Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5176

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
11948529 VZ VERZ 25-6741
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 lid 2 WORArt. 32 lid 2 WORArt. 28 WORArt. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naleving pensioenindexatieafspraak en goed werkgeverschap ExxonMobil

De ondernemingsraad van ExxonMobil vordert naleving van een pensioenindexatieafspraak uit 2005, waarin een voorwaardelijke indexatie van 90% van de afgeleide consumentenprijsindex (CPI) is afgesproken, met een aanvullend deel voor bijzondere omstandigheden. In de jaren 2021-2024 bleef de indexatie achter, met in 2024 zelfs geen indexatie terwijl actieven een forse loonsverhoging kregen.

De kantonrechter stelt vast dat de ondernemingsraad het geschil terecht aan de kantonrechter kan voorleggen op grond van artikel 36 lid 2 WOR Pro. De indexatieafspraak moet zo worden uitgelegd dat ExxonMobil zich heeft verbonden te streven naar 90% van de CPI, met een aanvullend deel bedoeld om bij te sturen bij bijzondere omstandigheden. ExxonMobil heeft dit aanvullend deel in de jaren 2021-2024 niet toegepast, ondanks bijzondere omstandigheden, en heeft dit onvoldoende gemotiveerd.

Dit handelen is in strijd met de gemaakte afspraken en het goed werkgeverschap. De kantonrechter oordeelt dat ExxonMobil financiering beschikbaar moet stellen voor een redelijke compensatie van de gemiste indexatie, maar wijst de verzoeken van de ondernemingsraad voorlopig af omdat nog niet vaststaat dat volledige compensatie moet worden gegeven. Partijen krijgen gelegenheid tot nadere concretisering en overleg. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, maar hierover wordt nog nader beslist.

Uitkomst: ExxonMobil handelde in strijd met afspraken en goed werkgeverschap door geen aanvullende financiering voor pensioenindexatie 2021-2024 beschikbaar te stellen, maar verzoeken worden voorlopig afgewezen en partijen krijgen gelegenheid tot nadere concretisering.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11948529 VZ VERZ 25-6741
datum uitspraak: 4 mei 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
de ondernemingsraad van ExxonMobil in Nederland,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verzoekster,
vertegenwoordigd door zijn voorzitter,
[naam 1],
gemachtigden: mr. D. Schwartz en mr. L.J.M. van Westerlaak,
tegen
ESSO Nederland B.V. en ExxonMobil Chemical Holland B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster,
gemachtigde: mr. E. Lutjens.
De partijen worden hierna ‘de ondernemingsraad’ en ‘ExxonMobil’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van de ondernemingsraad van 31 oktober 2025, met bijlagen;
  • het verweerschrift van ExxonMobil met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigden.
1.2.
Op 23 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Voor de ondernemingsraad waren aanwezig [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] met de gemachtigden. Voor ExxonMobil was aanwezig [naam 5], directeur Esso Nederland met de gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
De ondernemingsraad maakt met ExxonMobil afspraken over arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. In 2005 hebben de ondernemingsraad en ExxonMobil een afspraak gemaakt over indexatie van de pensioenen van de gepensioneerden. Volgens de schriftelijke afspraken is een voorwaardelijke indexatie afgesproken, met de ambitie om jaarlijks te verhogen met 90% van de afgeleide consumentenprijsindex (CPI) tot maximaal de loonsverhoging van de actieven. Daarnaast is afgesproken dat de onderneming in bijzondere omstandigheden kan besluiten extra geld voor indexatie ter beschikking te stellen. In de jaren 2021 tot en met 2024 was de indexatie lager dan 90% van de afgeleide CPI. In 2024 kregen de gepensioneerden helemaal geen indexatie. De actieven kregen in dat jaar wel een forse loonsverhoging.
2.2.
De ondernemingsraad wil dat de kantonrechter (I) voor recht verklaart dat de indexatieafspraak zo moet worden uitgelegd dat in ieder geval moet worden geïndexeerd strevend naar een verhoging met 90% van de stijging van de afgeleide CPI, althans zodanig dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie en dat het aanvullende deel van de indexatieregeling bedoeld is om bij te sturen in situaties waarin bij enkele toepassing van het ‘formuledeel’ de ambitie van 90% niet gehaald dreigt te worden.
De ondernemingsraad wil ook dat de kantonrechter (II) voor recht verklaart dat ExxonMobil niet zonder nadere motivering kan afzien van toepassing van het aanvullende deel van de indexatieregeling en (III) dat ExxonMobil, door dat in de jaren 2021 tot en met 2024 toch te doen, in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW Pro). Verder wil de ondernemingsraad dat de kantonrechter (IV) ExxonMobil veroordeelt om voldoende financiering beschikbaar te stellen, zodat het bestuur van het pensioenfonds kan overgaan tot (compensatie voor de gemiste) indexatie over de jaren 2021 tot en met 2024, met dwangsom. ExxonMobil is het hier niet mee eens en vindt dat de ondernemingsraad dit soort verzoeken niet mag doen en dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
De voorlopige uitkomst
2.3.
