de Dienst Toeslagen aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid en de volledigheid van de gegevens. De door eiseres opgegeven gegevens kwamen namelijk overeen met de overgelegde jaaropgaven. De Dienst Toeslagen heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om aanvullende gegevens op te vragen. [2] De verwijzing van eiseres naar paragraaf 3.1.1 van het Handboek gaat niet op, nu deze paragraaf ziet op de situatie dat de kinderopvangtoeslag is verlaagd naar aanleiding van gegevens in de KOI-viewer en aan deze gegevens getwijfeld had moeten worden. Deze situatie is hier niet aan de orde.
5.2.
Eiseres stelt verder dat de Dienst Toeslagen pas in 2015 en dus te laat definitief heeft beschikt over de kinderopvangtoeslag voor 2013. Uit paragraaf 3.1.8 van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek volgt dat de lange duur tot vaststelling van de definitieve beschikking op zichzelf onvoldoende is om te oordelen dat sprake is van vooringenomenheid. De lange duur tot vaststelling van een definitieve beschikking kan in combinatie met andere omstandigheden wel tot de conclusie leiden dat sprake is van vooringenomenheid. Eiseres heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat die omstandigheden zich hebben voorgedaan. Een algemene verwijzing naar het ouderverhaal volstaat niet.
Overschrijding redelijke termijn
6. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
7. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 17 januari 2023. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn afgerond met zestien maanden overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 6 februari 2025, afgerond twee jaar en één maand na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan de Dienst Toeslagen toe te rekenen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen zal wel worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
9. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Onder de Dienst Toeslagen wordt in deze uitspraak ook verstaan diens rechtsvoorganger: de Belastingdienst/Toeslagen.
2.Zie ook ABRvS 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.