Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5389

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/10/707338 / HA ZA 25-847
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 3:300 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vrouw op helft overwaarde woning na echtscheiding en convenant

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen ex-echtgenoten over de overwaarde van een woning die in 2006 in een echtscheidingsconvenant aan de man was toegedeeld. Hoewel het convenant niet werd uitgevoerd vanwege weigering van de bank om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, gedroegen partijen zich alsof de man eigenaar was. De woning bleef gemeenschappelijk tot de verkoop aan een derde in 2024.

De vrouw verklaarde in 2024 aan de notaris dat zij sinds de scheiding geen economisch belang meer had en zag af van haar aandeel in de overwaarde. Later veranderde zij van standpunt en vorderde alsnog de helft van de overwaarde. De rechtbank oordeelde dat de vrouw aan de verdeling uit het convenant gehouden moet worden, ook al was de woning pas in 2024 verkocht en de schuld afgelost.

De vordering van de man om de overwaarde aan hem toe te wijzen werd toegewezen, terwijl de tegenvordering van de vrouw werd afgewezen. Daarnaast werd de vordering van de vrouw tot schadevergoeding wegens vermeende tekortkomingen van de man afgewezen, omdat zij geen concreet bewijs van schade leverde en zelf geen initiatief tot verkoop had genomen.

De rechtbank bepaalde dat de vrouw de notaris opdracht moet geven om de overwaarde aan de man te betalen en dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een akte indien zij dit nalaat. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de man toe en wijst de tegenvordering van de vrouw af, waarbij de vrouw de overwaarde aan de man moet laten uitbetalen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/707338 / HA ZA 25-847
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[de man],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. M.J.M. Groen,
tegen
[de vrouw],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. F.E. Boonstra.

1.De zaak in het kort

[de man] en [de vrouw] zijn tot 2006 gehuwd geweest. Partijen waren samen eigenaar van een woning. De woningschuld was in 2006 hoger dan de waarde van de woning. In het echtscheidingsconvenant uit 2006 is overeengekomen dat de echtelijk woning op naam van [de man] zou worden gezet. [de vrouw] zou uit de hoofdelijkheid worden ontslagen. Het convenant is niet uitgevoerd, omdat de bank niet wilde meewerken. Partijen hebben zich wel gedragen alsof het convenant was uitgevoerd. In 2024 is de woning verkocht aan een derde. [de man] vordert dat de overwaarde aan hem wordt betaald; [de vrouw] vordert in reconventie dat de helft van de overwaarde aan haar wordt betaald. De rechtbank wijst de vordering van [de man] toe en wijst de tegenvordering van [de vrouw] af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 september 2025 met producties 1-6;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 12 november 2025 met producties 1-5;
- de akte van [de man] van 12 november 2025 met producties 7-22;
- de akte van [de vrouw] van 14 april 2026 met producties 6 en 7;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 14 april 2026 met producties 23-27;
- de spreekaantekeningen van [de man] voor de mondelinge behandeling van 14 april 2026.
2.2.
Mr. Groen heeft namens [de man] bezwaar gemaakt tegen de akte namens [de vrouw] van 14 april 2026, die hij niet eerder dan op 9 april 2026 heeft ontvangen. Dat is na het verstrijken van de termijn van tien dagen vóór de mondelinge behandeling die is voorgeschreven in artikel 87 lid 6 Rv Pro. Mr. Boonstra heeft daar tegenin gebracht dat zijn akte een reactie is op de conclusie van antwoord in reconventie met producties van [de man] die hij op 1 april 2026 heeft ontvangen, en ook dat [de man] de producties bij de akte al kent. De rechtbank laat de akte van [de vrouw] buiten beschouwing, omdat zij te laat in het geding is gebracht.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[de man] en [de vrouw] zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest van 1998 tot 2006.
3.2.
De echtelijke woning was hun gezamenlijke eigendom (eenvoudige gemeenschap). De woning was gefinancierd met een lening. [de man] en [de vrouw] waren hoofdelijk schuldenaren.
3.3.
Op 15 augustus 2006 hebben [de man] en [de vrouw] een echtscheidingsconvenant getekend. Daarin staat onder meer:

