ECLI:NL:RBROT:2026:5267

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/10/711591 / JE RK 25-2570
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de oma moederszijde. De minderjarige verblijft momenteel bij de oma en de moeder heeft het ouderlijk gezag. De kinderrechter had eerder de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot respectievelijk 29 juli 2026 en 29 april 2026.

De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling. De moeder en de oma moederszijde verzetten zich tegen deze verlenging en pleiten voor terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder, die volgens hen positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en voldoende zorg kan bieden. De moeder ontvangt inmiddels hulpverlening en heeft dagelijks contact met de minderjarige.

De kinderrechter erkent de positieve ontwikkeling van de moeder en de inzet van hulpverlening, maar acht een onmiddellijke terugplaatsing nog te prematuur. Er moet gefaseerd worden toegewerkt naar terugplaatsing, te beginnen met logeerperiodes bij de moeder. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden tot 29 juli 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tevens wordt een perspectiefonderzoek aanbevolen om het terugplaatsingsproces te ondersteunen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 29 juli 2026 met een gefaseerd terugplaatsingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711591 / JE RK 25-2570
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.H. Amstelveen, kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,
[oma mz] ,
hierna te noemen: de oma moederszijde (mz).

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van GI van 13 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 16 april 2026.
1.2.
Op 21 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] ;
- de oma mz.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de oma mz.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2025 de
ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 29 juli 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 januari 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 29 april 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Over de periode tot 29 april 2026 is al beslist. Er resteert een beslissing over de periode tot 29 juli 2026.
3.2.
De GI handhaaft het (aangehouden) verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. De GI is tevreden over de samenwerking met de moeder en oma mz en er is sprake van een positieve ontwikkeling. [zorgverlener 1] is inmiddels gestart en zij komen eens per week bij de moeder thuis. Het verloop hiervan moet worden gemonitord. Er dient aan een gefaseerde terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder te worden gewerkt, waarbij als hij als tussenstap eerst bij de moeder gaat logeren. Ook dient een plan te worden opgesteld waarin bezien wordt hoe de oma mz de moeder en [minderjarige] kan blijven ondersteunen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder verzoekt primair om afwijzing van het resterende gedeelte van het verzoek en subsidiair om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een kortere duur toe te wijzen. De GI is voornemens de aankomende drie maanden te werken aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en acht hiervoor een perspectiefonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek heeft echter geen toegevoegde waarde nu de moeder [minderjarige] al dagelijks ziet. Daarnaast staat de moeder al langere op de wachtlijst en onbekend is wanneer dit onderzoek kan plaatsvinden. Er moet juist ingezet worden op hulpverlening om de band tussen de moeder en [minderjarige] te versterken. De moeder heeft een ontwikkeling doorgemaakt en zijn er geen zorgen meer. Deze positieve ontwikkeling, in combinatie met de inzet van [zorgverlener 1] , maakt dat [minderjarige] snel teruggeplaatst kan worden bij de moeder. Ook staat de moeder open voor contactherstel tussen [minderjarige] en de vader en hieraan kan binnen de ondertoezichtstelling worden gewerkt.
4.2.
De oma mz voert ter zitting verweer tegen het verzoek van de GI. Bij de moeder is sprake van een gedragsverandering: zij zet zich volledig in voor [minderjarige] en heeft de relatie met de vader van [minderjarige] verbroken. De moeder heeft laten zien dat zij zelfstandig voor [minderjarige] kan zorgen en het is daarom tijd dat [minderjarige] weer bij de moeder gaat wonen. De oma mz is bereid te blijven ondersteunen bij de opvoeding van [minderjarige] door bijvoorbeeld in de weekenden voor hem te zorgen. De oma mz acht de tussenstap waarbij [minderjarige] eerst bij de moeder gaat logeren onnodig en hoopt dat de GI meer vertrouwen heeft in de opvoedvaardigheden van de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De moeder heeft de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De kinderrechter ziet dat de moeder zich gemotiveerd opstelt, de hulpverlening accepteert en aantoonbare stappen zet. Ook de GI onderschrijft deze ontwikkeling. De hulpverlening van [zorgverlener 2] is positief afgerond en onlangs is de hulpverlening van [zorgverlener 1] gestart. De moeder heeft dagelijks meerdere uren omgang met [minderjarige] en zij sluit aldus de hulpverlening goed aan bij de behoeftes van [minderjarige] . Ondanks deze positieve vooruitgang, is de kinderrechter van oordeel dat een onmiddellijke terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder nog te prematuur is. Van belang is dat gefaseerd aan de terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder wordt gewerkt, waarbij de moeder in stappen de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] leert dragen. Van belang is dat hiervoor een gedegen plan wordt opgesteld door de GI, samen met de moeder en oma mz waarbij [minderjarige] eerst bij de moeder gaat logeren, zodat [minderjarige] geleidelijk gewend raakt aan de nieuwe situatie. Ook dient hierbij het traject van [zorgverlener 1] gemonitord te worden. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, zijnde oma mz, verlengen voor de duur van drie maanden, te weten 29 juli 2026. De kinderrechter spreekt de hoopt uit dat in de aankomende maanden eveneens het perspectiefonderzoek kan worden afgerond.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, zijnde oma mz., tot 29 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.