ECLI:NL:RBROT:2026:5200

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
11986267 CV EXPL 25-25741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:125 BWArt. 5:122 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand VvE-bijdrage en incassokosten toegewezen aan VvE

De eigenaar van een appartement was lid van de Vereniging van Eigenaars (VvE) en had een betalingsachterstand op de vastgestelde VvE-bijdragen. De VvE vorderde betaling van de achterstand, rente en incassokosten. De eigenaar betwistte de vordering, stellende dat hij niet op de hoogte was van de betalingsverplichting, dat post naar een verkeerd adres was gestuurd en dat sommige bedragen betrekking hadden op perioden vóór zijn eigendom.

De kantonrechter oordeelde dat de eigenaar vanaf 12 november 2024 lid was van de VvE en daarmee verplicht was de bijdragen te betalen. De ontvangst van een welkomstbrief waarin de betalingsverplichting werd uitgelegd, werd niet betwist. De vordering van de VvE werd grotendeels toegewezen, met uitzondering van de kosten voor kadastrale recherche die niet noodzakelijk waren.

De incassokosten werden toegewezen omdat aan de wettelijke voorwaarden was voldaan en de aanmaning correct was verzonden. De rente werd eveneens toegewezen omdat de eigenaar onvoldoende had gemotiveerd waarom deze onjuist zou zijn. De proceskosten werden aan de eigenaar opgelegd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De eigenaar wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige VvE-bijdragen, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11986267 CV EXPL 25-25741
datum uitspraak: 1 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Vereniging Van Eigenaars [adressen],
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: BoitenLuhrs Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘de VvE’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 19 november 2025, met bijlagen;
  • het mondelinge antwoord;
  • de repliek met wijziging/vermindering van eis, met bijlagen;
  • de mondelinge dupliek.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[gedaagde] is eigenaar van het appartementsrecht dat hem recht geeft op het uitsluitend gebruik van het appartement aan de [adres 1] in [plaats] . [gedaagde] is als eigenaar van het appartementsrecht van rechtswege lid van de VvE en moet de in de vergadering van de VvE vastgesteld bijdragen aan de VvE betalen. Volgens de VvE heeft [gedaagde] een betalingsachterstand laten ontstaan. De VvE eist dat [gedaagde] die betalingsachterstand, met rente en kosten, aan haar moet betalen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van de VvE. Hij voert aan dat dat hij niet wist dat hij bijdragen aan de VvE moest betalen. Hij zegt dat veel post naar het verkeerde adres is gestuurd en veel bedragen bovendien betrekking hebben op een periode, waarin hij nog niet in het appartement woonde. [gedaagde] betwist daarom dat hij kan worden aangesproken voor de afrekening van het exploitatieresultaat over 2023/2024 van € 235,02. Ook zegt [gedaagde] nooit een factuur te hebben ontvangen van het bedrag van € 107,34, dat ziet op de verrekening van de herziene begroting over juli 2024 tot en met december 2024. Volgens [gedaagde] zijn alle openstaande bedragen al vóór het uitbrengen van de dagvaarding betaald. [gedaagde] is het ten slotte niet eens met de hoogte van de incassokosten en stelt ook dat de rente over een te hoog bedrag is berekend.
2.3.
De kantonrechter wijst de eis van de VvE toe, met uitzondering van de kosten van kadastrale recherche. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet € 235,02 aan achterstallige bijdragen aan de VvE betalen
2.4.
Vast staat dat [gedaagde] op grond van artikel 5:125 lid 2 BW Pro per 12 november 2024 lid is van de VvE. Dat lidmaatschap brengt met zich mee dat hij verplicht is de in de vergadering van de VvE vastgestelde bijdragen te betalen.
2.5.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet wist dat hij bijdragen aan de VvE moest betalen. Volgens [gedaagde] is namelijk ‘veel post’ naar het verkeerde adres gestuurd. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] in elk geval wel brieven van de VvE heeft ontvangen, maar kennelijk niet alle. [gedaagde] legt echter verder niet uit welke brieven hij wél en welke hij niet heeft ontvangen. In reactie op dat verweer heeft de VvE bij repliek bovendien de aan [gedaagde] gezonden welkomstbrief van 13 november 2024 in het geding gebracht. In die brief is aan [gedaagde] uitgelegd dat en waarom hij lid is van de VvE en welke rechten en verplichtingen hij daardoor heeft. Zo is in de brief opgenomen dat [gedaagde] maandelijks een VvE-bijdrage moet betalen. [gedaagde] heeft vervolgens bij dupliek niet meer betwist dat hij deze welkomstbrief heeft ontvangen. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde] de brief van 13 november 2024 ontvangen heeft. Daarmee staat voldoende vast dat hij vanaf dat moment bekend was met de verplichting om de maandelijkse VvE-bijdragen te betalen.
2.6.
