Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5053

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2475
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 130 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcohol- en drugsmisbruik

Verzoeker is op 1 januari 2026 staande gehouden bij een verkeerscontrole waarbij een ademalcoholgehalte van 565 µg/l (1,3 ‰) werd vastgesteld. De politie maakte een proces-verbaal op wegens rijden onder invloed en meldde dit bij het CBR vanwege vermoedens van verminderde rijvaardigheid en geschiktheid. Een psychiater concludeerde op basis van onderzoek dat er aanwijzingen zijn voor alcohol- en drugsmisbruik.

Het CBR verklaarde daarop het rijbewijs van verzoeker ongeldig. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om het rijbewijs te behouden totdat op het bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en stelde vast dat dit aannemelijk was vanwege de impact op verzoekers werk als zelfstandig stukadoor.

De rechter oordeelde dat het CBR het psychiatrisch rapport terecht als grondslag voor het besluit mocht gebruiken. Het rapport bevatte meerdere aanwijzingen voor alcohol- en drugsmisbruik, waaronder een verhoogde CDT-waarde en recente cannabisgebruiksporen. Verzoeker had geen second opinion ingebracht en zijn argumenten konden het besluit niet ondermijnen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af, waardoor de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet werd geschorst. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2475

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de ongeldigverklaring van verzoekers rijbewijs. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 maart 2026 heeft het CBR verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