Artikel 4: Huisvesting Pro van de vrouw
Totdat de vrouw alternatieve woonruimte heeft gevonden voor de kinderen en haarzelf zal zij in de echtelijke woning verblijven. De echtelijke woning zal op naam van de man komen te staan. Het op naam stellen van de woning op naam van de man zal bij de notaris geschieden. De vrouw zal hiervoor haar toestemming verlenen.”
3.4.
Over de woningschuld is in het convenant niets bepaald.
3.5.
De echtscheiding is bij beschikking van 20 september 2006 uitgesproken. De beschikking is op 10 oktober 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.6.
Aan de afspraak dat de woning op naam van [de man] komt te staan, is geen uitvoering gegeven. [de vrouw] is ook niet uit de hoofdelijkheid voor de verplichtingen uit de woningschuld ontslagen, omdat de bank daaraan niet wilde meewerken. De woning is gemeenschappelijk eigendom gebleven.
3.7.
[de vrouw] is in een huurwoning gaan wonen.
3.8.
[de man] is, nadat [de vrouw] een huurwoning had betrokken, weer in de woning gaan wonen. Hij heeft de rente over de woningschuld betaald en heeft die schuld gedeeltelijk afgelost. [de man] heeft de woning als enig eigenaar in zijn belastingaangiften verwerkt en heeft de betaalde rente op zijn inkomen in mindering gebracht. [de man] heeft ook alle lasten en kosten betaald en heeft verbeteringen aan de woning aangebracht.
3.9.
Bij vonnis in kort geding van 6 februari 2018 is [de man] op vordering van [de vrouw] veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning, onder de opschortende voorwaarde dat het [de man] niet op 1 april 2018 zou zijn gelukt om de woning en de hypotheek op zijn naam te zetten en [de vrouw] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Hoewel het [de man] niet is gelukt om de om de woning en de hypotheek op zijn naam te zetten en [de vrouw] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan, heeft [de vrouw] geen initiatief genomen tot de verkoop van de woning. De situatie is daardoor onveranderd gebleven.
3.10.
In 2022 heeft de boekhouder van [de vrouw] voor het eerst in de aangifte van [de vrouw] verwerkt dat [de vrouw] deelgenoot is in de woning. Die aangifte heeft ertoe geleid dat [de vrouw] huurtoeslag moest terugbetalen, omdat haar vermogen de vermogensgrens oversteeg. [de man] heeft toen met instemming van [de vrouw] zijn eigen accountant opdracht gegeven om de aangifte van [de vrouw] te corrigeren in die zin dat [de vrouw] niet economisch tot de woning gerechtigd was en de woning voor haar dus geen vermogen vertegenwoordigde. De belastingdienst heeft die correctie aanvaard.
3.11.
Op 12 augustus 2024 is de woning aan een derde verkocht. De koopprijs bedroeg € 350.000,00.
3.12.
Op 29 augustus 2024 heeft [de vrouw] , met [de man] en de accountant van [de man] in de cc, aan de notaris onder meer het volgende geschreven:
“Naar aanleiding van de recente verkoop van het huis dat ik 18 jaar geleden samen met mijn ex-partner heb gekocht, wil ik graag enkele zaken met u afstemmen. Zoals u wellicht weet, heb ik na onze scheiding geen financiële bijdrage meer geleverd aan de hypotheek. Mijn ex-partner heeft sindsdien alle hypotheeklasten volledig gedragen. Hoewel mijn naam op de hypotheek staat, heb ik geen economisch belang meer in het huis. Als het huis definitief is verkocht, willen wij gezamenlijk dat de volledige verkoopopbrengst naar mijn ex-partner gaat, aangezien hij alle betalingen heeft verricht.
Om dit juridisch correct vast te leggen en problemen met de Belastingdienst in de toekomst te voorkomen, wil ik
u vriendelijk verzoeken om de volgende zaken te regelen:
1.
Opstellen van een Akte van Verdeling of Schriftelijke Verklaring:
Hierin wordt vastgelegd dat ik afzie van mijn aandeel in de verkoopopbrengst en dat deze volledig naar
mijn ex-partner gaat.
(…)”
3.13.
Op 3 september 2024 vond een emailwisseling plaats tussen de accountant van [de man] en [de vrouw] over de betaling van de overwaarde. [de vrouw] schreef dat wat zij van de notaris zou ontvangen zou doorbetalen aan [de man] .
3.14.
Op 6 september 2024 heeft [de vrouw] aan de notaris geschreven dat zij zich heeft bedacht en dat zij aanspraak maakt op de helft van de overwaarde.
3.15.
Op 8 oktober 2024 is de woning geleverd. Uit de koopprijs is de woningschuld afgelost. Na aflossing en na aftrek van kosten resteerde een bedrag van € 176.429,86.
Mr. Marcel Hendrik Daams, notaris te Papendrecht, houdt dit bedrag in depot in afwachting van een opdracht tot de uitbetaling ervan.

