ECLI:NL:RBROT:2026:537
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen stopzetting WIA-uitkering wegens onvoldoende spoedeisend belang
Verzoekster, een pedagogisch medewerker, kreeg een WIA-uitkering toegekend vanaf 29 september 2024. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat verzoekster minder dan 35% arbeidsongeschikt is en besloot de uitkering per 27 januari 2026 te beëindigen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de stopzetting op te schorten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een acute financiële noodsituatie verkeert. Financiële problemen kunnen in beginsel na afloop van de bodemprocedure worden vergoed, tenzij sprake is van onomkeerbare situaties zoals faillissement. Verzoekster kon ook niet aantonen dat zij geen beroep kan doen op vangnetvoorzieningen zoals de bijstand.
Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. De medische en arbeidskundige rapportages geven een helder beeld van de arbeidsmogelijkheden van verzoekster. Zij heeft geen aanvullende medische stukken overgelegd die het standpunt van het UWV fundamenteel zouden ondermijnen. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de stopzetting van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.