Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5424

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716036 / JE RK 26-451
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot diens meerderjarigheid. De minderjarige verblijft momenteel bij een jeugdhulpaanbieder en heeft zijn behandeling daar bijna afgerond. Er wordt gezocht naar een passende vervolgplek met intensieve begeleiding en dagbesteding.

De ouders ondersteunen de huidige plaatsing en erkennen dat thuis wonen niet mogelijk is, maar betogen dat een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk zijn. Zij zijn bereid en in staat om zelfstandig met de jeugdhulpaanbieder en andere betrokkenen een vervolgplek te regelen en ervaren de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling als belemmerend.

De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord en de briefrapportage van de gecertificeerde instelling meegenomen. Uit de stukken blijkt dat de minderjarige positieve ontwikkelingen doormaakt en dat de hulpverlening noodzakelijk blijft totdat een vervolgplek is gevonden. De verantwoordelijkheid voor het vinden van een vervolgplek ligt bij de jeugdhulpaanbieder, die rechtstreeks met de ouders kan overleggen.

De kinderrechter concludeert dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet langer zijn vervuld en wijst het verzoek af. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat niet langer aan de voorwaarden is voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/716036 / JE RK 26-451
Datum uitspraak: 30 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. J. Koenen, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 6 maart 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover (via een digitale verbinding) een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De kinderrechter heeft ter zitting bepaald dat de behandeling wordt aangehouden tot 30 april 2026 voor een nadere briefrapportage door de GI, waarop de advocaat van de ouders desgewenst nog kan reageren. De GI heeft op 29 april 2026 gerapporteerd, deze briefrapportage is in de beoordeling meegenomen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in accommodatie jeugdhulpaanbieder (te weten bij [naam instelling]).
2.3.
Bij beschikking van 19 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 mei 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 2 januari 2026. Het overig verzochte is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 23 december 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 2 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [minderjarige] verblijft bij [naam instelling] en dat bevalt hem goed. [minderjarige] heeft zijn behandeling bij [naam instelling] vrijwel afgerond en er wordt gezocht naar een passende vervolgplek voor [minderjarige]. Totdat die gevonden is moet [minderjarige] bij [naam instelling] blijven wonen, zo blijft de stabiele woonsituatie voor [minderjarige] gewaarborgd en krijgt [minderjarige] de ruimte om verder te werken aan zijn ontwikkeling en zelfstandigheid. Volgens [naam instelling] is een vervolgplek met intensieve begeleiding en dagbesteding het meest passend voor [minderjarige]. Een dergelijke plek is nog niet gevonden, maar de GI zal hiernaar – onder andere via de zorgbemiddelingstafel - blijven zoeken. De omgang tussen [minderjarige] en de ouders verloopt positief. [minderjarige] heeft wekelijks onbegeleid contact met thuis. De komende periode zal worden onderzocht of uitbreiding van de omgang mogelijk is.
4.2.
Door en namens de ouders wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De ouders ondersteunen de huidige plaatsing van [minderjarige] bij [naam instelling] en erkennen dat een thuisplaatsing niet aan de orde is. Er moet daarom met spoed naar een geschikte vervolgplek voor [minderjarige] worden gezocht. Een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing is echter niet meer noodzakelijk. De hulpverlening kan binnen het vrijwillig kader worden gecontinueerd en er kan zonder tussenkomst van de GI worden gezocht naar een passende vervolgplek voor [minderjarige]. De GI is voor de ouders slecht bereikbaar en het is voor hen onduidelijk of de GI of [naam instelling] verantwoordelijk is voor het vinden van een vervolgplek voor [minderjarige]. De ouders hebben meerdere vervolgplekken gedeeld met de GI, maar hier wordt niet verder op gehandeld. De ouders ervaren dat zij vaak niet meegenomen worden in het contact tussen [naam instelling] en de GI. De ouders merken tegenstrijdigheid in het handelen van de GI op. Enerzijds is de GI voornemens om de omgang uit te breiden en is hen gevraagd of [minderjarige] eventueel als overbrugging thuis zou kunnen wonen en anderzijds wordt een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk geacht. De ouders zijn niet alleen bereid maar ook in staat om zelf met [naam instelling] en andere betrokken organisaties te regelen dat [minderjarige] naar een goede vervolgplek kan, de betrokkenheid van de GI daarbij ervaren zij als storend en mogelijk ook vertragend.
De omgang tussen de ouders en [minderjarige] is onbegeleid en verloopt positief. De ouders stellen het belang van [minderjarige] en de andere kinderen voorop en willen dat er voor alle kinderen een stabiele thuissituatie is.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] bij [naam instelling] positieve stappen heeft gezet en dat thuis wonen niet meer aan de orde is. Voor [minderjarige] blijft de inzet van hulpverlening en begeleiding noodzakelijk en er moet zo snel mogelijk een passende vervolgplek voor hem worden gevonden. Voor zover er nog sprake is van een ontwikkelingsbedreiging is die met name gelegen in de omstandigheid dat die vervolgplek nog niet gevonden is, voor het overige werken de ouders met alles mee dat in het belang van [minderjarige] is. De vraag is of de tussenkomst van de GI (en een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing) nog nodig is, of dat de ouders een vervolgplek voor [minderjarige] en de hulpverlening die hij nodig heeft zelfstandig kunnen regelen.
5.2.
In de nadere briefrapportage van de GI van 29 april 2026 wordt aangegeven dat [naam instelling] de opties voor vervolgplekken voor [minderjarige] verder zal onderzoeken en daarnaast breder zullen kijken naar aanvullende mogelijkheden. [naam instelling] maakt deel uit van Youz en de verantwoordelijkheid voor het organiseren van een passende vervolgplek ligt bij hen. De kinderrechter begrijp hieruit dat de tussenkomst van de GI daarbij niet noodzakelijk is, [naam instelling] kan rechtsreeks met de ouders regelen wat nodig is.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling niet langer is voldaan. [1] Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer noodzakelijk. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026 in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.