De kantonrechter kan nu nog geen eindbeslissing nemen. De kantonrechter vindt dat ExxonMobil heeft gehandeld in strijd met de gemaakte afspraken en het goed werkgeverschap, door in een jaar waarin de actieve deelnemers een forse – uitzonderlijk hoge – salarisverhoging hebben gekregen als compensatie voor de geringe verhoging in de jaren ervoor, terwijl de gepensioneerden geen indexatie kregen door een te lage afgeleide CPI, geen extra storting te doen voor een extra uitkering aan de gepensioneerden. De afspraken die zijn gemaakt over de indexatie, waren minder discretionair dan ExxonMobil stelt, zo blijkt uit de stukken. De kantonrechter vindt dat ExxonMobil financiering beschikbaar moet stellen voor een redelijke compensatie van de gemiste indexatie over de jaren 2021-2024. De verzoeken van de ondernemingsraad kunnen nog niet worden toegewezen. Partijen mogen zich hierover nog uitlaten. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.
De ondernemingsraad kan het geschil aan de kantonrechter voorleggen
2.4.
De ondernemingsraad kan het geschil aan de kantonrechter voorleggen. De ondernemingsraad vraagt (onder andere) naleving van een indexatieafspraak met ExxonMobil. Hij kan dat doen op grond van artikel 36 lid 2 in Pro samenhang met artikel 32 lid 2 en Pro artikel 28 Wet Pro op de Ondernemingsraden (‘WOR’).
2.5.
In artikel 36 lid 2 WOR Pro staat - kort gezegd - dat de ondernemingsraad de kantonrechter kan verzoeken te bepalen dat de onderneming gevolg moet geven aan ‘hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald’ voor zover dit van de ondernemer afhangt. Hoewel uit de letterlijke tekst van de bepaling niet volgt dat deze bevoegdheid ook geldt voor overeenkomsten tussen een ondernemingsraad en de ondernemer over arbeidsvoorwaarden, vindt de kantonrechter dat deze bepaling wel zo ruim moet worden uitgelegd [1] .
2.6.
In artikel 32 lid 2 WOR Pro staat dat een onderneming en een ondernemer kunnen overeenkomen dat de ondernemingsraad verdere bevoegdheden krijgt toegekend dan die staan in de wet [2] . Zij kunnen bijvoorbeeld afspreken dat de ondernemingsraad bevoegd is om met de ondernemer te onderhandelen over (primaire) arbeidsvoorwaarden. ExxonMobil en de ondernemingsraad hebben zo’n afspraak gemaakt. De ondernemingsraad onderhandelt namelijk met ExxonMobil over (primaire) arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. ExxonMobil heeft ter zitting ook bevestigd dat de ondernemingsraad haar gesprekspartner is voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden en de pensioenregeling.
2.7.
In de wetsgeschiedenis staat dat het de bedoeling is dat de geschillenregeling van artikel 36 lid 2 WOR Pro ook geldt voor naleving van overeenkomsten waarin aan de ondernemingsraad verdere bevoegdheden worden toegekend dan die staan in de wet. Ook lijkt het mogelijk om geschillen over naleving van overeenkomsten over arbeidsvoorwaarden aan de kantonrechter voor te leggen. In de wetgeschiedenis staat namelijk:
“(…) Zo is niet zonder meer duidelijk of ten aanzien van afspraken over andere zaken dan verdere bevoegdheden in rechte de naleving kan worden gevraagd volgens de procedure van artikel 36, tweede lid, WOR. Met betrekking tot toekenning van verdere bevoegdheden op de voet van artikel 32, tweede lid WOR, is dit altijd de bedoeling van de wetgever geweest.”De wetgever schrijft vervolgens:
“(…) Hoewel een overeenkomstige toepassing van de procedure van artikel 36, tweede lid, ten aanzien van overeenkomsten nogal voor de hand lijkt te liggen – dergelijke afspraken reiken minder ver dan toekenning van verdere bevoegdheden – heeft de Hoge Raad hierover geen duidelijkheid kunnen verstrekken.” [3] De kantonrecht leidt uit deze overweging af dat een procedure over naleving van overeenkomsten over andere zaken dan verdere bevoegdheden (zoals hier: een overeenkomst over de arbeidsvoorwaarde pensioen) op de voet van artikel 36 lid 2 WOR Pro mogelijk is.
2.8.
Dit sluit ook aan bij de taak van de ondernemingsraad om naleving te bevorderen van de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van onder andere de arbeidsvoorwaarden [4] . Want, zoals de ondernemingsraad terecht aanvoert, zo’n arbeidsvoorwaardenafspraak zou krachteloos zijn als de ondernemingsraad dit geschil niet op grond van artikel 36 lid 2 WOR Pro aan de kantonrechter zou kunnen voorleggen. De ondernemingsraad heeft namelijk geen andere mogelijkheden om de onderneming te dwingen de afspraak na te leven.
2.9.
