ECLI:NL:RBROT:2026:5270

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716379 / JE RK 26-483
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds zijn geboorte in een pleeggezin verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is niet tegen het verzoek en erkent dat het beter is voor het kind om in het pleeggezin op te groeien.

De kinderrechter constateert dat de omgang tussen de minderjarige, de moeder en de oma inmiddels volledig is hervat en goed verloopt, ondanks eerdere spanningen die tijdelijk tot onderbreking van de omgang hebben geleid. De moeder betreurt de spanningen tussen de pleegouders en de oma en benadrukt het belang van goede samenwerking en communicatie tussen alle betrokkenen, ook met het oog op de verzorging van de minderjarige.

Gezien de positieve ontwikkeling van de minderjarige in het pleeggezin en het belang van continuïteit in de verzorging en opvoeding, acht de kinderrechter verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 4 mei 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716379 / JE RK 26-483
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdbescherming,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. K. Logtenberg, kantoorhoudende te Rotterdam,
[pleegouders] ,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI van 6 maart 2026 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 12 maart 2026;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 15 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
1.3.
De moeder en de pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de pleegouders wel juist zijn opgeroepen. Ter zitting heeft mr. Logtenberg medegedeeld dat de moeder verhinderd was ter zitting aanwezig te zijn wegens een afspraak met de hulpverlening.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 4 mei 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd 4 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Een aanvulling op het verzoekschrift is dat de omgang tussen [minderjarige] , de moeder en oma mz inmiddels volledig is hervat. De omgang is onbegeleid en verloopt goed. [minderjarige] gaat binnenkort naar school waardoor de omgang met de moeder en oma niet langer op woensdag zal plaatsvinden, maar in het weekend. De jeugdbeschermer en de pleegzorgbegeleider zijn dan niet beschikbaar om de partijen te ondersteunen, waardoor het belangrijk is dat alle partijen goed met elkaar samenwerken.

4.De standpunten

4.1.
Namens de moeder wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder is blij met het pleeggezin en zij ziet in dat het beter voor [minderjarige] is om in het pleeggezin op te groeien. Daarnaast is de moeder erg blij dat de omgang met [minderjarige] weer volledig is hervat. Wel betreurt de moeder het dat het eerder mis is gegaan tussen oma mz en de pleegouders. [minderjarige] voelt de spanningen tussen de oma mz en de pleegouders en hij moet hier geen last van ondervinden. [minderjarige] en de oma mz hebben een hechte band en hij houdt veel van haar. Belangrijk is daarom dat de oma mz en de pleegouders met elkaar leren samenwerken. Mogelijk kan de inzet van een onafhankelijke bemiddelaar hierbij worden onderzocht. Ook zou de moeder de pleegouders graag willen ondersteunen bij de verzorging van de huid en het haar van [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] [minderjarige] verblijft sinds zijn geboorte in het pleeggezin, waar hij zich positief ontwikkelt. Het perspectief van [minderjarige] is eerder bij het pleeggezin bepaald. De oma mz heeft tot op heden moeite met deze beslissing. In oktober 2025 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij de oma mz [minderjarige] niet naar het pleeggezin wilde terugbrengen. Dit heeft tot spanningen in de samenwerking met de pleegouders geleid. Hierdoor lag de omgang tussen [minderjarige] , de moeder en de oma mz tijdelijk stil en waren de moeder en de oma mz uit contact met de jeugdbeschermer getreden. Ter zitting is naar voren gebracht door de GI dat de omgang inmiddels weer volledig is hervat en nu wel goed verloopt.
5.2.
Belangrijk is dat [minderjarige] de emotionele toestemming krijgt van de moeder en de oma mz dat hij in het pleeggezin mag opgroeien. Positief is dat de moeder inziet dat [minderjarige] het beste bij het pleeggezin kan opgroeien en dat zij graag wil dat de communicatie met de pleegouders verbetert. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat ook de oma mz hieraan meewerkt in het belang van [minderjarige] , zodat hij niet meer wordt blootgesteld aan spanningen tussen alle belangrijke volwassenen om hem heen. Van belang is dat de communicatie tussen alle partijen spoedig wordt hersteld, nu de omgang vanaf aankomend schooljaar in het weekend plaatsvindt en de jeugdbeschermer dan wel pleegzorgbegeleider de partijen hierbij niet meer kunnen ondersteunen. Daarnaast kan ook gekeken worden naar de wens van de moeder om meer te ondersteunen bij de verzorging van het haar en de huid van [minderjarige] . Overleg tussen de moeder en de pleegouders is ook hier van groot belang.
5.3.
Gezien het voorgaande is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, te weten tot 4 mei 2027. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 4 mei 2027.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 4 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 4 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.