De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen ex-echtgenoten over de overwaarde van een woning die in 2006 in een echtscheidingsconvenant aan de man was toegedeeld. Hoewel het convenant niet werd uitgevoerd vanwege weigering van de bank om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, gedroegen partijen zich alsof de man eigenaar was. De woning bleef gemeenschappelijk tot de verkoop aan een derde in 2024.
De vrouw verklaarde in 2024 aan de notaris dat zij sinds de scheiding geen economisch belang meer had en zag af van haar aandeel in de overwaarde. Later veranderde zij van standpunt en vorderde alsnog de helft van de overwaarde. De rechtbank oordeelde dat de vrouw aan de verdeling uit het convenant gehouden moet worden, ook al was de woning pas in 2024 verkocht en de schuld afgelost.
De vordering van de man om de overwaarde aan hem toe te wijzen werd toegewezen, terwijl de tegenvordering van de vrouw werd afgewezen. Daarnaast werd de vordering van de vrouw tot schadevergoeding wegens vermeende tekortkomingen van de man afgewezen, omdat zij geen concreet bewijs van schade leverde en zelf geen initiatief tot verkoop had genomen.
De rechtbank bepaalde dat de vrouw de notaris opdracht moet geven om de overwaarde aan de man te betalen en dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een akte indien zij dit nalaat. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.