4.Het geschil

In conventie:
4.1.
[de man] vordert - samengevat - dat de rechtbank voor recht verklaart dat [de vrouw] geen recht heeft op de helft van de overwaarde. Subsidiair vordert [de man] een verklaring voor recht dat hij een vordering heeft op [de vrouw] van € 149.407,00 die hij met het aandeel van [de vrouw] in de overwaarde mag verrekenen en een veroordeling van [de vrouw] om hem een bedrag te betalen van € 61.192,00 (€ 176.430,00 : 2 -/- € 149.407,00). [de man] vordert ook dat [de vrouw] wordt veroordeeld om de notaris opdracht te geven om de overwaarde aan [de man] te betalen op verbeurte van een dwangsom en dat het vonnis in de plaats treedt van de opdracht aan de notaris, indien [de vrouw] niet binnen twee dagen aan de veroordeling voldoet, een en ander met nevenvorderingen.
4.2.
[de vrouw] voert verweer. [de vrouw] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de man] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de man] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de man] in de kosten van deze procedure met rente.
In reconventie:
4.3.
[de vrouw] vordert – samengevat- dat de rechtbank voor recht verklaart dat [de vrouw] voor 50% eigenaar is van de woning en gerechtigd is tot 50% van de verkoopopbrengst, alsmede een veroordeling van [de man] om opdracht te geven aan de notaris om de helft van het depotbedrag van € 176.429,86 aan [de vrouw] te betalen op verbeurte van een dwangsom en te bepalen dat [de vrouw] deze opdracht kan geven als [de man] niet binnen twee dagen aan de veroordeling voldoet. [de vrouw] vordert daarnaast vergoeding van haar schade, te begroten door een door de rechtbank te benoemen deskundige, althans te begroten op een bedrag van € 60.000,00, met nevenvorderingen.
4.4.
[de man] voert verweer. [de man] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure.
4.5.
Op de stellingen van partijen in conventie en reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie:
Uitleg van het convenant van 15 augustus 2006
5.1.
In het convenant is bepaald dat de woning op naam van de man zal komen te staan. Niet in geschil is dat hiermee is bedoeld dat [de vrouw] haar aandeel in de woning aan [de man] zal overdragen en dat [de man] dus de enige eigenaar zal zijn. Over de woningschuld is in het convenant niets bepaald, maar beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [de vrouw] uit de hoofdelijkheid zou worden ontslagen en dat [de man] de enige schuldenaar zou zijn. Partijen hebben ook verklaard dat op 15 augustus 2006 de woningschuld groter was dan de waarde van de woning. Dat betekent dat [de man] door de toedeling van de woning onder aanvaarding van de woningschuld werd onderbedeeld. [de vrouw] heeft niet gesteld dat deze onderbedeling van [de man] door toedeling van enig ander vermogensbestanddeel of door een betaling aan [de man] is goedgemaakt en dat blijkt ook niet uit het convenant. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend.
De uitvoering van het convenant
5.2.
[de man] heeft onbetwist verklaard dat hij pogingen heeft ondernomen om uitvoering te geven aan het convenant, maar dat de bank [de vrouw] niet uit de hoofdelijkheid wilde ontslaan. De bank vond het inkomen van [de man] te laag. Het gevolg hiervan was dat de woning gemeenschappelijk bleef. Hoewel [de vrouw] haar aandeel in de gemeenschap behield, hebben partijen zich gedragen alsof [de man] eigenaar was geworden. [de man] heeft de rente en aflossing betaald, heeft alle lasten betaald en heeft het onderhoud en verbeteringen betaald.
5.3.
In 2018 heeft [de vrouw] in kort geding gevorderd dat [de man] zou meewerken aan het te koop zetten van de woning. [de vrouw] heeft in dat kort geding gesteld dat zij door de bank werd aangesproken op een achterstand in de betaling van de rente en aflossing. Zij heeft toen niet gesteld dat haar belang bij verkoop mede gelegen was in het verzilveren van haar aandeel in de overwaarde.
5.4.
[de man] heeft de woning vanaf 2006 steeds volledig in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting betrokken, [de vrouw] heeft dat – tot 2022 – niet gedaan, althans niet als economisch gerechtigde tot een aandeel in de woning. In de aangifte over 2022 heeft [de vrouw] haar aandeel in de woning wel zo aangegeven, maar dit is met haar instemming gecorrigeerd. [de vrouw] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij vervolgens die correctie heeft teruggedraaid, maar dat is pas later gebeurd. Wat hier van belang is, is dat [de vrouw] de woning vanaf 2006 niet tot haar vermogen rekende en dat de belastingdienst dat kennelijk heeft aanvaard.