De kantonrechter verwerpt het argument van ExxonMobil dat artikel 28 WOR Pro hier niet geldt, omdat die bepaling gaat over in de onderneming werkzame personen, terwijl de indexatieafspraak alleen geldt voor gepensioneerden. De ondernemingsraad treedt op namens zichzelf als partij bij de indexatieafspraak. Dat doet de ondernemingsraad overigens niet alleen in het belang van gepensioneerden, maar ook van de huidige werknemers. Zij zijn namelijk de toekomstige gepensioneerden. De indexatieafspraak heeft nu nog geen betekenis voor hen, maar in de toekomst wel.
Hoe moet de indexatie-afspraak worden uitgelegd?
2.10.
De kantonrechter vindt dat de tussen partijen gemaakte indexatieafspraak zo moet worden uitgelegd dat ExxonMobil zich heeft verbonden te streven naar een indexatie van 90% van de afgeleide CPI, gemaximeerd op de loonsverhoging van de actieven (‘het formuledeel’), althans zodanig te indexeren dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie. Het ‘aanvullende deel’ van de indexatieregeling is naar het oordeel van de kantonrechter bedoeld om, als er bijzondere omstandigheden zijn waardoor de indexatie-ambitie door toepassing van het ‘formuledeel’ niet gehaald dreigt te worden, bij te storten om toch een indexatie te kunnen doen. Voor zover ExxonMobil dat zo niet heeft bedoeld, vindt de kantonrechter dat de ondernemingsraad hier gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter de indexatie-afspraak zo uitlegt.
De uitleg-norm
2.11.
Het gaat hier om uitleg van de afspraak tussen ExxonMobil en de ondernemingsraad over indexatie voor gepensioneerden en dan vooral over de afspraak om in bijzondere omstandigheden een bijstorting te doen voor een extra uitkering aan de gepensioneerden. Het gaat niet om uitleg van het pensioenreglement dat geldt tussen de deelnemers en het pensioenfonds. Het gaat ook niet over uitleg van de pensioenovereenkomst tussen ExxonMobil en de gepensioneerden. In het pensioenreglement en de pensioenovereenkomst staat trouwens wel een (gedeeltelijke) uitwerking van de afspraak tussen de ondernemingsraad en ExxonMobil, maar niet waar het hier om gaat, namelijk of en in hoeverre ExxonMobil gehouden is om bij te storten voor het doen van een extra uitkering. Dat is een afspraak die is gemaakt tussen ExxonMobil en de ondernemingsraad. Voor de uitleg van die afspraak zijn in beginsel alle omstandigheden van belang, gewaardeerd naar wat de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid meebrengen [5] .
2.12.
Omdat de indexatie-afspraak de rechtspositie van de gepensioneerden beïnvloedt, geldt in beginsel het uitgangspunt dat bij de uitleg meer gewicht moet worden toegekend aan objectief kenbare feiten en omstandigheden, zoals de tekst van de regeling. Toch vindt de kantonrechter dat de voor derden niet kenbare partijbedoeling hier in de gegeven situatie bij moet worden betrokken [6] . Het doel van een objectieve uitleg is namelijk bescherming van derden. De afspraak tussen de ondernemingsraad en ExxonMobil over het doen van een bijstorting voor een extra indexatie is juist bedoeld om die derden (de gepensioneerden) te beschermen. Verder moet bij de uitleg van de verplichtingen van ExxonMobil ook rekening worden gehouden met de eisen van het goed werkgeverschap. Het gaat namelijk over de rechtsverhouding tussen ExxonMobil en haar gepensioneerden en daarin speelt het goed werkgeverschap ook na einde van het dienstverband nog steeds een rol, zoals de Hoge Raad heeft bevestigd [7] .
De schriftelijke vastlegging
2.13.
In de notulen van het arbeidsvoorwaardenoverleg van 9 december 2005 [8] waarin de afspraak is gemaakt, staat het volgende:
“(…) De directie heeft een voorwaardelijke regeling ontwikkeld met de volgende kenmerken:
  • Jaarlijkse toeslag in april.
  • Gebaseerd op afgeleide index december-december van het afgelopen kalenderjaar.
  • Hoogte is 90% van de inflatie, maar kan lager zijn als de actieven minder gekregen hebben.
  • De premie wordt gestort door de CTO, het fondsbestuur besluit tot de indexatie.
  • Bij bijzondere omstandigheden kan de CTO besluiten tot een extra storting voor extra uitkering per management discretion.
De indexatie-afspraak bestaat dus uit twee delen: het ‘formuledeel’ (zie het tweede en derde bolletje in de tekst hierboven) en het ‘aanvullende deel’ of de ‘discretionaire bevoegdheid’ (zie het vierde bolletje in de tekst hierboven).
2.14.
Hoewel de letterlijke bewoordingen van de afspraak wijzen op een voorwaardelijke indexatie en een discretionaire bevoegdheid van ExxonMobil, vindt de kantonrechter dat uit de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat partijen hebben bedoeld dat de indexatie en discretionaire bevoegdheid minder vrijblijvend zijn dan op basis van de tekst lijkt.
De aanleiding voor de afspraak
2.15.