3. Op 1 januari 2026 is verzoeker staande gehouden aan de Marnixlaan in Vlaardingen bij een verkeerscontrole. Bij een bij verzoeker afgenomen ademanalyse is vastgesteld dat zijn ademalcoholgehalte 565 µg/l [1] (1,3 ‰) bedroeg. Tegen verzoeker is een proces-verbaal opgemaakt vanwege verdenking van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 (WVW).
De politie heeft vervolgens melding gedaan bij het CBR, omdat het vermoeden is ontstaan dat verzoeker niet langer beschikt over de rijvaardigheid en/of lichamelijke of geestelijke geschiktheid om te rijden. [2] Bij de melding is het proces-verbaal van rijden onder invloed en een proces-verbaal van verhoor van verzoeker, beide van 1 januari 2026, gevoegd. Verzoeker is vervolgens gekeurd door psychiater [naam 2] die heeft geconcludeerd dat
op 1 januari 2026 aanwijzingen zijn voor alcohol- en drugsmisbruik.
Daarna heeft het CBR het bestreden besluit genomen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij weer beschikt over zijn rijbewijs, totdat op zijn bezwaarschrift is beslist.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat het bestreden besluit directe en ingrijpende gevolgen heeft voor zijn bestaanszekerheid. Verzoeker is werkzaam als zelfstandig stukadoor en is momenteel afhankelijk van collega’s of opdrachtgevers voor vervoer. Deze situatie is niet structureel vol te houden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het spoedeisend belang aannemelijk gemaakt. Het verzoek zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.
Mocht het CBR verzoekers rijbewijs ongeldig verklaren?
6. Het CBR mag afgaan op het psychiatrisch rapport dat is uitgebracht, nadat het is nagegaan of dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het CBR niet zonder nadere motivering op het rapport afgaan. [3]
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR het onderzoeksrapport van psychiater [naam 2], met keuringsdatum 5 februari 2026, aan het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker ten grondslag mocht leggen.
7.1 Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling [4] kan de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ alleen worden verkregen met behulp van meerdere aanwijzingen die deze diagnose ondersteunen en die een aanwijzing kunnen vormen voor de aanwezigheid van alcoholproblemen. Er zijn meerdere, indirecte aanwijzingen nodig om tot deze diagnose te komen, omdat de betrouwbaarheid van anamnestische gegevens in de keuringssituatie laag is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheden van de aanhouding, het goed of langdurig kunnen functioneren met hoge promillages alcohol, afwijkende bloedwaarden die zich voordoen bij mensen met een chronisch hoge consumptie en lichamelijke afwijkingen die zich voordoen bij chronisch overmatig alcoholgebruik.
De diagnose kan niet uitsluitend worden gesteld op grond van de anamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte, terwijl ook geldt dat de diagnose soms wel kan worden gesteld als het laboratoriumonderzoek geen afwijkende resultaten geeft.
7.2
Gelet hierop en de bevindingen uit het onderzoeksrapport van psychiater [naam 2] ziet de voorzieningenrechter geen reden te twijfelen aan de conclusie dat er ten tijde van de aanhouding sprake was van alcohol- en drugsmisbruik in de zin der wet en dat op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcohol- en drugsmisbruik in de zin der wet gesteld kan worden. Er staan in het rapport meerdere aanwijzingen voor deze conclusie. Ten aanzien van het alcoholmisbruik zijn er, naast de gemeten promillage van 1,3, ook aanwijzingen voor onderrapportage. De psychiater heeft in het onderzoeksrapport toegelicht dat verzoeker heeft verklaard dat hij 4,5 uur voor aanhouding 9 AE [5] heeft genuttigd.
De gemeten promillage duidt op minimaal 10 AE. Ook ten aanzien van het normale alcoholgebruik is er een aanwijzing voor onderrapportage. Daarnaast blijkt uit bloedonderzoek dat er sprake is van een verhoogde CDT-waarde, wat duidt op dat in de laatste 12 maanden minimaal 60 gram alcohol per dag is genuttigd. Dit levert een aanwijzing voor verhoogde alcoholconsumptie op.
Ten aanzien van het drugsgebruik komt in de rapportage van psychiater [naam 2] verder naar voren dat verzoeker, naast de aanhouding op 1 januari 2026, in december 2025 en in 2021 reed onder invloed van cannabis. Verzoeker heeft verklaard dat hij wisselend cannabis gebruikt (soms 2-3 hijsjes, en soms thuis een half jointje, maximaal drie per week). Verzoeker verklaarde verder zich goed in staat te voelen met cannabis op. Volgens de psychiater kan dit wijzen op tolerantie. Er is overigens geen verdere informatie over deze twee aanhoudingen (uit 2025 en 2021) waardoor dit kan worden geverifieerd.
Omdat verzoeker naar eigen zeggen er niet altijd in is geslaagd om zijn drugsgebruik te verminderen of te stoppen, is dit volgens de psychiater een aanwijzing voor persistentie wat weer een aanwijzing is voor een stoornis in het gebruik van drugs. Bij het laboratorium-onderzoek kwam een verhoogde THC-COOH waarde naar voren, wat duidt op recent cannabisgebruik. Dit kan niet worden verklaard op basis van verzoekers anamnese over zijn drugsgebruik, wat duidt op onderrapportage. Dit levert een aanwijzing op voor drugsmisbruik. Sinds de aanhouding is het drugsgebruik van verzoeker anamnestisch gestopt. Hij rookte een week geleden (voorafgaand het onderzoek) voor het laatst een half jointje. Het laboratoriumonderzoek liet echter aanwijzingen zien voor recenter dan wel forser drugsgebruik. Op basis hiervan heeft de psychiater geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat het drugsmisbruik is gestopt.
7.3
Aan verzoeker is de mogelijkheid geboden tot het inbrengen van een second opinion, maar hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
7.4
De voorzieningenrechter overweegt dat het CBR met het onderzoeksrapport van psychiater [naam 2] vooralsnog op goede gronden het standpunt mocht innemen dat verzoekers rijbewijs ongegrond moet worden verklaard. De door verzoeker op zitting nader genoemde ontwikkelingen, dat in het kader van een klaagschriftprocedure het rijbewijs met ingang van 1 mei 2026 aan hem zal worden teruggegeven en dat verzoeker nu stappen heeft gezet door een behandeling te volgen bij Castle Craig in Capelle aan den IJssel, leidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet tot twijfel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
7.5
Op zitting heeft verzoeker verder nog toegelicht dat hij vanwege een medische noodzaak met betrekking tot zijn moeder op het laatste moment zou hebben besloten om met de auto te gaan rijden maar dat het niet zijn bedoeling was om die avond in een auto te stappen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter neemt dit niet weg dat het CBR aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen dat op dat moment sprake is geweest van alcoholmisbruik en drugsmisbruik en leidt deze stelling van verzoeker niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
2.Op basis van artikel 130 van Pro de WVW.
4.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:1339
5.Alcoholische eenheden