Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
wonende te: [adres] ,
- Mevrouw [naam 1] namens de mentor (Stichting [naam 3] );
- Mevrouw [moeder betrokkene] , moeder van betrokkene (hierna: moeder);
- De heer [vader betrokkene] , vader van betrokkene (hierna: vader).
Rechtbank Rotterdam
Bij beschikking van 8 april 2026 is mentorschap uitgesproken over betrokkene en is Stichting tot mentor benoemd. De mentor verzocht op 24 april 2026 om een machtiging om betrokkene uit huis te halen zodra een passende woonplek beschikbaar is, vanwege onvoldoende zorg thuis en tegenstand van vader.
Betrokkene is een 19-jarige vrouw met het Rett Syndroom en functioneert op het niveau van een tweejarig kind. Meerdere instanties, waaronder politie, Veilig Thuis en ASVZ, meldden ernstige zorgen over de thuissituatie, zoals vervuiling, drugsresten en onvoldoende zorg. Vader ontkent de ernst van de situatie en stelt dat hij al sinds 2016 voor betrokkene zorgt.
De kantonrechter weegt de ernstige beperkingen en afhankelijkheid van betrokkene mee en concludeert dat zij meer zorg nodig heeft dan vader kan bieden. Er is een passende woonplek in Dordrecht gevonden. De machtiging wordt verleend op grond van artikel 1:543 lid 5 BW Pro om ernstig nadeel te voorkomen.
De kantonrechter benadrukt dat de mentor bevoegd is tot het verrichten van rechtshandelingen omtrent verzorging en begeleiding, maar dat bij verzet van betrokkene een rechterlijke machtiging via het CIZ nodig is. De uitspraak is mondeling gedaan op 8 mei 2026 en kan in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag worden aangevochten.
Uitkomst: De kantonrechter verleent de mentor de machtiging om de verblijfplaats van betrokkene te bepalen vanwege ernstige zorgen over de thuissituatie.