Vóór de totstandkoming van de afspraak is er uitgebreide discussie geweest over de indexatie van de pensioenen. Tot 2006 was de indexatiebevoegdheid van ExxonMobil helemaal discretionair. In 2002 heeft de Deelnemersraad van het pensioenfonds bij de Ondernemingskamer bezwaar gemaakt tegen een indexatiebesluit van (de Commissie van Toegetreden Ondernemingen van) het pensioenfonds. De Ondernemingskamer vernietigde het indexatiebesluit vanwege een ontoereikende motivering ervan. In 2005 is de Deelnemersraad opnieuw een procedure gestart bij de Ondernemingskamer. Op aandringen van de Ondernemingskamer zijn ExxonMobil en de ondernemingsraad vervolgens in overleg gegaan over de indexatieverlening. Dat heeft geleid tot de afspraak van 9 december 2005. Nadat die afspraak was gemaakt, heeft de Deelnemersraad de procedure bij de Ondernemingskamer ingetrokken.
De bedoeling van partijen / het gerechtvaardigd vertrouwen
2.16.
Dat partijen de bedoeling hadden zoals is weergegeven in 2.10, althans dat de ondernemingsraad hier gerechtvaardigd op mocht vertrouwen, baseert de kantonrechter op wat partijen met elkaar hebben besproken, zoals blijkt uit wat er is vastgelegd in verslagen en brieven.
2.17.
In de notulen van het arbeidsvoorwaardenoverleg van 9 december 2005 staat over de indexatie-afspraak het volgende:
“De AVW-cie vraagt of hij het goed begrepen heeft dat de 90% wordt toegekend onder de volgende 2 voorwaarden:
  • Niet meer dan de actieven
  • Onderneming moet zijn verplichtingen kunnen nakomen (geen faillissement)
De DG bevestigt dit.
2.18.
In de notulen staat verder: “
De AVWcie vraagt wat er gebeurt als de actieven een jaar een hoge verhoging krijgen en een jaar later geen verhoging. De DG legt uit dat dit precies zo’n bijzondere omstandigheid is waaraan is gedacht bij het opstellen van de clausule over management discretion.”
2.19.
Uit de toelichting van ExxonMobil zoals weergegeven in de notulen volgt ook dat ExxonMobil zekerheid over de indexatie wilde bieden. ExxonMobil zegt hier namelijk: “
(…) 90% benadert de 100% zeer dicht, en is waardevol in combinatie met de geboden zekerheid. (…)”
2.20.
In de nieuwsbrief van december 2005 [9] schrijft de Deelnemersraad:
“Voor bijzondere omstandigheden zullen de Toegetreden Ondernemingen een discretionaire bevoegdheid behouden om bovenop de duurtetoeslag als verleend door het fondsbestuur, een additionele toeslag toe te kennen. Voorbeelden hiervan zijn bijzondere arbeidsvoorwaardelijke afspraken zoals (1) dat actieven hun verhogingen van meerdere jaren in één bepaald jaar zouden krijgen, of (2) dat actieven hun verhogingen niet in een salarisverhoging maar in een andere looncomponent krijgen.
In het voorstel van de Directie is er derhalve een grote mate van zekerheid dat de 90%
compensatie verleend zal worden: er is geen relatie met de financiële situatie van het
pensioenfonds, en er is ook geen begrenzing aan de hoogte van de inflatie. In ruil voor deze
zekerheid is de OR akkoord gegaan met de 90%: geen volledige compensatie dus, maar wel
er dichtbij De DR sluit zich daar gaarne bij aan.(…)”
2.21.
In het advies van 2 maart 200 waarin de Deelnemersraad aan ExxonMobil schrijft dat de procedure bij de Ondernemingskamer wordt ingetrokken, staat het volgende [10] :
“(…) In de nu voorgestelde regeling blijft de discretionaire bevoegdheid van CTO tot het
beschikbaar stellen van aanvullende middelen o. i een belangrijk element om problemen,
zoals rond de referentieperiodes, tot een oplossing te brengen. Anders gesteld: deze
discretionaire bevoegdheid is nodig om de ambitie van een 90 % indexatie waar te maken.
De DR heeft in genoemd gesprek dd. 28 februari begrepen dat — indien de huidige
formulering op enig moment tot discussie zou leiden — de in het nieuwe beleid voorziene
discretionaire mogelijkheid voor de TO om aanvullende fondsen ter beschikking te stellen
inderdaad uitdrukkelijk ook op zo’n situatie van toepassing is.
Rekening houdend met deze verduidelijking heeft de DR besloten op dit moment niet aan
te dringen op een herformulering van het nieuwe beleid op dit punt. De DR heeft het vertrouwen dat de uitwerking en toepassing in de praktijk plaats zullen
vinden conform de intentie van het akkoord.”
En verder [11] :
“(…) ‘Wij delen u hierbij mede dat de Deelnemersraad, na een afweging van alle relevante
aspecten, in die vergadering unaniem heeft besloten de lopende procedure tussen
Deelnemersraad en CTO bij de Ondernemingskamer te beëindigen. Doorslaggevend is
voor de DR dat er middels een indexatieregeling naar de toekomst een oplossing komt,
die met de grootst mogelijke zekerheid een 90% inflatiecompensatie biedt.”
