ECLI:NL:RBROT:2026:52

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/10/693513 / FA RK 25-720
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgregeling voor minderjarigen na overeenstemming tussen ouders

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 8 januari 2026, wordt een zorgregeling vastgesteld voor de minderjarigen in de zaak tussen de man en de vrouw. De rechtbank heeft de procedure gevolgd na een mondelinge behandeling op 11 december 2025, waarbij partijen en hun advocaten aanwezig waren. De man, vertegenwoordigd door mr. M. Soytekin, en de vrouw, vertegenwoordigd door mr. M.C.J.G. Kathmann, hebben overeenstemming bereikt over de zorgregeling, ondanks het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank heeft eerder op 16 mei 2025 de behandeling van de hoofdverblijfplaats aangehouden en verwezen naar de eerdere beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man zich kan vinden in het advies van de raad om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw te laten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minderjarigen in het ene weekend bij de man verblijven en in het andere weekend bij de vrouw, met een verdeling van vakanties en feestdagen. De rechtbank oordeelt dat de overeengekomen zorgregeling in het belang van de minderjarigen is en legt deze vast. De kosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na de beschikking.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/693513 / FA RK 25-720
Beschikking van 8 januari 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling)
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Soytekin te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.C.J.G. Kathmann te Breda,
betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] ; geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de beschikking van 16 mei 2025;
  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna te noemen: de raad) van 1 december 2025, tevens houdende een verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen;
  • het gewijzigd verzoek van de man van 9 december 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Het verzoek is gecombineerd behandeld met het bij de rechtbank op 1 december 2025 ingekomen verzoek van de raad met betrekking tot de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, bekend onder zaak-/rekestnummer: C/10/ 711001/JE RK 25-2485 In die zaak is afzonderlijk uitspraak gedaan.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • partijen en advocaten voornoemd;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] ;
De gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering gevestigd te Amsterdam (hierna te noemen: De GI) is – hoewel deugdelijk opgeroepen – niet verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 16 mei 2025 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling. De rechtbank verwijst naar wat over die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat de man zich kan vinden in het advies van de raad om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen niet te veranderen en bij de vrouw te laten. Hij stelt dat hij dit alleen wenste indien de kinderen niet bij de moeder kunnen blijven wonen, hetgeen thans niet aan de orde is.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de man dit verzoek niet langer handhaaft en zal het verzoek van de man op dit punt afwijzen.
2.3.
Thans dient nog te worden beslist op het verzoek (alsmede het gewijzigde verzoek) van de man een zorgregeling vast te stellen waarbij:
  • de minderjarigen het ene weekend van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij hem zullen verblijven en
  • in het andere weekend twee van de drie minderjarigen bij hem zullen verblijven;
  • de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat er bij beide partijen een positieve lijn wordt gezien. De vrouw heeft profijt van de inmiddels ingezette intensieve hulpverlening en werkt hieraan mee. Ook bij de man is sprake van een positieve ontwikkeling. Partijen hebben geen ruzie en er is ook communicatie tussen partijen. De man is betrokken en hij is bereid om zich in te spannen waar nodig om de vrouw te kunnen ontlasten. Deze positieve lijn is echter nog pril en kwetsbaar. Nog niet alle zorgen over de opvoedomgeving van de minderjarigen zijn weggenomen en de opvoeding van de minderjarigen (die alle drie eigen kindproblematiek hebben) is daarbij voor de ouders zwaarder dan normaal. Bij afzonderlijke beschikking zijn de minderjarigen dan ook onder toezicht gesteld van de GI.
2.5.
Voor wat betreft de zorgregeling stelt de vrouw dat zij zich kan voorstellen dat de man alle drie de minderjarigen één weekend in de twee weken bij zich wil hebben, maar dat wil zij ook graag. De vrouw stelt dat zij enorm profijt heeft van de intensieve hulpverlening en dat de rust in huis enigszins is teruggekeerd. Daarom wil ook zij graag de minderjarigen een weekend in de twee weken bij zich hebben. De vrouw verzet zich niet tegen het verdelen van de vakanties en feestdagen.
2.6.
Met partijen is op de zitting afgesproken dat de weekendregeling zal zijn dat de minderjarigen één weekend per twee weken bij de man verblijven en één weekend per twee weken bij de vrouw verblijven. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat zij, mocht het zo zijn dat de zorg voor alle drie de minderjarigen haar (op momenten te veel wordt) zij eventueel via de gezinsvoogd de man zal benaderen met de vraag of hij enige zorg voor haar wil overnemen. De man heeft verklaard dat hij daar in principe altijd toe bereid zal zijn.
2.7.
De rechtbank is – met de raad – van oordeel dat de door partijen overeengekomen zorgregeling in het belang van de minderjarigen is en de rechtbank zal deze afspraak tussen partijen dan ook vastleggen zoals hierna omschreven.
2.8.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de minderjarigen hebben getroffen, te weten:
  • de minderjarigen verblijven één weekend in de twee weken bij de man van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
  • op de momenten dat de vrouw de zorg voor alle drie de minderjarigen in het weekend niet aankan, zal zij hierover (al dan niet door tussenkomst van de GI) met de man in overleg gaan en zal de man bezien wat hij hierin voor de vrouw kan betekenen om haar te ontlasten;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van P. Mansveld-Spierings, griffier, op 8 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.