Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, heeft compensatie ontvangen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2009, 2011, 2012 en 2013. Zij is het niet eens met de vaststelling van het compensatiebedrag en heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen dat het bezwaar deels gegrond verklaarde en het bedrag verhoogde.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de Dienst Toeslagen alle relevante stukken heeft overgelegd en of het compensatiebedrag correct is vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat bepaalde dossiers en rapporten relevant zijn en dat de Dienst Toeslagen niet verplicht was deze stukken te overleggen. Daarnaast is vastgesteld dat de forfaitaire berekeningswijze van de Wht geen ruimte laat voor correcties op basis van vermeende onjuistheden in de oorspronkelijke toeslagberekening, betalingen aan deurwaarders, verrekeningen, discriminatie of opname op een FSV-lijst.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek van eiseres af. Zij krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter G.B. Plomp op 15 april 2026.