ECLI:NL:RBROT:2026:5723

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL:TZ:0000522028:M001 - MB14964
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:453 BWArt. 1:543 lid 5 BWArt. 21 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging verblijfplaats betrokkene met ernstige verstandelijke beperking

Bij beschikking van 8 april 2026 is mentorschap uitgesproken over betrokkene en is Stichting tot mentor benoemd. De mentor verzocht op 24 april 2026 om een machtiging om betrokkene uit huis te halen zodra een passende woonplek beschikbaar is, vanwege onvoldoende zorg thuis en tegenstand van vader.

Betrokkene is een 19-jarige vrouw met het Rett Syndroom en functioneert op het niveau van een tweejarig kind. Meerdere instanties, waaronder politie, Veilig Thuis en ASVZ, meldden ernstige zorgen over de thuissituatie, zoals vervuiling, drugsresten en onvoldoende zorg. Vader ontkent de ernst van de situatie en stelt dat hij al sinds 2016 voor betrokkene zorgt.

De kantonrechter weegt de ernstige beperkingen en afhankelijkheid van betrokkene mee en concludeert dat zij meer zorg nodig heeft dan vader kan bieden. Er is een passende woonplek in Dordrecht gevonden. De machtiging wordt verleend op grond van artikel 1:543 lid 5 BW Pro om ernstig nadeel te voorkomen.

De kantonrechter benadrukt dat de mentor bevoegd is tot het verrichten van rechtshandelingen omtrent verzorging en begeleiding, maar dat bij verzet van betrokkene een rechterlijke machtiging via het CIZ nodig is. De uitspraak is mondeling gedaan op 8 mei 2026 en kan in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag worden aangevochten.

Uitkomst: De kantonrechter verleent de mentor de machtiging om de verblijfplaats van betrokkene te bepalen vanwege ernstige zorgen over de thuissituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: NL:TZ:0000522028:M001 - MB14964
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op 8 mei 2026
in de zaak van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende te: [adres] ,
betrokkene.
De zitting is op de rechtbank in Rotterdam.
De kantonrechter is mr. C.J. Frikkee en de griffier is G. Kurt.
Aanwezig zijn:
  • Mevrouw [naam 1] namens de mentor (Stichting [naam 3] );
  • Mevrouw [moeder betrokkene] , moeder van betrokkene (hierna: moeder);
  • De heer [vader betrokkene] , vader van betrokkene (hierna: vader).