2.22.
De ondernemingsraad stelt onweersproken dat partijen bij de uitwerking van de indexatie-afspraak in het pensioenreglement en de pensioenovereenkomst hebben besproken dat het aanvullende deel van de indexatieafspraken en de bedoeling (het realiseren van de ambitie van 90% inflatie compensatie) niet in het pensioenreglement en de pensioenovereenkomst zouden worden vastgelegd. Volgens de ondernemingsraad was de enige reden hiervan om te voorkomen dat DNB het aanvullende deel zou aanmerken als onvoorwaardelijk, waardoor ExxonMobil op grond van de regelgeving verplicht zou zijn om onmiddellijk af te financieren. De Ondernemingsraad verwijst ter onderbouwing hiervan naar de brief van 19 mei 2006 hierover aan ExxonMobil [12] :
“De paritaire werkgroep heeft uitvoerig bediscussieerd hoe de -goede- arbeidsvoorwaardelijke afspraken rondom indexatie vertaald moeten worden in het pensioenreglement. a. De wens om toch vooral de voorwaardelijkheid van de regeling naar voren te laten komen in het reglement heeft ons inziens tot gevolg dat de kern van het nieuwe indexatiebeleid, te weten een ambitieniveau van 90% van inflatie onder voorwaarden, onvoldoende helder in de tekst weergegeven wordt. Van belang hierbij is de stellingname van de HRD vertegenwoordigers dat het pensioenreglement NIET het toeslagenbeleid omvat. WEL is er in het overleg voor gezorgd dat toeslagenbeleid en pensioenreglement consistent met elkaar zijn. Kortom: het indexatiebeleid staat niet in het reglement, maar in de arbeidsvoorwaardelijke afspraken. (…) c. Tenslotte is besproken dat, jaarlijks aan het einde van het arbeidsvoorwaardenoverleg, door dit gezamenlijk overleg expliciet wordt vastgesteld of de gemaakte afspraken m.b.t. loonstijging een bijzondere situatie inhouden, die bedoeld is bij de discretionaire bevoegdheid van de Toegetreden Ondernemingen, om extra aanvullende middelen voor indexatie ter beschikking te stellen (…) ”
2.23.
In een verslag [13] van de overlegvergadering van Stichting Pensioenfonds Protector met ExxonMobil over de vastlegging van de afspraken in de pensioenfondsdocumenten op 12 december 2006 staat:
“Er staat echter niets over de aanvullende duurtetoeslag zoals voorzien in artikel 9. Deze
aanvullende duurtetoeslag is namelijk essentieel om de ambitie van 90% van inflatie waar te
kunnen maken. [naam 6] beaamt dat de aanvullende duurtetoeslag een onderdeel
is van de regeling, maar is van mening dat deze niet in de ABTN hoeft te worden opgenomen omdat dit niet door het bestuur wordt bepaald, maar door de TO. (…) Desgevraagd gaat de deelnemersraad ermee akkoord dat de aanvullende duurtetoeslag niet wordt opgenomen in de ABTN, omdat middels deze notulen het bestaan ervan nogmaals is bevestigd, en er geen misverstanden over kunnen zijn.”
2.24.
In een gesprek met ExxonMobil op 14 december 2007 heeft de ondernemingsraad ingestemd met het weglaten van de aanvullende indexatie uit de pensioenovereenkomst (vanwege het risico op onvoorwaardelijkheid), op voorwaarde dat ExxonMobil zou bevestigen dat de afspraken uit het arbeidsvoorwaardenoverleg in 2005 onverkort van toepassing zouden blijven. In het verslag [14] van dit gesprek staat, voor zover van belang:
“Aanvankelijk voornemen van Bestuur was om de AVW afspraken december 2005 integraal op te nemen in PO [kantonrechter: pensioenovereenkomst] om zo de intentie van de afspraken volledig weer te geven. De opstelling van toezichthouders DNB/AFM is in de afgelopen 2 jaar echter opgeschoven wat betreft de voorwaardelijkheidstoets. Voorkomen dient te worden dat de toezichthouders de voorwaardelijke indexatieregeling uitleggen als een onvoorwaardelijke regeling (…) De formulering in de PO is zeker geen poging om onder de afspraken van AVW 2005 afspraken uit te komen. (… Er wordt overeengekomen dat in de OR OV van 18 december de Bestuurder zal bevestigen dat met de formulering in de PO de AVW afspraken van december 2005 volledig gerespecteerd zullen worden, zoals vandaag in dit overleg in meer detail besproken.”
2.25.
De ondernemingsraad stelt ook onweersproken dat ExxonMobil die bevestiging heeft gegeven in de overlegvergadering van 18 december 2007. In het verslag [15] van dat overleg staat:
“Vanwege de nieuwe Pensioenwet is voor iedere nieuwe medewerker, naast de
arbeidsovereenkomst, vanaf 1 januari 2008 een nieuw contract vereist, de zogeheten
pensioenovereenkomst. Hierover is overleg in de pensioencommissie geweest. De
pensioencommissie heeft advies aan de raad gegeven. Het advies van de commissie is om
akkoord te gaan met de tekst en dit te beschouwen als onderdeel van de arbeidsovereenkomst. De raad heeft echter nog 1 opmerking, te weten dat met de formulering in die pensioenovereenkomst de AVW afspraken van het overleg van december 2005 volledig gerespecteerd zullen worden. De bestuurder beaamt dit. Met dit in acht genomen, wordt er dan ook overeenstemming over de pensioenovereenkomst bereikt,”
2.26.
