Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5414

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716650 / KG ZA 26-263
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:20 WvoArt. 256 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontruiming schoolgebouw wegens belangenafweging huisvesting leerlingen

De Gemeente Nissewaard vorderde in kort geding dat [gedaagde] beide schoolgebouwen zou ontruimen om plaats te maken voor nieuwbouw. Volgens de Gemeente was overeengekomen dat [gedaagde] beide gebouwen zou verlaten, maar [gedaagde] stelde dat de afspraak slechts betrekking had op één schoolgebouw en dat ontruiming van het tweede gebouw zou leiden tot een tekort aan onderwijshuisvesting voor ruim 200 leerlingen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de Gemeente onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij belang had bij ontruiming van het eerste schoolgebouw, zodat die vordering werd afgewezen. Ten aanzien van het tweede schoolgebouw was er wel een intentie tot ontruiming, maar de belangenafweging leidde tot afwijzing van de vordering omdat het belang van de leerlingen aan voldoende huisvesting zwaarder woog dan het financiële belang van de Gemeente.

De rechtbank wees ook het verweer van niet-ontvankelijkheid af en oordeelde dat de zaak geschikt was voor kort geding. De Gemeente werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt dat partijen zich moeten inspannen om tot een oplossing te komen en te voldoen aan hun wettelijke verplichtingen voor onderwijshuisvesting.

Uitkomst: De vorderingen van de Gemeente tot ontruiming van de schoolgebouwen worden afgewezen vanwege het zwaarder wegen van het belang van onderwijshuisvesting voor ruim 200 leerlingen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716650 / KG ZA 26-263
Vonnis in kort geding van 8 mei 2026
in de zaak van
GEMEENTE NISSEWAARD,
gevestigd te Spijkenisse,
eisende partij,
advocaten: mr. A.E. Klomp en mr. R.C.H. Burgers,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaten: mr. C.W. Kniestedt en mr. W.J. Gootjes.
Partijen worden hierna de Gemeente en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Volgens de Gemeente heeft zij met [gedaagde] afgesproken dat [gedaagde] twee van haar schoolgebouwen zou verlaten en onderbrengen in een nieuw gebouw. Volgens [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat die afspraak slechts ten aanzien van één schoolgebouw is gemaakt. [gedaagde] stelt verder dat zij, als het (tweede) schoolgebouw moet worden ontruimd, zij te weinig ruimte heeft voor (ruim 200) leerlingen. De Gemeente vordert in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om beide schoolgebouwen te ontruimen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de Gemeente af na een afweging van de belangen van partijen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 april 2026 met producties 1 tot en met 22;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] met producties 1 tot en met 6;
- de akte overlegging producties van de Gemeente met producties 23 tot en met 26;
- de mondelinge behandeling van 23 april 2026;
- de spreekaantekeningen van de Gemeente;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde].

3.De feiten

3.1.
De Gemeente, [gedaagde] en de Stichting LMC voortgezet onderwijs (hierna: LMC) hebben op 10 februari 2020 een bestuurlijk akkoord gesloten. In dit document is de intentie uitgesproken om het mavo-onderwijs van de scholen [school 1] (gelegen aan de [adres 1]) en [school 2] (gelegen aan de [adres 2]) samen te voegen tot één school in één gebouw. In het bestuurlijk akkoord staat:

Aan de oorsprong van de behoefte aan een Bestuurlijk Akkoord onderwijshuisvesting ligt ook een aantal specifieke vraagstukken ten grondslag. Het betreft: (…)
De bereidheid van de schoolbesturen [gedaagde] (mavo [school 1]) en LMC ([school 2] Mavo) om vanuit een vergaande samenwerking te komen van twee mavo's naar één mavo voor 600 leerlingen. In de bouw van deze nieuwe school van ongeveer 4300 m2 bvo, exc. Buitenruimte (schoolplein, fietsenstalling, parkeerplaatsen e.d.) en sportvelden, zijn behoorlijke synergievoordelen te behalen. De besturen van LMC en [gedaagde] zijn bereid de intentie tot samenwerking en samengaan tot 1 nieuwe school te bekrachtigen, mits er een gemeentelijke afspraak komt voor nieuwbouw voor deze gezamenlijke mavo binnen een termijn van 4 jaar op een plek die nog nader te verkennen is. Uitgangspunt van beide schoolbesturen hierbij is dat de nieuwe mavo een eigen, authentieke uitstraling en eigen plek krijgt.”
3.2.
De Gemeente heeft op 22 mei 2020 een krediet met een beloop van € 494,500,00 aan [gedaagde] ter beschikking gesteld voor de voorbereiding van nieuwbouw. Per 1 augustus 2020 is de school [school 2] onder het gezag van [gedaagde] komen te vallen.
3.3.
De Gemeente en [gedaagde] hebben op 31 augustus 2022 een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). Daarin staat:

Artikel 2
Op grond van voornoemd bestuurlijk akkoord is de Gemeente verantwoordelijk voor
en garandeert zij de bekostiging van de bouw van een nieuw schoolgebouw voor en
door [[gedaagde]](…) Het nieuwe schoolgebouw zal ruimte moeten bieden aan circa 600 leerlingen (…). Het nieuwe schoolgebouw is bedoeld als vervanging van de huidige schoolgebouwen en directiekantoren van [[gedaagde]] aan de J.A. Heijwegenlaan te Spijkenisse.
Artikel 6
a. Ten behoeve van de voorbereiding van de bouw van het nieuwe schoolgebouw en de beëindiging op termijn van het gebruik van de huidige gebouwen en terreinen zal [[gedaagde]] binnen twee weken na ondertekening van deze overeenkomst aan de Gemeente in volle en vrije eigendom en om niet leveren de volgende percelen met de daarop aanwezige gebouwen en aanhorigheden:
- Het perceel gelegen aan de J.A. Heijwegenlaan, kadastraal bekend [perceel 1], groot 12.000 m2;
- Het perceel gelegen aan de J.A. Heijwegenlaan, kadastraal bekend [perceel 2], groot circa 889 m2;
- Het perceel gelegen aan de Hekelingseweg, kadastraal bekend [perceel 3], groot circa 7685 m2;(…)
c. Na de juridische levering aan de Gemeente behoudt [[gedaagde]] in ieder geval het
feitelijk gebruik van de voor onderwijsdoeleinden in gebruik zijnde gebouwen tot het
moment van de gebruiksklare oplevering van het nieuwe te bouwen schoolgebouw.
d. Het feitelijk gebruik van de niet voor onderwijsdoeleinden in gebruik zijnde
gebouwen en de onbebouwde terreinen mag door [[gedaagde]] worden voortgezet
totdat de Gemeente aangeeft deze onroerende zaken voor andere doeleinden nodig
te hebben. In onderling overleg stellen Partijen een planning op waarbij de momenten van beëindiging van het gebruik worden bepaald.”
3.4.
Op 14 september 2022 heeft [gedaagde] de percelen genoemd onder 3.3 geleverd aan de Gemeente. Op deze percelen is de school [school 1] gelegen. [gedaagde] heeft sinds dat moment een gebruiksrecht voor dit gebouw.
3.5.
Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de Gemeente besloten om de capaciteit van het nieuwe schoolgebouw vast te stellen op 700 leerlingen.
3.6.
Op 31 januari 2024 heeft [gedaagde] een formulier ingediend bij de Gemeente voor het aanvragen van voorzieningen in de onderwijshuisvesting. In het formulier staat dat aanvraag is bedoeld voor de scholen [school 1] en [school 2] en dat het vervangende nieuwbouw betreft.
3.7.
Op 24 oktober 2024 heeft de Gemeente besloten op de aanvraag. In het besluit staat:

Het college van burgemeester en wethouders:
- besluit met in achtneming van paragraaf 2.4 van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Nissewaard 2015 de aanvraag 2.523 met betrekking tot vervangende bouw voor [school 1] te Spijkenisse en [school 2] te Spijkenisse toe te kennen;
- besluit dat vervangende bouw voor [school 1] te Spijkenisse en [school 2] een gezamenlijke voorziening betreft in het kader van gebiedsontwikkeling Heijwegenlaan; (…)”
3.8.
In 2025 is de bouw van het nieuwe schoolgebouw aangevangen.
3.9.
Na een bestuurlijk overleg op 8 mei 2025 schrijft [gedaagde] op 12 mei 2025 per e-mail aan de Gemeente:

Naar aanleiding van ons gesprek afgelopen donderdag wil ik graag de voorkeur van
de directieraad van Penta toelichten met betrekking tot [school 1] en [school 2]
. Onze visie is dat beide scholen zelfstandig verdergaan, waarbij [school 1]
in de nieuwbouw wordt gevestigd en de [school 2] in juli 2026
een nieuwe locatie krijgt aan de Sportlaan.”
3.10.
De Gemeente heeft een memo laten opstellen ten aanzien van de prognoses voor aantallen leerlingen van de scholen [school 1] en [school 2] en de daaraan gekoppelde benodigde huisvestingsruimtebehoefte. Op grond van dit memo en kaders die volgen uit de Wvo (Wet voortgezet onderwijs) en de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Nissewaard 2015 heeft de Gemeente zich in correspondentie met [gedaagde] op het standpunt gesteld dat [gedaagde] over voldoende ruimte – mede in de vorm van een ruimteoverschot in andere schoolgebouwen die [gedaagde] gebruikt – beschikt voor de huisvesting van leerlingen en dat [gedaagde] de schoolgebouwen van [school 1] en [school 2] moet verlaten voor het nieuwe schoolgebouw dat in aanbouw is.
3.11.
[gedaagde] weigert het schoolgebouw [school 2] te verlaten en de bijbehorende percelen over te dragen aan de Gemeente.