1.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
1.1.
Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam d.d. 8 april 2026 is op verzoek van de Officier van Justitie te Rotterdam mentorschap uitgesproken over betrokkene en is Stichting [naam 3] tot mentor van betrokkene benoemd.
1.2.
De mentor heeft bij verzoek van 24 april 2026 de kantonrechter gevraagd voor een machtiging om betrokkene uit huis te mogen halen op het moment dat er een passende woonplek voor betrokkene gevonden is. De mentor vraagt deze machtiging omdat de vader van betrokkene, bij wie betrokkene inwoont, het er niet mee eens is dat zijn dochter in een instelling gaat wonen. Een eerder geplande verhuizing naar een instelling heeft geen doorgang gevonden omdat vader het er niet mee eens was. Betrokkene zelf is ernstig verstandelijk beperkt en kan hierdoor geen eigen standpunt innemen. Er zijn meerdere meldingen geweest van de politie, Veilig Thuis en ASVZ, waaruit blijkt dat betrokkene meer ondersteuning nodig heeft dan betrokkene thuis krijgt.
1.3.
De mentor heeft de dag voor de zitting nog een aanvullende verklaring vanuit ASVZ ontvangen, die zij ter zitting heeft voorgelezen. ASVZ is de instelling die zorg aan betrokkene verleent (dagbesteding en logeeradres). Uit de verklaring blijkt dat ASVZ zich al langere tijd zorgen maakt over het welzijn van betrokkene. Betrokkene is volledig afhankelijk van de zorg en begeleiding van de mensen om haar heen, vanwege haar ernstige meervoudige verstandelijke beperking. Het is essentieel dat betrokkene in een menswaardige omgeving verblijft, waar voldoende rekening wordt gehouden met haar hulpvragen, ziektebeeld, behoeften en wensen. Bij vader thuis krijgt betrokkene deze zorg onvoldoende. Vanuit de dagbesteding is geprobeerd het gesprek aan te gaan met vader om verbetering te brengen. De zorgen van ASVZ zijn dusdanig groot dat vanuit een MDO en in overleg met Veilig Thuis is besloten de melding door te zetten in de hoop dat de situatie van betrokkene wordt verbeterd.
1.4.
Op de zitting heeft de mentor verteld dat er inmiddels een passende woonplek gevonden voor betrokkene in Dordrecht. De mentor heeft met de begeleiding al afgesproken dat betrokkene de maandag na de zitting al naar de instelling kan. In de tussentijd kan betrokkene in het logeerhuis verblijven.
1.5.
Vader stelt zich op het standpunt dat het niet nodig is om betrokkene bij hem weg te halen. Hij heeft met meerdere instanties te maken die hem ondersteunen bij de zorg voor betrokkene, zoals ASVZ en Fivoor. Het klopt niet dat er door de politie wapens en drugs bij hem thuis zijn gevonden, hij had alleen een lachgas tank toen de politie een inval bij hem deed. Het is één keer voorgevallen dat de politie bij hem thuis waren gekomen vanwege een verjaardagsfeest op [geboortedag betrokkene] . Er was toen een gast die een wapen bij zich had, niet vader. Hij was er verder niet bij betrokken. De woning was wel wat vervuild, maar dat komt doordat er een feest was.
1.6.
De financiën van betrokkene zijn nog niet goed geregeld – zo heeft zij bijvoorbeeld geen uitkering – maar voor de rest loopt alles goed volgens vader. Betrokkene gaat naar dagbesteding en vader zorgt al sinds 2016 voor haar. De meldingen die zijn gedaan over betrokkene zijn dezelfde meldingen die al jarenlang worden gedaan. Vader herkent zich (en de situatie van betrokkene) niet in het beeld dat wordt geschetst in de meldingen.
1.7.
Vader vindt het kortom dus niet nodig dat betrokkene verhuist naar een instelling. Hij vangt betrokkene thuis op, verzorgt haar en brengt haar dan weer naar dagbesteding. Zij gaat nooit de deur uit zonder eerst te douchen. Zij heeft alsnog een indringende geur omdat zij overgewicht heeft en daardoor heeft zij broeiplekken in haar nek en oksel. Bij warm weer kan dat zorgen voor een geur. Vader geeft aan dat dit al jarenlang speelt en dat hij verklaringen van artsen heeft dat dit broeiplekken zijn. Hij herkent de meldingen over een wietlucht ook niet, hij maakt geen gebruik van wiet, alleen alcohol wanneer betrokkene niet bij hem thuis is.
1.8.
Vader stelt zich ook op het standpunt dat het standpunt van moeder niet of minder gewogen moet worden omdat zij betrokkene al vijf jaren niet heeft gezien. Moeder heeft het contact met betrokkene zelf verbroken. Hij zal nooit akkoord gaan met de plaatsing van betrokkene in een instelling omdat hij als vader voor betrokkene wil zorgen.
1.9.