5.5.
Nadat de woning in augustus 2024 was verkocht, heeft [de vrouw] in haar email aan de notaris van 29 augustus 2024 ondubbelzinnig verklaard dat zij sinds de scheiding geen economisch belang meer in de woning had en niets had betaald en dat zij om die reden afzag van de overwaarde. Ook uit de correspondentie op 3 september 2024 volgt dat [de vrouw] geen aanspraak maakte op enig deel van de overwaarde.
5.6.
[de vrouw] heeft tijdens de mondelinge behandeling niet kunnen verklaren waarom zij op 6 september 2024 van standpunt is veranderd en aanspraak is gaan maken op de helft van de overwaarde. [de vrouw] heeft aangevoerd dat zij het niet eens was met een concept-akte die door de accountant van [de man] was opgesteld om de notaris te instrueren om de overwaarde aan [de man] te betalen. Waarom zij het met dat concept niet eens was, is niet duidelijk geworden.
De slotsom
5.7.
De slotsom is dat partijen op 15 augustus 2006 een verdeling van de eenvoudige gemeenschap zijn overeengekomen, die inhield dat de woning aan [de man] werd toegedeeld onder aanvaarding van de woningschuld. Als die verdeling wordt gevolgd, komt de overwaarde van de woning aan [de man] toe.
5.8.
Hoewel die verdeling niet is geformaliseerd, hebben partijen zich er tot 6 september 2024 consequent naar gedragen. Pas nadat de woning op 8 oktober 2024 aan de derde-koper werd geleverd, is de woningschuld afgelost en is [de vrouw] uit de hoofdelijkheid ontslagen. Dat is veel later dan in 2006 de bedoeling van partijen was en in zoverre heeft [de vrouw] een punt. Dat is echter geen grond om de overeengekomen verdeling achteraf door een andere verdeling te vervangen [1] . Het convenant is niet vernietigd of ontbonden. Het is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [de vrouw] aan de verdeling volgens het convenant wordt gehouden (artikel 6:248 lid 2 BW Pro). In 2006 hield die verdeling in dat [de man] werd onderbedeeld en [de vrouw] werd overbedeeld. Achteraf gezien pakt de verdeling voor [de man] gunstig uit, omdat de woning tussen 2006 en 2024 aanzienlijk in waarde is gestegen, maar dat maakt niet onaanvaardbaar dat [de vrouw] aan die verdeling wordt gehouden. [de vrouw] heeft gesteld dat zij als hoofdelijk schuldenaar het risico van uitwinning is blijven lopen, maar dat risico heeft zich niet verwezenlijkt. Bovendien had [de vrouw] , nadat [de man] bij vonnis van 6 februari 2018 was veroordeeld om aan verkoop van de woning mee te werken, zelf kunnen bewerkstelligen dat zij uit de hoofdelijkheid werd ontslagen. Zij heeft ervoor gekozen om dat niet te doen. Er is ook niet gebleken van andere omstandigheden die het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW Pro rechtvaardigen.
5.9.
De vorderingen van [de man] zullen daarom worden toegewezen zoals onder de beslissing is verwoord. De rechtbank zal bepalen dat als [de vrouw] niet tijdig opdracht aan de notaris geeft om de overwaarde aan [de man] te betalen, dit vonnis dezelfde kracht heeft als een akte waarin [de vrouw] die opdracht geeft. Het opleggen van dwangsommen is om die reden niet nodig. Aan een beoordeling van de subsidiaire vorderingen van [de man] komt de rechtbank niet toe. De beslissing in conventie wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [de man] dat vordert en [de vrouw] daartegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.
[de vrouw] hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen
5.10.
[de man] vordert dat [de vrouw] wordt veroordeeld om € 1.678,17 aan buitengerechtelijke kosten te betalen. Die vordering wordt afgewezen. Aan het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW Pro is niet kenbaar voldaan.
In reconventie:
De vorderingen van [de vrouw] worden afgewezen
5.11.
De beoordeling van de vordering in conventie leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [de vrouw] onder 1, 2 en 3 van het petitum in reconventie worden afgewezen. Die vorderingen zijn alle gegrond op het standpunt dat [de vrouw] recht heeft op de helft van de overwaarde. Dat standpunt is hiervoor verworpen.