De ondernemingsraad stelt dat daarna is bevestigd dat het aanvullende indexatiedeel weliswaar niet uitdrukkelijk is genoemd in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst, maar wel onderdeel uitmaakt van de arbeidsvoorwaardelijke afspraken. ExxonMobil heeft dit niet voldoende weersproken.
Op 12 januari 2011 schrijft ExxonMobil [16] :
“De directie onderschrijft de gemaakte afspraken in AVWoverleg”.
En in een brief van 30 juni 2010 schrijft de Deelnemersraad aan ExxonMobil [17] :
‘In AVW 2005 is het huidige duurtetoeslagenbeleid vastgesteld. Daarin staat als ambitie om
90% van de (afgeleide) inflatie te compenseren, voor zover dit niet uitgaat boven de algemene loonsverhoging. Om het beleid te concretiseren is een formule opgesteld waarmee het Protector Bestuur zelf jaarlijks de hoogte van de duurtetoeslag kan vaststellen op grond van eenvoudig vast te stellen parameters zoals de CPB inflatiecijfers en de toegekende algemene loonstijging bij de Toegetreden Ondernemingen. In datzelfde duurtetoeslagenbeleid is in 2005 al onderkend dat de eenvoudige formule niet alle voorkomende situaties goed afdekt. Een aantal voorbeelden zijn destijds in het AVW overleg besproken. Daarom is er in 2005 een discretionaire component in het beleid opgenomen om middels een aanvullende financiering een additionele duurtetoeslag toe te kennen. (...) De formule, die op jaarbasis werkt, heeft bij loonsverhogingen die het ene jaar wat hoger en (daarom) het andere jaar wat lager, een onbedoeld negatief effect op de inflatiecompensatie. Het discretionaire deel in de afspraken is bedoeld om dit soort oneffenheden glad te strijken.”
2.27.
De Ondernemingsraad heeft een schriftelijke verklaring overgelegd van de personen, die zowel namens ExxonMobil als namens de ondernemingsraad betrokken waren bij het maken van de afspraak. ExxonMobil heeft onvoldoende tegen deze verklaring ingebracht. In de verklaring staat het volgende [18] :
“(…)De afspraak in 2005
De jaarlijkse indexatie ambitie wordt vastgelegd op 90% van de inflatie (op basis van de afgeleide prijsindex). De uitwerking van deze ambitie bestaat uit een 'formuledeel' en uit een aanvullende indexatie voor bijzondere omstandigheden waarin het formuledeel een onbedoelde uitwerking heeft, het 'discretionaire deel'. Het formuledeel betreft een jaarlijkse toeslag gebaseerd op de afgeleide index over december tot december. De toeslag bedraagt 90% van de inflatie, maar niet meer dan de loonsverhoging van de actieven. Het kan voorkomen dat die formule in enig jaar leidt tot een ongewenste uitkomst, waardoor de ambitie van 90% inflatiecompensatie niet kan worden gehaald. Om die reden is er ook een mogelijkheid tot aanvullende compensatie overeengekomen. De afspraak en de
bedoeling ervan blijken duidelijk uit het goedgekeurde verslag van de vijfde vergadering
arbeidsvoorwaardenoverleg van 9 december 2005 (…)”
2.28.
Van belang is ook de manier waarop de afspraak is uitgevoerd. De ondernemingsraad stelt onweersproken dat vanaf 2005 tot en met 2020 de pensioenen zijn geïndexeerd volgens de afgesproken ambitie. In 2011 kon de ambitie niet worden gehaald. De actieven kregen toen een indirecte salarisverhoging vanwege het afschaffen van de overhevelingstoeslag, maar kregen daarnaast geen andere salarisverhoging. Op basis van het ‘formuledeel’ zouden de inactieven/gepensioneerden daarom geen indexatie krijgen. ExxonMobil heeft toen het ‘aanvullende deel’ toegepast en toch een indexatie aan de gepensioneerden toegekend.
Conclusie
2.29.
Uit al deze vaststaande feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat ExxonMobil zich heeft verbonden te streven naar een indexatie van 90% van de afgeleide CPI, gemaximeerd op de loonsverhoging van de actieven (‘het formuledeel’), althans zodanig dat de ontwikkelingen van de pensioenen niet uit de pas gaan lopen met de ambitie. Het ‘aanvullende deel’ was bedoeld om bij te sturen als in bijzondere omstandigheden de indexatie-ambitie door het toepassen van het ‘formuledeel’ niet werd gehaald. In dat verband is specifiek als voorbeeld benoemd dat als de ‘formule’ in enig jaar leidt tot een ongewenste uitkomst, daarvoor de mogelijkheid tot aanvullende compensatie is overeengekomen. De kantonrechter is van oordeel dat deze ongewenste uitkomst zich heeft voorgedaan over de jaren 2021 tot en met 2024 en dat er aanleiding was om aanvullende compensatie ter beschikking te stellen voor de indexatie van de gepensioneerden. Voor zover ExxonMobil de gemaakte afspraak niet zo heeft bedoeld, vindt de kantonrechter dat de ondernemingsraad hier in de gegeven omstandigheden wel gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Dit wordt hierna verder uitgelegd.