De VvE heeft daarnaast uitgelegd dat op de vergadering van 19 november 2024 het exploitatieresultaat over 2023/2024 is vastgesteld en besloten is dat het bestaande tekort door de leden van de VvE (naar breukdeel) zal worden aangezuiverd. Ook heeft de VvE toegelicht dat op die vergadering de begroting voor het lopende boekjaar met terugwerkende kracht is herzien, waardoor de VvE-bijdrage vanaf 1 juli 2024 opnieuw is vastgesteld en er een bedrag door de leden moest worden nabetaald. De VvE heeft de brieven overgelegd, waarin zij aan [gedaagde] heeft medegedeeld welke bedragen hij moet betalen naar aanleiding van de afrekening van het exploitatieresultaat en de herziening van de begroting. [gedaagde] heeft de ontvangst van die brieven niet meer betwist, zodat er van uit wordt gegaan dat hij ook die brieven heeft ontvangen. Daarmee staat voldoende vast dat [gedaagde] op de hoogte was van de naar aanleiding van de genomen besluiten door hem te betalen bedragen.
2.7.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn stelling dat hij de bedragen, die zien op de afrekening van het exploitatieresultaat 2023/2024 en de herziening van de begroting, niet hoeft te betalen. Het is juist dat die bedragen betrekking hebben op een periode waarin hij nog geen eigenaar van het appartement was. Hij was echter wél eigenaar van het appartement op het moment dat de besluiten over de genoemde bedragen zijn genomen. Op grond van artikel 5:122 lid 3 BW Pro is [gedaagde] aansprakelijk voor verschuldigde bijdragen die in het lopende of het voorafgaande boekjaar opeisbaar zijn geworden. Dat betekent dat de VvE [gedaagde] terecht aanspreekt tot betaling van de bedragen naar aanleiding van de afrekening van het exploitatieresultaat 2023/2024 en de herziening van de begroting.
2.8.
De VvE heeft bij repliek een actuele specificatie overgelegd van de door [gedaagde] verschuldigde VvE-bijdragen over de periode van december 2024 tot en met januari 2026 en de bedragen naar aanleiding van de afrekening van het exploitatieresultaat 2023/2024 en de herziening van de begroting. Daarin zijn ook alle door [gedaagde] betaalde bedragen opgenomen. Uit de specificatie blijkt dat er op dit moment nog sprake is van een achterstand van
€ 235,02. [gedaagde] heeft de hoogte van die achterstand onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat alle verschuldigde bedragen vóór dagvaarding al zijn betaald, maar hij heeft geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij meer heeft betaald dan door de VvE is gesteld. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd kan bovendien zowel uit de specificatie bij de dagvaarding als uit de specificatie bij repliek worden afgeleid dat er op de dag van dagvaarding (19 november 2025) ook al sprake was van een betalingsachterstand.
2.9.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] nog een bedrag van € 235,02 aan achterstallige bijdragen aan de VvE moet betalen. Dat bedrag wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 460,25 betalen
2.10.
De incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). De gemachtigde van de VvE heeft namelijk op 13 mei 2025 een aanmaning aan [gedaagde] gestuurd die voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen.
2.11.
[gedaagde] voert weliswaar aan dat ook de gemachtigde van de VvE haar brieven naar het verkeerde adres heeft gestuurd, maar verklaart daarnaast expliciet dat het adres [adres 2] in [plaats] wél juist is. De aanmaning van 13 mei 2025 is naar dat adres gestuurd, zodat de kantonrechter er van uit gaat dat [gedaagde] die aanmaning heeft ontvangen. Vast dat [gedaagde] niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn tot volledige betaling van de achterstallige bijdrage is overgegaan.
2.12.
Voldoende gebleken dat de gevorderde incassokosten zijn berekend over de achterstand van € 2.553,71, die openstond ten tijde van het versturen van de aanmaning van 13 mei 2025. De kantonrechter volgt [gedaagde] dan ook niet in zijn stelling dat er hogere incassokosten worden gerekend dan eigenlijk zou mogen. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld het gevorderde bedrag aan incassokosten van € 460,25 te betalen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.13.
De VvE eist betaling van de wettelijke rente over de achterstand. Volgens de VvE bedraagt die rente tot en met 20 januari 2026 € 19,93. [gedaagde] heeft pas bij dupliek voor de eerste maal de hoogte van de rente betwist en aangevoerd aan dat de rente berekend is over een te hoog bedrag. Naast het feit dat van [gedaagde] verwacht mocht worden dit verweer al meteen bij antwoord naar voren te brengen, heeft [gedaagde] verder niet uitgelegd waarop hij dit baseert. Gelet op het feit dat de achterstand al in december 2024 is ontstaan is het gevorderde bedrag aan rente echter niet onredelijk of buitensporig hoog. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen. De gevorderde rente wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan de VvE moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal
€ 846,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
2.15.
De kosten voor het opvragen van informatie uit het Kadaster zijn proceskosten. [gedaagde] hoeft die kosten niet te vergoeden, omdat het niet nodig was om deze informatie op te vragen (artikel 237 lid 1 Rv Pro en artikel 9 Besluit Pro tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders).
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de VvE dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de VvE te betalen € 715,20 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 235,02 vanaf 21 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van de VvE worden begroot op € 846,14;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
44487