4.Het geschil

4.1.
De Gemeente vordert - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [gedaagde] veroordeelt om de schoolgebouwen van [school 1] en [school 2] uiterlijk op 31 juli 2026 te ontruimen, onder afgifte van de sleutels, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. [gedaagde] veroordeelt om uiterlijk op 31 juli 2026 te verschijnen op het kantoor van een door [gedaagde] aan te wijzen notaris om mee te werken aan de (juridische) levering om niet van het schoolgebouw van [school 2] door [gedaagde] aan de Gemeente, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. een zodanige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren en die in het belang is van de Gemeente;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Gemeente, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Ontvankelijkheid
5.1.
Volgens [gedaagde] is de Gemeente niet-ontvankelijk in haar vorderingen, omdat artikel 6.20 Wvo voorziet in een (bestuursrechtelijke) procedure bij Gedeputeerde Staten wanneer een geschil bestaat tussen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag over de vraag of het bevoegd gezag het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan blijvend zal ophouden te gebruiken. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat – volgens [gedaagde] – een andere, met voldoende waarborgen omklede (bestuursrechtelijke) rechtsgang open staat en dat de Gemeente daarom niet-ontvankelijk is in de door haar ingestelde vorderingen in deze (civielrechtelijke) procedure.
5.2.
De vorderingen zijn ingesteld in een kort geding procedure met het oog op het verkrijgen van een voorlopige voorziening op korte termijn. Niet gesteld of gebleken is dat in een procedure zoals omschreven in artikel 6.20 lid Wvo een beslissing van Gedeputeerde Staten tijdig kan worden verkregen. Het niet-ontvankelijkheidsverweer stuit daarop af.
Zaak leent zich voor kort geding
5.3.
[gedaagde] betoogt dat de zaak niet geschikt is voor behandeling in kort geding, omdat bij toewijzing sprake zou zijn van een voorziening met onomkeerbare gevolgen. De voorzieningenrechter volgt haar daar niet in. Het is vaste en bestendige rechtspraak van de Hoge Raad dat de omstandigheid dat een voorlopige voorziening mogelijk onomkeerbare gevolgen heeft niet in de weg staat aan toewijzing daarvan. [1]
5.4.
Voor zover [gedaagde] een beroep doet op het bepaalde in artikel 256 Rv Pro geldt dat de rechter (zeer) terughoudend gebruik moet maken van de daarin opgenomen bevoegdheid. De in de jurisprudentie aangenomen gevallen waarin daarvoor aanleiding kan zijn – de feiten zijn niet helder of de gevolgen van de te nemen beslissing zijn niet te overzien – doen zich hier niet voor. Complexiteit is in beginsel en in dit geval geen argument om de voorziening te weigeren.
Toetsingskader kort geding
5.5.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter die vordering ook zal toewijzen. Daarvoor is tenminste vereist dat de partij die nakoming vordert het bestaan en de inhoud van de betreffende overeenkomst aannemelijk maakt. Voor toewijzing is bovendien nodig dat de Gemeente daarbij een spoedeisend belang heeft. Daarbij moet ook worden beoordeeld of gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist.
Spoedeisend belang
5.6.
De Gemeente heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat in beginsel niet van haar gevergd kan worden een bodemprocedure af te wachten, gelet op de door haar geschetste noodzaak om andere scholen te huisvesten op het terrein van het schoolgebouw [school 2] en in verband daarmee op dat terrein voorgenomen bouwwerkzaamheden. Hierna wordt beoordeeld of dit spoedeisende belang ook voldoende is voor toewijzing van de vorderingen.
Vordering tot ontruiming van schoolgebouw [school 1] wordt afgewezen
5.7.
De Gemeente heeft gevorderd dat [gedaagde] moet worden veroordeeld tot ontruiming van het schoolgebouw [school 1]. Daargelaten dat de Gemeente [gedaagde] enkel heeft gesommeerd tot ontruiming van het schoolgebouw [school 2], heeft het partijdebat zich geconcentreerd op enkel dat schoolgebouw en is verder niet gesteld of aannemelijk geworden dat [gedaagde] het schoolgebouw [school 1] niet uiterlijk 31 juli 2026 zal hebben verlaten. De Gemeente heeft dus geen belang bij toewijzing van het gevorderde en dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] het schoolgebouw [school 2] zou verlaten
5.8.
Volgens de Gemeente is zij met [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] het schoolgebouw [school 2] uiterlijk 31 juli 2026 verlaat, zodat de Gemeente haar economische claimrecht zoals omschreven in artikel 6.20 Wvo kan uitoefenen. Volgens de Gemeente is hiervoor redengevend dat partijen het bestuurlijk akkoord en de overeenkomst hebben gesloten en dat [gedaagde] ook handelingen heeft verricht in lijn met die documenten, waaronder het doen van een aanvraag voor (vervangende) nieuwbouw ten behoeve van zowel het schoolgebouw [school 1] als het schoolgebouw [school 2]. Voor zover niet al duidelijk volgt uit de overeenkomst dat deze ook het schoolgebouw [school 2] bestrijkt, blijkt dat wel na uitleg van de overeenkomst, aldus de Gemeente. [gedaagde] heeft bovendien voldoende ruimte – in de zin van vierkante meters – om al haar leerlingen te huisvesten en voor zover dat niet in de nieuwbouw mogelijk is, heeft [gedaagde] andere onderwijslocaties met voldoende ruimte en dat blijkt uit de opgemaakte rapporten over de beschikbare oppervlakten en leerlingprognoses. De Gemeente heeft het gebruik van de grond waarop het schoolgebouw [school 2] staat nodig voor de realisatie van nieuwbouw ten behoeve van twee basisscholen, die momenteel gevestigd zijn in verouderde gebouwen en waarvoor financieel kostbare noodruimtes zijn gebouwd en worden gehuurd. Als [gedaagde] het schoolgebouw niet verlaat, kunnen de plannen voor de die realisatie geen doorgang vinden, althans niet op de voorgestane wijze.
5.9.