5.12.
[de vrouw] heeft ook gevorderd dat [de man] wordt veroordeeld om de schade te vergoeden die [de vrouw] heeft geleden. Die vergoeding strekt in aanvulling op de helft van de overwaarde. [de vrouw] heeft hiertoe - samengevat – het volgende gesteld. [de man] is bij vonnis in kort geding gelast om, indien het hem niet was gelukt de woning uiterlijk op 1 april 2018 op zijn naam te zetten en [de vrouw] te ontslaan uit hoofdelijke aansprakelijkheid, de woning te verkopen. [de man] heeft aan deze verplichting niet voldaan en hij is daarom gehouden om de schade die [de vrouw] hierdoor heeft geleden te vergoeden. [de vrouw] is noodgedwongen blijven huren; zij heeft geen woning kunnen kopen. Wat [de vrouw] aan huur heeft betaald was meer dan zij als rente en eigenaarslasten zou hebben betaald, zij heeft fiscale voordelen gemist, mist vermogensopbouw en heeft niet meegedeeld in de stijging van koopwoningen in Nederland. Bovendien heeft zij € 6.093,00 aan huurtoeslag moeten terugbetalen.
5.13.
[de man] heeft betwist dat hij is tekortgekomen in de nakoming van enige verplichting. Het vonnis in kort geding verplichtte hem tot het meewerken aan het verkopen van de woning, niet tot het verkopen ervan. [de vrouw] heeft geen initiatief genomen om de woning te verkopen en heeft het erbij gelaten. Bovendien is [de man] niet in verzuim. [de man] heeft ook betwist dat [de vrouw] schade heeft geleden. Dat [de vrouw] huurtoeslag heeft moeten terugbetalen, is een gevolg van haar keuze om de correctie van de belastingaanslag die al door de belastingdienst was aanvaard weer terug te draaien, aldus [de man] .
5.14.
De rechtbank oordeelt als volgt. [de man] is bij vonnis in kort geding niet veroordeeld om de woning te verkopen, maar om aan verkoop mee te werken. Uit het vonnis is op te maken dat [de vrouw] dat destijds ook heeft gevorderd. [de vrouw] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij, nadat [de man] tot meewerken aan verkoop van de woning was veroordeeld, geen werk heeft gemaakt van de verkoop omdat zij met [de man] en zijn jonge gezin te doen had. Waarom zij dan wel een kort geding aanhangig heeft gemaakt, is zonder verklaring gebleven. Omdat [de vrouw] geen initiatief tot verkoop heeft genomen, was er ook geen verkoop waaraan [de man] moest meewerken. [de man] is daarom niet tekortgekomen in de nakoming van enige verplichting uit het vonnis, laat staan dat hij in verzuim is, en hij is daarom niet schadeplichtig. Ten overvloede oordeelt de rechtbank dat [de vrouw] ook onvoldoende concreet heeft gesteld dat zij schade heeft geleden. [de vrouw] heeft desgevraagd verklaard dat zij nooit heeft geprobeerd om een woning te kopen. Dat maakt de gestelde schade hypothetisch. Wat betreft de terugbetaalde huurtoeslag geldt dat [de vrouw] niet heeft betwist dat zij die heeft moeten terugbetalen als gevolg van haar keuze om de correctie op haar belastingaanslag weer terug te draaien, nadat die correctie eerst door de belastingdienst was aanvaard.
5.15.
De slotsom is dat de vorderingen van [de vrouw] in reconventie worden afgewezen.
In conventie en in reconventie:
De proceskosten worden gecompenseerd
5.16.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank in conventie en reconventie bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie:
6.1.
verklaart voor recht dat de overwaarde van de woning ten bedrage van € 176.429,86 niet toekomt aan [de vrouw] ,
6.2.
veroordeelt [de vrouw] om binnen vijf werkdagen nadat dit vonnis aan haar zal zijn betekend aan mr. Marcel Hendrik Daams, notaris te [woonplaats 2] , opdracht te verlenen om het gehele bedrag in depot, vermeerderd met rente en onder aftrek van de aan de notaris toekomende kosten, een en ander volgens de depotakte met nummer 96542ME, te betalen aan [de man] , en bepaalt dat als [de vrouw] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW Pro dezelfde kracht heeft als een akte waarin [de vrouw] deze opdracht verleent,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie:
6.5.
wijst de vorderingen van [de vrouw] af,
in conventie en in reconventie:
6.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
3669

Voetnoten

1.Vergelijk HR 27 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:501.