Moeder kan zich wel vinden in de plaatsing van betrokkene in een instelling. Nadat betrokkene meerderjarig werd verviel de omgangsregeling die was getroffen. De regeling was dat betrokkene om de zaterdag bij moeder zou zijn. Dat ging niet goed, er waren discussies met vader over de omgang. Moeder heeft hierdoor afstand moeten nemen en dat doet haar pijn. Een plaatsing in een instelling zou ervoor zorgen dat moeder en de zus van betrokkene haar weer zonder belemmeringen kunnen gaan bezoeken. Moeder maakt zich zorgen over de situatie van betrokkene, op basis van haar ervaringen in de afgelopen jaren en gelet op de inhoud van de meldingen die ter zitting zijn besproken. Moeder heeft altijd gewild dat betrokkene geplaatst zou worden in een instelling.
Wat heeft de kantonrechter in de mondelinge uitspraak beslist?
1.10.
De kantonrechter heeft ter zitting besloten mondeling uitspraak te doen. Het verzoek is spoedeisend vanwege de plek die vanaf maandag 11 mei 2026 voor betrokkene beschikbaar is gekomen. Het verzoek om de machtiging te verlenen is toegewezen.
1.11.
Voor dit oordeel zijn primair de ernstige zorgen over de (zorg)situatie van betrokkene bij vader redengevend. Betrokkene is een 19-jarige vrouw. Zij heeft het Rett Syndroom, met een ernstige verstandelijke beperking. Zij functioneert op het niveau van een circa tweejarig kind. Betrokkene is dus een kwetsbare jonge vrouw, die volledig afhankelijk is van zorgverlening.
1.12.
Uit het rapportage van Veilig Thuis van 9 maart 2026 blijkt dat er vier meldingen zijn geweest over zorgen in de thuissituatie, twee door de politie, één door ASVZ en één door het Wijkteam [wijkteam] . Op 8 april 2026 is de politie nog bij aan de deur geweest en heeft geconstateerd dat de woning zeer rommelig en vervuild was. In de slaapkamer lag een stapel met spullen ter hoogte van de knie. Er lagen overal resten van drugs zoals lachgas. In de keuken lagen er veel blikken bier en etensresten. Er werd ook gerookt in de woning. Vader heeft aan de politie verklaard dat betrokkene op de bank slaapt wanneer er andere mensen zijn en wilde niet verklaren hoe vaak dit gebeurt. De politie vond dit alles zorgelijk situatie en heeft daarom een melding gemaakt.
1.13.
De kantonrechter constateert dat er meerdere instanties zijn die zich al langere tijd zorgen maken over betrokkene. Er is een wietlucht waargenomen bij betrokkene, betrokkene begint steeds meer problematisch gedrag te vertonen, waarbij toenemend verbaal agressief is, maar ook fysiek. Zij knijpt en grijpt en is ernstig vermoeid wanneer zij bij de dagbesteding aankomt. De politie heeft de woning meerdere malen ernstig vervuild aangetroffen. De kantonrechter neemt deze signalen zeer serieus, ook gelet op de ernstige beperkingen van betrokkene. Betrokkene is een kwetsbare jonge vrouw die afhankelijk is van zorgverlening en heeft veel hulp, zorg en bescherming nodig, waardoor zij het beste af is bij een instelling. De kantonrechter zegt hiermee niet dat vader niet zijn best heeft gedaan om betrokkene zo goed als mogelijk te verzorgen, maar betrokkene heeft meer zorg nodig dan vader kan bieden.
1.14.
De kantonrechter verleent machtiging aan de mentor om de verblijfplaats van betrokkene te bepalen. Er is voldaan aan het vereiste van artikel 1:543 lid 5 BW Pro, dat de verhuizing nodig is om ernstig nadeel voor betrokkene te voorkomen, gelet op alles wat hiervoor is overwogen.
1.15.
Ter voorkoming van misverstanden merkt de kantonrechter nog het volgende op. Uitgangspunt is dat tijdens het mentorschap op grond van artikel 1:453 lid 1 BW Pro de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten over de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van betrokkene aan de mentor toekomt. Het is een kerntaak van de mentor om te zorgen voor een goede en veilige zorgplek en voor goede zorg. De mentor heeft hiervoor geen toestemming van de kantonrechter voor nodig, maar de kantonrechter begrijpt dat de machtiging door de mentor is verzocht vanwege de eerder ervaren weerstand van vader. Als betrokkene zelf zich verzet tegen het verblijf in de zorginstelling en er ook geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 21 van Pro de Wet zorg en dwang (geen bereidheid, geen verzet), dan zal de mentor alsnog een rechterlijke machtiging moeten aanvragen via het CIZ. De onderhavige machtiging komt daarvoor niet in de plaats.

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
verleent machtiging aan de mentor om de verblijfplaats van betrokkene te bepalen.
Dit proces-verbaal is op 19 mei 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Tegen deze uitspraak kan in hoger beroep worden gegaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Verzoeker en degenen aan wie een kopie van de beschikking is verstrekt moeten hoger beroep instellen binnen drie maanden na de datum van de beschikking. Voor andere belanghebbenden moet dit binnen drie maanden nadat zij van de beschikking op de hoogte zijn geraakt.