[gedaagde] erkent dat zij, aanvankelijk, de intentie had om het schoolgebouw [school 2] te verlaten in het kader van een samenvoeging met de school [school 1] zoals omschreven in het bestuurlijk akkoord. De overeenkomst heeft echter geen betrekking op het schoolgebouw [school 2], omdat voorafgaand aan het sluiten daarvan al duidelijk was dat het nieuwe schoolgebouw onvoldoende ruimte zou bieden aan zowel alle leerlingen van het mavo-onderwijs, als het bij [school 2] tevens gegeven havo-onderwijs. Dat is de reden dat de overeenkomst niet rept over het schoolgebouw [school 2]. [gedaagde] heeft zich dus niet verplicht om dat schoolgebouw te verlaten, aldus [gedaagde]. [gedaagde] heeft in haar (in 3.6. genoemde) aanvraagformulier weliswaar ook het schoolgebouw [school 2] genoemd, maar dat betekent niet dat zij deze locatie geheel zou verlaten, dat kon ook deels. [gedaagde] betoogt tot slot dat wanneer de vorderingen zouden worden toegewezen er geen onderwijsruimte is voor zeker 200 leerlingen in het nieuwe onderwijsjaar en dat [gedaagde] deze leerlingen wegens allerlei redenen, waaronder de ongeschiktheid van haar andere locaties voor het geven van theoretisch onderwijs, niet elders kan onderbrengen. [gedaagde] moet het schoolgebouw [school 2] dus wel blijven gebruiken, aldus [gedaagde].
5.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat de Gemeente en [gedaagde] de intentie hebben gehad om het gebruik van de schoolgebouwen [school 1] en [school 2] te beëindigen en dat zij tot medio 2025 naar deze intentie hebben gehandeld. Dit volgt uit het tussen de Gemeente en [gedaagde] gesloten bestuurlijk akkoord, de daarna gesloten overeenkomst, de gedane aanvraag voor vervangende nieuwbouw voor beide schoolgebouwen en het daarop door de Gemeente genomen besluit dat ook ziet op beide schoolgebouwen. [gedaagde] betwist weliswaar dat de overeenkomst ziet op het schoolgebouw [school 2], maar gelet op de voorgeschiedenis van de overeenkomst en het handelen van partijen, tot medio 2025, naar de in het bestuurlijk akkoord uitgesproken intenties, komt het de voorzieningenrechter voor dat [gedaagde] nadat zij werd geconfronteerd met een komend ruimtegebrek zich is gaan bedienen van een gelegenheidsargument. Het is onder andere weinig overtuigend dat [gedaagde] in 2024 een aanvraag indient voor vervangende nieuwbouw voor het schoolgebouw [school 2] en stelt dat zij ook zou kunnen hebben bedoeld deze locatie ‘deels’ te verlaten, terwijl zij tegelijk stellig volhoudt dat zij geen enkele overeenstemming heeft bereikt over het daadwerkelijk verlaten van dit schoolgebouw. Het kan [gedaagde] worden toegegeven dat de overeenkomst het schoolgebouw [school 2] niet uitdrukkelijk noemt en dat nog de vraag is of daardoor de overeenkomst kan worden gezien als een akte zoals bedoeld in artikel 6.20 lid 1 Wvo ten aanzien van dit schoolgebouw. Het heeft er echter veel van weg dat uitsluitend het geconstateerde ruimtegebrek redengevend is voor het huidige standpunt van [gedaagde].
5.11.
Het hiervoor overwogene is niet voldoende voor toewijzing van de vorderingen. Of dat het geval is, is ook afhankelijk van een afweging van de belangen van partijen.
[gedaagde] hoeft schoolgebouw [school 2] niet te ontruimen
5.12.
Het is evident dat beide partijen hun hakken in het zand hebben gezet naar aanleiding van de uitwisseling van hun juridische standpunten en dat daardoor minder oog lijkt te zijn voor het vinden van een oplossing. Van [gedaagde] mocht verwacht mogen worden dat zij na constatering van het ruimtegebrek (al in 2025) de daarvoor geëigende weg van de aanvraag van (extra) huisvestingsruimte had gevolgd of de nodige voorzieningen had getroffen om een ruimtegebrek te ondervangen op haar andere locaties, ook als dat een verbouwing tot gevolg had gehad. Van de Gemeente had naar voorlopig oordeel verwacht mogen worden dat zij mede gelet op haar wettelijke taken [gedaagde] niet eenzijdig zou opzadelen met de (financiële) consequenties van het ruimtegebrek en – gelet op de belangen van ook andere scholen – eerder op zoek was gegaan naar een tijdelijke oplossing voor het nu spelende ruimteprobleem. Dat klemt temeer omdat de Gemeente niet gemotiveerd betwist dat [gedaagde] feitelijk – ook al is dat niet zo op grond van de door de Gemeente gehanteerde rekenmethode, waar de Gemeente blijkbaar alleen maar naar kijkt – geen ruimte heeft voor het overschot aan leerlingen zonder het schoolgebouw [school 2] en dat een alternatief gebouw miljoenen aan kosten zou inhouden voor [gedaagde]. Anders geformuleerd gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat bij toewijzing van de vorderingen er voor zeker 200 leerlingen geen klaslokalen beschikbaar zijn. Dat belang weegt zwaarder dan de, deels financiële, belangen van de Gemeente. Daarbij is in aanmerking genomen dat de basisscholen waarvoor, concrete, plannen bestaan, vooralsnog niet te kampen hebben met ruimtegebrek, maar dat het vooral gaat om verouderde scholen. De voorzieningenrechter wil de noodzaak tot vervanging daarvan beslist niet bagatelliseren, maar het wel of niet concreet hebben van huisvesting maakt een groot en in dit geval doorslaggevend verschil.
5.13.
Wellicht ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat de enkele omstandigheid dat de vorderingen van de Gemeente in deze procedure worden afgewezen, niet met zich brengt (dat wordt geoordeeld) dat [gedaagde] aanspraak kan maken op een voortdurend gebruik van het schoolgebouw [school 2]. Partijen zullen zich moeten inspannen om zowel de door hun gemaakte afspraken, desnoods met enige aanpassing, na te komen, als te voldoen aan de verplichtingen die zij hebben op grond van wet- en regelgeving om voor voldoende huisvesting voor leerlingen te zorgen.
Geen door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening
5.14.
De Gemeente heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter een in goede justitie te bepalen voorziening in het voordeel van de Gemeente treft bij afwijzing van de vorderingen onder I en II. Deze vordering is, ook omdat deze niet is voorzien van enige toelichting, te onbepaald om toe te wijzen en wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
5.15.
De Gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen met inbegrip van de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van de Gemeente af,
6.2.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt de Gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat de proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
4049 / 2009

Voetnoten

1.O.a. HR 8 februari 1946, ECLI:NL:HR:1946:67 en HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499.