De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 april 2026 een verzoek tot wijziging van de zorgregeling voor een minderjarige, waarbij de moeder wijziging vroeg van de regeling vastgesteld in 2019. De vader was niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, maar de raad voor de kinderbescherming was als adviseur aanwezig. De minderjarige had schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt.
De rechtbank stelde vast dat de omstandigheden waren gewijzigd, onder meer doordat de minderjarige nu naar school gaat en geen gebruik meer maakt van kinderopvang. De moeder verzocht een vaste regeling waarbij de minderjarige om de veertien dagen van zaterdag 15:00 uur tot zondag 15:00 uur bij de vader verblijft, met ophalen en terugbrengen door de vader, en vakanties in onderling overleg worden verdeeld.
De rechtbank oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is dat een duidelijke en voorspelbare zorgregeling wordt vastgesteld, rekening houdend met zijn verplichtingen zoals bijles. De voorlopige voorziening werd afgewezen wegens gebrek aan belang, omdat de bodemprocedure gelijktijdig werd behandeld. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening bepaald. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen de beschikking staat hoger beroep open.