ExxonMobil had de discretionaire bevoegdheid moeten toepassen
2.30.
De kantonrechter vindt dat in de periode 2021 tot en met 2024 sprake was van bijzondere omstandigheden waardoor ExxonMobil gehouden was het ‘aanvullende deel’ toe te passen voor een indexatie. Hiervoor is het volgende redengevend.
2.31.
Tot en met 2020 was de indexatie gelijk aan de ambitie van 90% van de afgeleide CPI. Vanaf 2020 zijn de indexaties achtergebleven:
  • in 2021 is geen indexatie toegekend. Er was wel inflatie maar de lonen van de actieven zijn niet verhoogd;
  • in 2022 en 2023 was de indexatie veel lager dan de ambitie. De loonsverhoging was namelijk veel lager dan de afgeleide CPI;
  • in 2024 was er geen indexatie. De afgeleide CPI was namelijk negatief. In dat jaar zijn de lonen wel fors verhoogd.
De ondernemingsraad verwijst naar de volgende tabel en grafiek [19] , waarvan de inhoud door ExxonMobil niet (voldoende) gemotiveerd is weersproken:
2.32.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit precies de bijzondere omstandigheden waarvoor het ‘aanvullende deel’ was bedoeld. In 2024 hebben de gepensioneerden geen indexatie van hun pensioen gekregen, terwijl de actieven een forse salarisverhoging kregen van 7%. Volgens het ‘formuledeel’ is dit correct, maar dit had voor de gepensioneerden een zeer ongewenste uitkomst. En daarvoor is het ‘aanvullende deel’ nu juist bedoeld. Want voor 2021, 2022 en 2023 heeft ExxonMobil een loonsverhoging voor de actieven vastgesteld, die lager was dan de afgeleide CPI. Daardoor werd de indexatie-ambitie van 90% CPI niet gerealiseerd. Omdat de gepensioneerden geen hogere indexatie kregen dan de loonsverhoging van de actieven, was de indexatie lager dan 90% van de CPI. Vervolgens heeft ExxonMobil in 2024 aan de actieven een uitzonderlijk hoge salarisverhoging gegeven, als compensatie voor de gemiste indexaties. De gepensioneerden hebben daarvan niet geprofiteerd. In 2024 was de afgeleide CPI namelijk negatief. Daarom hadden zij op basis van het ‘formuledeel’ geen recht op indexatie. De kantonrechter vindt dat ExxonMobil in deze omstandigheden toepassing had moeten geven aan het ‘aanvullende deel’, om een aanvullende indexatie aan de gepensioneerden te financieren.
2.33.
De kantonrechter vindt overigens ook dat ExxonMobil de beslissing om het aanvullende deel niet toe te passen, onvoldoende heeft gemotiveerd. ExxonMobil schrijft alleen [20] :
“Na zorgvuldige interne afweging, en rekening houdend met de verschillende betrokken
partijen en standpunten, hebben de Bijdragende Ondernemingen besloten om dit jaar geen
gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid om een aanvullende premie ter
beschikking te stellen ter financiering van een incidentele toeslag”.Ook op de zitting heeft ExxonMobil alleen in algemene zin uitgelegd dat zij rekening moet houden met allerlei belangen, niet alleen op korte maar ook op lange termijn. ExxonMobil heeft niet gezegd dat de financiële situatie van de onderneming zodanig was dat zij geen aanvullende storting kon doen. De toelichting is daarom onvoldoende, gelet op wat de ondernemingsraad van ExxonMobil mocht verwachten.
2.34.
Het zonder deugdelijke motivering niet toepassen van het aanvullende deel is in strijd met de afspraak tussen partijen en ook in strijd met het goed werkgeverschap. Van ExxonMobil mag als goed werkgever verwacht worden dat zij zich bekommert om de waardevastheid van de pensioenen van de gepensioneerden en dat zij zich zal inspannen om de ambitie zoveel mogelijk waar te maken, zo nodig door het toepassen van het aanvullende deel. De kantonrechter vindt het in de gegeven omstandigheden dus niet correct, en in strijd met de gemaakte afspraken, dat ExxonMobil de actieven in 2024 wel met een forse loonsverhoging van maar liefst 7% heeft gecompenseerd voor de geringe loonsverhogingen in de jaren ervoor, maar in dat jaar niets heeft gedaan voor de gepensioneerden, terwijl de indexatie-ambitie voor die groep al sinds 2021 niet meer gehaald werd. Ook omdat het niet halen van die ambitie voornamelijk komt door het handelen van ExxonMobil. Zij heeft namelijk in 2021 tot en met 2023 een lagere loonsverhoging voor de actieven vastgesteld dan de afgeleide CPI, waardoor de gepensioneerden ook geen recht kregen op een indexatie van hun pensioenen.
De vorderingen van de OR zijn nog niet toewijsbaar
2.35.
Hiermee is echter nog niet gezegd dat ExxonMobil gehouden is om aan de gepensioneerden exact dezelfde verhoging toe te kennen als het percentage van 7%, waarmee zij in 2024 het loon van de actieven heeft verhoogd. Immers, naar de letter van de afspraken mocht ExxonMobil dit zo doen, omdat was afgesproken dat de gepensioneerden niet meer dan 90% van de CPI aan indexatie zouden krijgen. De afgeleide CPI was in dat jaar negatief, daarom kregen de gepensioneerden in dat jaar geen indexatie. De handelwijze van ExxonMobil was wel in strijd met het goed werkgeverschap, zoals hiervoor is geoordeeld. De kantonrechter vindt weliswaar dat ExxonMobil toepassing had moeten geven aan de afspraak over het aanvullende deel, om daarmee tenminste een deel van de gemiste indexatie voor de gepensioneerden te compenseren, maar hiermee is nog niet gezegd dat ExxonMobil gehouden was om in de gegeven situatie de gepensioneerden volledig te compenseren voor de gemiste indexaties over de jaren 2021 tot en met 2024. De actieven hebben immers – ook als rekening wordt gehouden met de loonsverhoging van 2024 – per saldo over de genoemde jaren ook geen loonsverhogingen gekregen ter hoogte van 90% de CPI. Bovendien is de afspraak over het ter beschikking stellen van aanvullende compensatie niet zo ‘hard’, dat hieruit moet volgen dat die aanvullende compensatie zou moeten leiden tot volledige indexatie conform de ambitie van 90% van de CPI. De verzoeken onder II en IV van de ondernemingsraad (zie 2.2.) zijn wel op dit uitgangspunt gebaseerd, maar zijn gelet op het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter in de huidige formulering niet toewijsbaar.
2.36.
De kantonrechter stelt de ondernemingsraad daarom in de gelegenheid om zijn vorderingen nader te concretiseren en zo nodig aan te passen, ook om eventuele executieproblemen te voorkomen. ExxonMobil mag hier daarna op reageren.
2.37.
De kantonrechter geeft partijen nadrukkelijk in overweging om (opnieuw) met elkaar in overleg te treden om het geschil op een andere manier dan met voortzetting van de onderhavige procedure op te lossen, in de geest van de in december 2005 gemaakte afspraak. Als partijen deze mogelijkheid willen verkennen, dan kunnen zij uitstel vragen van de hierna in 3.1 genoemde reactietermijn.
De uitvoerbaar bij voorraad verklaring
2.38.
De ondernemingsraad wil dat een veroordeling van ExxonMobil om financiering beschikbaar te stellen uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. ExxonMobil maakt hiertegen bezwaar. Volgens ExxonMobil kan het niet meer worden teruggedraaid als zij na een veroordeling financiering beschikbaar stelt en de indexatie vervolgens daadwerkelijk wordt verleend. De ondernemingsraad heeft dat betwist.
2.39.
De kantonrechter kan nog niet vaststellen of het betalen van een bedrag door ExxonMobil aan het pensioenfonds waarmee vervolgens indexatie wordt toegekend, kan worden teruggedraaid. Partijen hebben nog geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid of dit wel of niet kan. De kantonrechter stelt de ondernemingsraad in de gelegenheid om met stukken te onderbouwen dat een eventuele storting voor indexatieverlening eenvoudig kan worden teruggedraaid. ExxonMobil mag hier daarna op reageren.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat de ondernemingsraad op 9 juni 2026 mag reageren op wat hiervoor staat onder 2.35 en 2.36 en onder 2.38. ExxonMobil mag hier vervolgens op reageren;
3.2.
houdt iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
34650

Voetnoten

1.Zie in vergelijkbare zin: Hof ’s-Hertogenbosch 18 juli 2012, ECLI:NL:2012:BX5363
2.Artikel 32 lid 2 WOR Pro
3.Zie Hof ’s-Hertogenbosch 18 juli 2012, ECLI:NL:2012:BX5363, r.o.v. 3.6.1
4.Artikel 28 WOR Pro
5.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (
6.Hoge Raad 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4410, NJ 2008/104 (
7.Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1267 (
8.Bijlage 9 bij verzoekschrift
9.Bijlage 11 bij verzoekschrift
10.Bijlage 12 bij verzoekschrift
11.Bijlage 13 bij verzoekschrift
12.Bijlage 14 bij verzoekschrift
13.Bijlage 15 bij verzoekschrift
14.Bijlage 16 bij verzoekschrift
15.Bijlage 17 bij verzoekschrift
16.Bijlage 19 bij verzoekschrift
17.Bijlage 19 bij verzoekschrift
18.Bijlage 32 bij verzoekschrift
19.Zie randnummer 30 van het verzoekschrift
20.Zie bijlage 29 bij verzoekschrift